Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7919

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08/00316
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:BE9567
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7919
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1, letter a, Besluit proceskosten bestuursrecht. Procesbelang bestuursorgaan bij hoger beroep?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2626 met annotatie van Fase
FutD 2009-1958
Belastingblad 2009/1623
BNB 2010/60
FED 2010/9
V-N 2009/61.9
Belastingblad 2009/1319

Conclusie

Nr. 08/00316

Derde Kamer B

WOZ 1 januari 2005 - 31 december 2006

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. R.L.H. IJZERMAN

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 3 juli 2009 inzake:

X

tegen

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

1. Inleiding

1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 08/00316 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende, X. In de bij deze conclusie behorende gemeenschappelijke bijlage, die tevens ziet op de zaken met de nummers 08/02053, 08/02569 en 08/02570 van andere belanghebbenden, gaat het om de vraag of aanspraak gemaakt kan worden op een vergoeding van de kosten ter zake van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand' als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna ook: Bpb)(1), indien die rechtsbijstand verleend is door een gemachtigde die tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, zoals een familie- of vriendschapsrelatie, huwelijk of samenwonen. In het onderhavige geval is de rechtsbijstand verleend door de broer van belanghebbende.

1.2 Deze conclusie is als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het geding in feitelijke instantie beschreven. Een beschrijving van het procesverloop in cassatie is opgenomen in onderdeel 3. In onderdeel 4 wordt de middelen van belanghebbende besproken, gevolgd door de conclusie in onderdeel 5.

2. De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1 Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) van 31 maart 2005 is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1a te Z, voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 300.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2003 (hierna: WOZ-beschikking I).

2.2 Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 WOZ van 30 april 2005 is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1b te Z, voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 245.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2003 (hierna: WOZ-beschikking II).

2.3 Belanghebbende heeft, door tussenkomst van haar broer A (hierna ook: de gemachtigde), bij brief van 9 mei 2005 bezwaar gemaakt tegen WOZ-beschikking I en bij brief van 6 juni 2005 tegen WOZ-beschikking II.

2.4 De directeur Gemeentebelastingen Rotterdam (hierna ook: de heffingsambtenaar) heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 2 augustus 2005 zowel het bezwaar tegen WOZ-beschikking I als het bezwaar tegen WOZ-beschikking II ongegrond verklaard.

Rechtbank

2.5 Belanghebbende heeft, door tussenkomst van de gemachtigde, tegen de in het vorige onderdeel van deze conclusie genoemde uitspraken op bezwaar bij afzonderlijke beroepschriften(2) beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam (hierna ook: de Rechtbank).(3)

2.6 Met betrekking tot de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is bij beroepschrift verlangd (beroepschrift blz. 3, eerste alinea):

(...) veroordeling van de Gemeente in de kosten, daaronder begrepen griffierechten en salaris gemachtigde, ook voor de bezwaarfase.

2.7 De Rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven:

3.1 In geschil is de waarde van de onroerende zaak. Eiseres (...) bepleit een waarde van ten hoogste € 185.000,- (...).(4)

2.8 De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard:

4.12 Uit al het vorenoverwogene volgt dat de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2003 en naar de staat op die datum ten minste € 225.000,- bedroeg.(5) (...)

2.9 Ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om een kostenvergoeding voor zowel de bezwaar- als beroepsfase heeft de Rechtbank geoordeeld:

4.14 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 322,- aan kosten van door een derde in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand en op € 644,- aan kosten van door een derde in de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.10 De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraken van 7 april 2006 gegrond verklaard en de heffingsambtenaar in beide zaken veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het bezwaar heeft moeten maken. De Rechtbank heeft deze kosten in beide zaken vastgesteld op € 966 vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Hof

2.11 De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank bij afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna ook: het Hof).(6)

2.12 De heffingsambtenaar heeft in één geschrift de gronden van zijn hoger beroepen aangevoerd. Met betrekking tot een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is het volgende opgemerkt (aanvullend beroepschrift in hoger beroep blz. 1, zevende alinea en blz. 2, eerste alinea):

Voor een proceskostenveroordeling in de bezwaarfase zie ik geen aanleiding, aangezien niet is voldaan aan het vereiste van artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het verzoek moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. In het bezwaarschrift is een dergelijk verzoek niet gedaan. Een nadien ingediend verzoek is dan ook niet-ontvankelijk. De Rechtbank heeft naar mijn mening dan ook ten onrechte een procesvergoeding voor de bezwaarfase toegekend in beide procedures.

