Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ8377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
00387/07 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8377
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Appeldagvaarding. Verstek. Bij zijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv heeft de HR vastgesteld dat de verdachte sinds 23-05-2005 stond ingeschreven in de GBA op het adres X. Daaruit volgt dat de dagvaarding in h.b. niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv zodat die dagvaarding nietig is. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is daarom onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00387/07 P

Mr. Machielse

Zitting 22 september 2009

Conclusie inzake:

[Betrokkene](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 26 augustus 2005 bij verstek aan verdachte de verplichting opgelegd om ter ontneming van door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 6.735,00.

2. Mr. M. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte bij verstek de maatregel heeft opgelegd. De appeldagvaarding is op 6 juni 2005 betekend aan de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op 20 mei 2005 was geprobeerd de appeldagvaarding uit te reiken aan het laatst bekende adres van verdachte, [a-straat 1] te [woonplaats] - het adres dat in de appelakte was opgegeven - maar daar is niemand aangetroffen. Er is een bericht van aankomst ter plekke achtergelaten en op 30 mei 2005 is de appeldagvaarding teruggestuurd aan de afzender. De griffie heeft uit een GBA-overzicht van 6 juni 2005 klaarblijkelijk afgeleid dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op een kopie van de appeldagvaarding is evenwel toch met de hand de aantekening geplaatst dat de dagvaarding als gewone brief is verzonden. Ik ga ervan uit dat die verzending inderdaad heeft plaatsgevonden.

Als bijlage is aan de schriftuur gehecht een uittreksel basisadministratie van de Gemeente Den Haag, gedateerd 23 mei 2007, dus van na het arrest van het hof,(2) en inhoudende dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], sinds 23 mei 2005 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats].

3.2. In het kader van de aanzegging van art. 435 lid 1 Sv is een GBA-overzicht verstrekt op 19 april 2007, waaruit inderdaad is op te maken dat verdachte vanaf 23 mei 2005 is ingeschreven op [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats].

3.3. In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad onder 3.16 aangegeven dat wanneer de verdachte niet in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven maar wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft , die feitelijke woon- of verblijfplaats als uitgangspunt dient te worden genomen, dat naar dat adres de dagvaarding als gewone brief over de post dient te worden verzonden, maar dat een nadere verificatie van het adres in de GBA achterwege kan blijven. Art. 588 lid 3 onder c Sv brengt de termijn van vijf dagen slechts in verband met een verdachte die op de dag van aanbieding van de dagvaarding in de GBA is ingeschreven, niet in verband met een verdachte die niet is ingeschreven maar van wie wel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. Dat brengt mij tot de conclusie dat voor de geldigheid van de betekening van de dagvaarding van de verdachte van wie enkel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is alleen de gegevens die bekend zijn op de dag van uitreiking relevant zijn. Als de dagvaarding is aangeboden aan dat adres, als een bericht van aankomst is achtergelaten en als de dagvaarding vervolgens als gewone brief naar dat adres is verstuurd is aan de wettelijke eisen voldaan.

Van verdachte kan voorts worden gevergd dat hij maatregelen neemt om te bereiken dat de appeldagvaarding hem bereikt als zijn in de appelakte opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats wijzigt in een GBA-inschrijving of in een andere feitelijke woon- of verblijfplaats.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve wijs ik er op dat sinds het instellen van het beroep tot de dag van vandaag al bijna 3 jaren zijn verstreken zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.

In de hoofdzaak leende de opgelegde straf zich niet voor een vermindering wegens schending van de redelijke termijn. Mijns inziens staat dat er niet aan in de weg dat de Hoge Raad wel de opgelegde betalingsverplichting verlaagt.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag zal verlagen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met zaaknummer 00390/07 in welke zaak ik heden ook concludeer.

2 Vgl. HR 19 juni 2001, NJ 2001, 520 rov. 4.8.