Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ8567

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
01262/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8567
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben i.d.z.v. art. 26.1 WWM. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 01262/07

Mr. Machielse

Zitting 22 september 2009

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 6 juli 2006 voor 1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; voor 2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; en voor 3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk.

2. Mr. T.H. Ras, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof art. 359 lid 2 Sv met betrekking tot feit 3 heeft geschonden door geen redenen op te geven voor de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat het bewijs van het voorhanden hebben van het wapen niet kan worden geleverd.

3.2. Het hof heeft onder 3 bewezenverklaard dat

"hij op 1 november 2003 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren,

- een wapen van categorie III in de vorm van een pistool of revolver, te weten een pistool (merk Pietro Beretta, 9 mm) en

- munitie van categorie II, te weten 18 patronen, voorhanden heeft gehad."

3.3. Het hof heeft aan het bewijs van feit 3 de volgende overwegingen in zijn arrest gewijd:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van de verdachte is - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 ten laste is gelegd nu de verdachte niet op de hoogte was dan wel zich niet bewust was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in de woning, dit temeer aangezien het wapen is aangetroffen onder het bed en niet op een direct zichtbare plaats. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat hetgeen hiervoor is weergegeven ondersteuning vindt in de omstandigheid dat tussen het op het wapen aangetroffen DNA geen overeenkomsten zijn aangetoond met het DNA van verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 1 november 2003 is in de woning aan [de a-straat 1] te [plaats A] een tas aangetroffen waarin een wapen met munitie zat. Deze tas met wapen en munitie is aangetroffen onder een bed. Het hof is gezien het procesdossier, het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep van oordeel dat het hiervoor weergegeven standpunt van de verdachte niet aannemelijk is. De verdachte was als enige persoon als bewaker aangesteld over goederen - naar hij begreep hoeveelheden hennep - die in totaal een waarde van ongeveer 1,2 miljoen euro, althans een zeer hoge waarde, vertegenwoordigden. De verdachte overnachtte daartoe in de woning [a-straat 1] te [plaats A], in de kamer waar onder het bed de tas met wapen en munitie werden aangetroffen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij de desbetreffende tas onder het bed zien liggen. Voorts is op generlei wijze door de verdediging aannemelijk gemaakt dat een ander of anderen deze slaapkamer hebben betreden en daar het wapen en de munitie zouden hebben achtergelaten

Het hof verwerpt mitsdien het door de verdediging gevoerde verweer in al haar onderdelen."

3.4. Hetgeen de advocaat in de pleitnota in hoger beroep over het "voorhanden hebben" heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden geduid dan als inhoudende een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat standpunt heeft de strekking dat tussen verdachte en het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie niet een zodanig verband is aan te wijzen dat er van zo een voorhanden hebben gesproken kan worden. Aanvaarding van dat standpunt zou hebben geleid tot een vrijspraak van feit 3.

3.5. De Hoge Raad heeft over de verhouding tussen de laatste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv en de categorieën bewijsverweren die wel zijn aangeduid als Meer- en Vaartverweren en dakdekkersverweren overwogen dat de rechter ook voor de wijziging van art. 359 Sv al gehouden was om uitdrukkelijk en gemotiveerd op zo'n verweer te beslissen en dat wat betreft de mate van onderbouwing van zo een verweer door de invoering van de nieuwe volzin in het tweede lid van art. 359 Sv geen andere eisen worden gesteld dan voorheen.(1) Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor de wijze waarop de rechter met zulke verweren om dient te gaan. De verwerping die vóór de introductie van de nieuwe volzin door de beugel kon zal nu ook als toereikend aangemerkt moeten worden.

De Hoge Raad heeft wel geoordeeld dat voor de vraag of een bewijsverweer op toereikende gronden is verworpen de rechter onder omstandigheden, in het licht van de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen en in aanmerking genomen de inhoud van het verweer, kan volstaan met het oordeel dat het door de verdediging gestelde niet aannemelijk is geworden.(2) In de onderhavige zaak heeft de verdediging zich ertoe beperkt om, onder uiteenzetting van de geldende rechtspraak en literatuur, te onderbouwen dat uit de bewijsmiddelen niet is kunnen blijken dat tussen verdachte en het wapen en de munitie de in artikel 26 lid 1 WWM verlangde relatie heeft bestaan. Als een verdachte wel een verklaring geeft voor de aanwezigheid van wapens in zijn woning hoeft de rechter op die geopperde mogelijkheid niet in te gaan wanneer de rechter deze mogelijkheid als hoogst onwaarschijnlijk heeft kunnen aanmerken.(3) Ook indien de gebezigde bewijsmiddelen voldoende aanknopingspunten bieden waaruit is op te maken dat het aangeboden alternatieve scenario onaannemelijk is, is een nadere motivering niet vereist.(4) Wanneer de omstandigheden waarop de alternatieve toedracht wordt gebaseerd evenwel niet zonder nadere motivering als onaannemelijk zijn te kwalificeren zal de rechter wél afzonderlijk aandacht aan dat andere scenario moeten besteden.(5) Uit de rechtspraak van de Hoge Raad maak ik op dat de feitenrechter niet te snel mag aannemen dat de gebezigde bewijsmiddelen voldoende duidelijk zijn om de door de verdediging aangevoerde mogelijkheid zonder meer als onaannemelijk buiten beschouwing te kunnen laten.(6)

Maar anderzijds geldt dus weer wel dat als de rechter uitdrukkelijk aangeeft waarom hij het verweer niet volgt, dit oordeel in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.

3.6. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat verdachte als enige persoon als bewaker was aangesteld over drugs die een waarde van meer dan € 1.000.000,00 vertegenwoordigden, dat verdachte overnachtte in de kamer waarin het wapen en de munitie zijn aangetroffen, dat verdachte daar volgens bewijsmiddel 3 permanent gedurende ongeveer jaar heeft gewoond, en dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de tas onder zijn bed. Het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van wapen en munitie acht ik gelet op de inhoud van deze vaststellingen niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat na het instellen van het cassatieberoep op 12 juli 2006 de stukken niet binnen acht maanden daarna ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

4.2. Het dossier is inderdaad eerst op 1 mei 2007 ter administratie van de Hoge Raad binnengekomen. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendingstermijn is dus met een maand en 19 dagen overschreden. Bovendien zijn sinds het instellen van het cassatieberoep tot de dag van vandaag meer dan drie jaren verstreken, zodat ook in dat opzicht de redelijke termijn is geschonden. Dat dient te leiden tot strafvermindering.

5. Het eerste middel faalt. Het tweede middel is gegrond, zodat de Hoge Raad de aan verdachte opgelegde straf zal dienen te verlagen. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 8 april 2008, LJN BC5969.

2 HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 238 m.nt. Schalken. Zie bijvoorbeeld ook HR 14 oktober 2003, nr. 00840/03.

3 HR 17 november 1998, NJ 1999, 152.

4 HR 7 juli 2009, LJN BI3888.

5 HR 26 januari 1999, NJ 1999, 537 m.nt. Schalken.

6 HR 25 september 2007, LJN BA7694.