Daarnaast staat in de Nota van Toelichting (Staatsblad 2002, nr. 113, blz. 6) behorende bij het Besluit proceskosten bestuursrecht dat bij veel voorkomende bezwaarprocedures tegen waardebeschikkingen op grond van de Wet WOZ een lager forfaitair bedrag geldt, namelijk € 161.

Met betrekking tot een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase is in het beroepschrift primair het volgende standpunt ingenomen (aanvullend beroepschrift in hoger beroep blz. 2, tweede en vierde alinea):

Primair: voor een proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zie ik geen aanleiding aangezien er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. (...)

(...)

(...) Bijstand door een partner, een familielid, een vriend enz. voldoet niet aan deze eis. Uit onze administratie is gebleken dat A een broer is van belanghebbende, X. Daarnaast zijn er geen facturen en betalingsbewijzen overgelegd. (...)

Subsidiair heeft de heffingsambtenaar betoogd (aanvullend beroepschrift in hoger beroep blz. 2, vijfde en achtste alinea, blz. 3, eerste, tweede en vierde alinea):

Subsidiair: indien uw Hof toch van oordeel is dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding dan stel ik mij op het standpunt dat in casu sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. (...)

(...)

In deze twee gevallen is sprake van gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door A namens een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen. Sterker nog: de beroepschriften in deze gevallen zijn identiek.

Daarnaast stel ik mij op het standpunt dat het gewicht van de zaak als licht (factor 0,5) kan worden gekwalificeerd. (...)

(...)

De grieven van belanghebbende waren voornamelijk de waardestijging ten opzichte van de vorige waardepeildatum en de staat van onderhoud van de woningen. Uit dien hoofde kan naar mijn mening het gewicht van de zaak als licht worden gekwalificeerd. Daarnaast heeft A momenteel circa dertig WOZ-beroepszaken lopen bij de Rechtbank en in alle gevallen zijn identieke beroepschriften ingediend.

2.13 Belanghebbende heeft, door tussenkomst van de gemachtigde, een verweerschrift ingediend en daarin het volgende gesteld (verweerschrift blz. 1, derde alinea):

De Gemeente (...) kan in hoger beroep (...) niet enkel en alleen procederen over de kosten. De kostenveroordeling maakt immers geen deel uit van het beroep ten principale, doch is een annexiteit, en daarvan is geen afzonderlijk hoger beroep mogelijk.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft belanghebbende het volgende betoogd (verweerschrift blz. 2, tweede alinea):

De Gemeente kan verweerster zulks kwalijk tegenwerpen, want ook al had verweerster een dergelijk verzoek gedaan bij haar bezwaar, dan had de Gemeente toch geen kostenvergoeding toegekend omdat zij als gezegd het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard! Daarnaast geldt dat eventuele vormfouten bij beroep hersteld mogen worden, hetgeen verweerster dan ook heeft gedaan bij haar verzoek bij beroepschrift tot kostenveroordeling in beroeps- én bezwaarfase, waartegen zijdens de Gemeente toen geen verweer is gevoerd. Bovendien staat het de rechter altijd vrij rekening te houden met alle door verweerster redelijkerwijs gemaakte kosten en om daarvoor een reële vergoeding toe te kennen.

En met betrekking tot proceskostenvergoeding voor de beroepsfase (verweerschrift blz. 2, derde en vierde alinea, blz. 3, eerste en tweede alinea):

Dan stelt de Gemeente dat zij niets verschuldigd is omdat ondergetekende familielid is van verweerster. Een volstrekt foutieve redenering, want dat zou betekenen dat A zijn kantoor en personeel, dat waarlijk niet niks kost, maar kosteloos ter beschikking moet stellen voor zijn familieleden. Een redenering die natuurlijk geen hout snijdt.

Dat voorts subsidiair, als vorengesteld niet ter zake, de Gemeente aanvoert dat het twee dezelfde zaken zijn. Dat is niet waar, het bovenhuis is in grote mate verschillend van het benedenhuis en om maar een voorbeeld te geven het bovenhuis heeft geen tuin; het heeft een verantiekte badkamer en heeft een hele andere indeling, zonder bordes en zonder inpandig balkon; de keuken is heel anders, kortom het is totaal verschillend.

Ook de referentieobjecten zijn niet identiek, maar bovendien fout omdat die referentieobjecten dan zowel bovenhuizen als benedenhuizen zouden betreffen, die beide een groot verschil tonen als reeds gezegd, maar boven natuurlijk ook een hoge trap is en dus ongeschikt voor gezinnen met kleine kinderen, een belangrijk vraagcriterium.

Maar we hebben het nu niet over de waardeverhouding - boven is bijvoorbeeld weer groter - maar dat ieder verweer moet worden doordacht voor ieder object. Iedere zaak heeft zijn eigen aandacht.

Dan merkt de Gemeente op dat het belang niet groot is. Te meer onvoorstelbaar dat de Gemeente dan het onderste uit de kan zou willen hebben i.p.v. zich normaal te gedragen tegenover de burger/eigenaar. Het belang is wel groot en iedere wetswijziging van het toepassingsgebied van de onroerendzaakbelasting kan zeer grote gevolgen hebben (men denke maar aan het voornemen van toepassing op de successie en inkomstenbelasting).

Het is dus van uitermate belang om zuiverheid te hebben.

Het betreft hier ook niet een gering vermogensbelang, maar van 2x bijna € 250.000,- of bijna een miljoen gulden. Het zijn dus niet alleen geen identieke zaken, maar ook belangrijke zaken met aanzienlijke vermogenswaarden.

Met betrekking tot de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het verweerschrift betoogd (verweerschrift blz. 4, laatste alinea):

(...) met veroordeling van de Gemeente Rotterdam in de kosten van het door de Gemeente bij Uw Hof ingestelde hoger beroep, daaronder begrepen het salaris van ondergetekende en met veroordeling daarbij van de reiskosten/reistijd, te begroten op de voorgeschreven kilometerprijs van € 0,21 voor 60 kilometer en onder aftrek van een half reisuur honorarium.

2.14 Het Hof heeft het geschil in hoger beroep als volgt omschreven:

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende aanspraak heeft op een proceskostenveroordeling ter zake van door een derde aan haar beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.15 Ten aanzien van het geschil is door het Hof overwogen:

6.1. De Inspecteur heeft in de appelschriften onder meer gesteld dat ter zake van de verleende rechtsbijstand door A aan belanghebbende, geen facturen en/of betalingsbewijzen zijn overgelegd. Mede gelet daarop stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat hij ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

6.2. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur niet weersproken en heeft evenmin in de verdere loop van de gedingen betalingsbewijzen en/of facturen overgelegd. Evenmin is gesteld, en zulks is ook niet gebleken, dat zij zich tegen betaling door A heeft laten bijstaan.

6.3. De stelling dat bij verleende rechtsbijstand door familieleden reeds op grond van de familierelatie geen sprake is van een door zakelijkheid bepaalde verhouding vindt geen steun in het recht. Bijstand door een familielid die beroepsmatig wordt verleend sluit niet bij voorbaat een proceskostenvergoeding uit. Wil een partij voor vergoeding van rechtsbijstand in aanmerking komen, dan zal moeten vaststaan dat er kosten op de belanghebbende drukken. De kosten moeten dus zijn betaald of nog zijn verschuldigd.

6.4. Gesteld noch gebleken is dat A kosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht of dat anderszins kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand op haar drukken. Voor een proceskostenvergoeding is dan geen plaats.

6.5. Overigens dient ingevolge artikel 7:15, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek tot vergoeding van de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende zodanig verzoek tijdig heeft gedaan.

2.16 Het Hof heeft ten aanzien van de vraag of belanghebbende aanspraak heeft op een proceskostenveroordeling ter zake van door een derde aan haar beroepsmatig verleende rechtsbijstand, geoordeeld dat dit niet het geval is. Deswege heeft het Hof bij uitspraak van 18 december 2007 de uitspraken van de Rechtbank vernietigd, voor zover de heffingsambtenaar in de proceskosten is veroordeeld, en voor het overige de uitspraken van de Rechtbank bevestigd.

3. Het geding in cassatie

3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna ook: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3.2 Belanghebbende stelt twee cassatiemiddelen voor, waarvan het eerste middel luidt (beroepschrift in cassatie blz. 2, vijfde alinea):

Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 8:75 Awb, en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof geoordeeld heeft als vorenvermeld, zulks ten onrechte om de navolgende redenen;

1. Ten onrechte oordeelt het Hof dat er voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb in casu geen plaats is. Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd. Het Hof stelt immers uitdrukkelijk vast dat de verleende rechtsbijstand door gemachtigde beroepsmatig aan belanghebbende is verleend.

2. Althans had het Hof, alvorens zijn uitspraak te geven, op dit punt nadere inlichtingen aan belanghebbende moeten vragen, wat het Hof niet heeft gedaan. De eisen van een goede rechtspleging dan wel het beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat het Hof, zo het het beroep van de Gemeente Rotterdam al op deze grond wilde toewijzen, hiertoe overging.

3.3 Ter toelichting merkt belanghebbende het volgende op (beroepschrift in cassatie blz. 2, laatste alinea en blz. 3, eerste en tweede alinea):

Een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb ziet toe op de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten hebben o.a. betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het Hof heeft uitdrukkelijk overwogen dat de verleende rechtsbijstand door gemachtigde beroepsmatig is verleend (zie r.o. 6.3., tweede volzin). Daaruit volgt reeds per definitie dat er kosten drukken op belanghebbende, immers de bijstand is beroepsmatig verleend. De gebrekkigheid van 's Hofs beslissing op dit punt klemt des te meer, nu namens belanghebbende bij verweerschrift in hoger beroep reeds uitdrukkelijk naar voren is gebracht dat A zijn kantoor en personeel natuurlijk niet kosteloos maar ter beschikking stelt voor zijn familieleden.

De overweging van het Hof dat niet gesteld zou zijn dat kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand op belanghebbende drukken is derhalve volstrekt onbegrijpelijk.

Daarenboven heeft te gelden, dat de door het Hof in navolging van de Gemeente klaarblijkelijk gestelde eis dat er vooraf facturen en betalingsbewijzen moeten zijn overgelegd geen enkele steun vindt in wet en regelgeving.

Dat is ook logisch, daar zoals gebruikelijk van de oude stempel, kosten aan belanghebbende eerst in rekening kunnen worden gebracht als de zaak helemaal af is, aldus achteraf! De proceskostenvergoeding behoort vervolgens in mindering te worden gebracht op de aan belanghebbende in rekening te brengen kosten. Zo is het en niet anders.

3.4 Het tweede cassatiemiddel luidt (beroepschrift in cassatie blz. 3, derde alinea):

Verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof geoordeeld heeft als vermeld in de uitspraak waarvan beroep, zulks ten onrechte om de navolgende redenen;

Ten onrechte passeert het Hof het primaire verweer van belanghebbende dat géén afzonderlijk hoger beroep mogelijk is van een kostenveroordeling. Aldus heeft het Hof zijn beschikking niet naar behoren gemotiveerd. Het Hof wijdt immers geen enkel woord aan dit onderdeel van het geding.

3.5 Belanghebbende licht dit middel als volgt toe (beroepschrift in cassatie blz. 3, laatste alinea en blz. 4, eerste, tweede en derde alinea):

Als primair verweer heeft belanghebbende bij verweerschrift uitvoerig gemotiveerd aangevoerd dat de Gemeente Rotterdam niet in hoger beroep kan tegen een uitspraak die geheel conform haar eigen vermindering is en in hoger beroep ook niet enkel en alleen kan procederen over de kosten. De kostenveroordeling maakt immers geen deel uit van het beroep ten principale, doch is een annexiteit, en daarvan is géén afzonderlijk hoger beroep mogelijk.

Naar aanleiding van de repliek van partij heeft belanghebbende bij conclusie van dupliek haar primaire verweer nader onderbouwd, namelijk dat kosten accessoir zijn en als je geen vordering ten principale hebt, hoe gering ook, dan kan je accessoir niets hebben, per definitie niet.

In dit geval heeft de Rechtbank ondanks verdere bezwaren van belanghebbende de verminderde waardering als door de Gemeente Rotterdam zelf voorgesteld overgenomen. Er is dus geen hoofdzaak meer en dus ook geen accessoire zaak.

Het Hof heeft hierover in zijn uitspraak ten onrechte geen beslissing gegeven. Daaruit volgt reeds dat het Hof zijn uitspraak niet naar behoren heeft gemotiveerd. De gebrekkigheid van 's Hofs beslissing op dit punt klemt des te meer, nu het hier het primaire verweer van belanghebbende betreft en het geding in hoger beroep de iure valt of staat bij de beslissing van het Hof op dit onderdeel.

4. Beoordeling van de middelen

4.1 Als uitgangspunt moet voorop worden gesteld dat voor vergoeding van proceskosten slechts plaats is indien door de belanghebbende kosten zijn gemaakt, zie onderdeel 7.26 van de bij deze conclusie behorende gemeenschappelijke bijlage. Als die kosten door belanghebbende niet zijn gemaakt, is er uiteraard ook geen plaats voor vergoeding.

4.2 Het Hof heeft, zie onderdeel 2.15 van deze conclusie, overwogen:

6.1. De Inspecteur heeft in de appelschriften onder meer gesteld dat ter zake van de verleende rechtsbijstand door A aan belanghebbende, geen facturen en/of betalingsbewijzen zijn overgelegd. Mede gelet daarop stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat hij ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

6.2. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur niet weersproken en heeft evenmin in de verdere loop van de gedingen betalingsbewijzen en/of facturen overgelegd. Evenmin is gesteld, en zulks is ook niet gebleken, dat zij zich tegen betaling door A heeft laten bijstaan.

4.3 Daartegen komt belanghebbende op met een klacht, zie onderdeel 3.2 en 3.3 van deze conclusie, er op neer komende dat als sprake is van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand' er dus 'per definitie' ter zake kosten in rekening zijn gebracht aan belanghebbende. Dat behoeft echter naar mijn mening niet altijd het geval te zijn, zodat er geen algemene regel geldt als waarop belanghebbende hier doelt; zie onderdeel 6.1 van de bij deze conclusie behorende gemeenschappelijke bijlage. Daarom treft die klacht geen doel.

4.4 Voorts bestrijdt belanghebbende met een motiveringsklacht het oordeel van het Hof:

6.4. Gesteld noch gebleken is dat A kosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht of dat anderszins kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand op haar drukken. Voor een proceskostenvergoeding is dan geen plaats.

Daartoe verwijst belanghebbende naar de in onderdeel 2.13 van deze conclusie geciteerde passage in zijn verweerschrift bij het Hof:

Dan stelt de Gemeente dat zij niets verschuldigd is omdat ondergetekende familielid is van verweerster. Een volstrekt foutieve redenering, want dat zou betekenen dat A zijn kantoor en personeel, dat waarlijk niet niks kost, maar kosteloos ter beschikking moet stellen voor zijn familieleden. Een redenering die natuurlijk geen hout snijdt.

In die passage kan ik niets anders lezen dan dat de gemachtigde zich het recht voorbehoudt ook familieleden tegen geldelijke vergoeding bij te staan. Aldus houdt die passage niet in dat is gesteld dat ook in dit geval tegen vergoeding rechtsbijstand is verleend. Tegenover de ontkenning door het bestuursorgaan dat in dit geval kosten in rekening zijn gebracht, is belanghebbende, op wie dan de bewijslast komt te rusten, zie onderdeel 7.26 van de bij deze conclusie behorende gemeenschappelijke bijlage, niet gekomen met de stelling dat wel kosten in rekening zijn gebracht aan belanghebbende. Daarop stuit deze motiveringsklacht af.

4.5 Het in onderdeel 3.4 van deze conclusie genoemde tweede cassatiemiddel houdt in:

Ten onrechte passeert het Hof het primaire verweer van belanghebbende dat géén afzonderlijk hoger beroep mogelijk is van een kostenveroordeling. Aldus heeft het Hof zijn beschikking niet naar behoren gemotiveerd. Het Hof wijdt immers geen enkel woord aan dit onderdeel van het geding.

Het had inderdaad op de weg van het Hof gelegen aan dat verweer van belanghebbende een rechtsoverweging te wijden. Die had dan moeten inhouden dat er hier geen rechtsregel is inhoudende dat een hoger beroep niet slechts mag zien op een proceskostenveroordeling en dat voormeld verweer derhalve faalt. Dat is tevens de reden dat dit middel niet tot cassatie kan leiden.

5. Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2005, 628.

2 Met betrekking tot het materiële punt zijn de ingediende beroepschriften nagenoeg gelijkluidend en met betrekking tot het verzoek tot veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten geheel gelijkluidend. In het navolgende wordt geciteerd uit de procedure naar aanleiding van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot WOZ-beschikking I.

3 Rechtbank Rotterdam 7 april 2006, nr. WOZ 05/4093-ZWI (WOZ-beschikking I) en Rechtbank Rotterdam 7 april 2006, WOZ 05/4208-ZWI (WOZ-beschikking II). Beide uitspraken zijn niet gepubliceerd.

4 In de procedure met betrekking tot WOZ-beschikking II heeft belanghebbende een waarde van ten hoogste

€ 136.000 bepleit (noot toegevoegd, RIJ).

5 In de procedure met betrekking tot WOZ-beschikking II heeft de Rechtbank de waarde van de onroerende zaak per peildatum vastgesteld op € 205.000; zie r.o. 4.12 (noot toegevoegd, RIJ).

6 Hof 's-Gravenhage 18 december 2007, nrs. BK 06/00149 en BK 06/00150, NTFR 2008/1841. De uitspraak is tevens gepubliceerd op www.rechtspraak.nl (LJN BE9567).

Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 3 juli 2009 inzake:

Nrs. 08/00316, 08/02053, 08/02569 en 08/02570

Derde Kamer B

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. R.L.H. IJZERMAN

ADVOCAAT-GENERAAL

1. Inleiding

1.1 Heden neem ik conclusie in de zaken met de nummers 08/00316, 08/02053, 08/02569 en 08/02570. In die conclusies worden per zaak de individuele aspecten daarvan behandeld. In deze gemeenschappelijke bijlage wordt ingegaan op de in die conclusies in het algemeen voorliggende vraag. Die vraag is of ook aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding van de kosten ter zake van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand' als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna ook: Bpb)(1), indien die rechtsbijstand is verleend door een gemachtigde die tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, zoals een vriendschaps- of familierelatie, huwelijk of samenwonen.

1.2 Wil een belanghebbende voor vergoeding ter zake van de door hem gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking kunnen komen, dan dient uiteraard eerst te worden vastgesteld dat inderdaad door een derde rechtsbijstand is verleend. Wanneer is komen vast te staan dat rechtsbijstand inderdaad door een derde is verleend, moet vervolgens worden nagegaan of die derde zich beroepsmatig, dat wil zeggen in het kader van zijn beroepsmatige werkzaamheden, pleegt bezig te houden met het verlenen van rechtsbijstand. In de regel wordt ter zake van professionele rechtsbijstand een (forfaitaire) proceskostenvergoeding toegekend ingeval van een voor een belanghebbende (gedeeltelijk) positief resultaat van bezwaar of beroep. Dat kan echter anders zijn indien een op zichzelf professionele gemachtigde in een bepaald geval zijn bijstand niet beroepsmatig heeft verleend maar wegens een persoonlijke relatie, zoals een vriendschaps- of familierelatie. De benadering van de Hoge Raad is in dit opzicht niet gelijk aan die van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1.3 Deze gemeenschappelijke bijlage is als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de relevante artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna ook: Awb) en het Bpb weergegeven. De toepasselijke uitgangspunten bij de toekenning van een (forfaitaire) vergoeding van kosten ter zake van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand' komen in onderdeel 3 aan de orde. Aan de hand van wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur(2) zal in onderdeel 4 worden onderzocht wanneer sprake is van rechtsbijstand verleend door een derde. In onderdeel 5 wordt nagegaan wie in het algemeen geacht mogen worden rechtsbijstand beroepsmatig te verlenen. Vervolgens wordt in onderdeel 6 toegekomen aan de vraag of een op zichzelf professionele gemachtigde in een bepaald geval zijn bijstand niet beroepsmatig heeft verleend, maar wegens een in dat geval aanwezige persoonlijke relatie. In onderdeel 7 volgt een beschouwing en worden in dit kader criteria genoemd voor toekenning van een (forfaitaire) vergoeding van kosten van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand'.

2. De relevante wetsartikelen

2.1 Een belanghebbende kan zowel in bezwaar als in beroep, hoger beroep en beroep in cassatie verzoeken om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling zijn bezwaar of beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.2 Voor de bezwaarfase wordt in artikel 7:15, lid 2 en lid 4, Awb voor zover hier van belang vermeld:(3)

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. (...)

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2.3 Voor de beroepsfase wordt in artikel 8:75, lid 1, Awb voor zover hier van belang bepaald:(4)

1. De rechtbank is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, zijn van toepassing. (...) Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2.4 Ingevolge artikel 27j, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna ook: AWR)(5) en artikel 29 AWR(6) is artikel 8:75 Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep en het beroep in cassatie in belastingzaken.

2.5 De in artikel 7:15, lid 4 en artikel 8:75, lid 1, Awb bedoelde nadere regels worden vermeld in het Bpb. Artikel 1, aanhef en onder a, Bpb luidt voor zover hier van belang:

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, (...) van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op (...) kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (...).

2.6 In de Nota van toelichting bij het Bpb is opgemerkt:(7)

Het is een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart. (...) De kostenveroordeling is, naar algemeen is erkend in het civiele recht, niet bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.

(...)

Artikel 1

Dit artikel somt limitatief op welke kostenposten onder de kostenveroordeling kunnen worden gevat. Niet elke post behoeft steeds te worden toegewezen: ingevolge de wet moeten de kosten werkelijk zijn gemaakt en dient men de kosten in verband met de procedure bij de bestuursrechter redelijkerwijs te hebben moeten maken.

2.7 Artikel 5a, lid 1, van de tot 1 september 1999 geldende Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna ook: Warb), de voorloper van artikel 8:75 Awb in belastingprocedures, luidde voor zover hier van belang:(8)

1. Het gerechtshof is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het gerechtshof redelijkerwijs heeft moeten maken. (...) Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2.8 Van de in artikel 5a, lid 1, Warb opgenomen delegatiebepaling is gebruikgemaakt door middel van het voorheen geldende Besluit proceskosten fiscale procedures.(9) Artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures vermeldde voor zover hier van belang:

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (...) kan uitsluitend betrekking hebben op (...) kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (...).

2.9 In de bij het Besluit proceskosten fiscale procedures behorende Nota van toelichting was vermeld:(10)

(...) Omdat het belastingprocesrecht niet identiek is aan het algemene bestuursprocesrecht, is naast het op artikel 8:75 Awb gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB), het onderhavige Besluit proceskosten fiscale procedures (BPF) opgesteld. De verschillen zijn uitsluitend praktisch van aard; de inhoud is in hoofdlijnen dezelfde.

3. Uitgangspunten voor vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

3.1 In het kader van de forfaitaire vergoeding op grond van het Bpb heeft de Hoge Raad in HR BNB 1995/94 geoordeeld dat indien beroepsmatig rechtsbijstand is verleend elk onderzoek naar de daarvoor daadwerkelijk gemaakte kosten achterwege wordt gelaten:(11)

De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

Daarbij dient het volgende te worden opgemerkt. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet nr. 22 495 - welke toelichting mede geldt voor artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken - heeft de wetgever met het opnemen in een algemene maatregel van bestuur van een specifieke tarifiëring van de kosten met betrekking tot de onderscheiden processuele handelingen, ter beperking van de taakverzwaring voor de rechter, mede beoogd dat het gevolg van die normering zou zijn "dat de rechter nog slechts zal behoeven te beoordelen of er reden is voor een proceskostenveroordeling" (...). Hieruit volgt dat naar de bedoeling van de wetgever, mede gezien het forfaitaire karakter van de in het Besluit proceskosten fiscale procedures neergelegde regeling ter vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, indien zodanige bijstand is verleend, elk onderzoek naar de daarvoor werkelijk gemaakte kosten achterwege zal worden gelaten.

3.2 Als hoofdregel heeft te gelden dat indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld; zie HR BNB 1996/74:(12)

3.5. (...) Gezien de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken geldt als hoofdregel dat, indien een belanghebbende die bij het gerechtshof tegen een besluit van een bestuursorgaan in beroep is gekomen, geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, het bestuursorgaan in de kosten van het geding voor het gerechtshof wordt veroordeeld. Dit brengt mee dat, ingeval het gerechtshof in een dergelijk geval desalniettemin geen termen aanwezig acht voor een veroordeling in de proceskosten als vorenbedoeld, die beslissing nader met redenen dient te zijn omkleed.

Niet in alle gevallen waarin de belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, wordt het bestuursorgaan in de kosten van het geding veroordeeld. In HR BNB 1999/412 heeft de Hoge Raad overwogen:(13)

Voorzover in het middel wordt betoogd dat een gerechtshof gehouden is in alle gevallen waarin de belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de tegenpartij in de kosten van het geding te veroordelen, faalt het. Weliswaar heeft als hoofdregel te gelden dat in een zodanige situatie een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken, maar een gerechtshof mag daarvan, mits gemotiveerd, afwijken indien daartoe grond bestaat. Voorzover in het middel wordt betoogd dat het Hof op onjuiste gronden heeft besloten geen proceskostenveroordeling toe te kennen, faalt het eveneens. Het Hof heeft als zodanige gronden aangemerkt dat het enige punt waarop belanghebbende ten dele in het gelijk is gesteld pas bij het motiveren van het beroepschrift ter sprake is gebracht, en pas tijdens de zitting cijfermatig onderbouwd, en voorts dat de Inspecteur, blijkbaar vanwege het geringe belang, heeft afgezien van zijn processuele mogelijkheden zich te verzetten tegen het ter zitting alsnog overleggen van gegevens betreffende dat punt. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Ook indien het (hoger) beroep dan wel beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard, kan op basis van de tekst van artikel 8:75, lid 1, Awb een vergoeding van de proceskosten worden toegekend.(14)

3.3 Indien een belanghebbende zich laat bijstaan door een professionele gemachtigde is uitgangspunt voor toekenning van een proceskostenvergoeding dat het niet nodig is dat expliciet verzocht wordt om vergoeding van door die derde verleende rechtsbijstand. De Hoge Raad heeft daartoe in HR BNB 2003/15 overwogen:(15)

3.2. Bij de toepassing van (...) artikel [8:75 Awb, RIJ] heeft als hoofdregel te gelden dat indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (...). Met deze hoofdregel en de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen forfaitaire regeling voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand strookt het om in het geval dat een belanghebbende die vertegenwoordigd wordt door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde, geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de wederpartij in die, geen nadere opgave behoevende, kosten te veroordelen tenzij het oordeel gerechtvaardigd is dat daarop geen aanspraak wordt gemaakt (...).

Het kan zich evenwel voordoen dat een belanghebbende te kennen heeft gegeven dat wordt afgezien van proceskostenvergoeding, zoals dat bijvoorbeeld voorkomt bij proefprocedures.

3.4 Indien echter vast komt te staan dat de belanghebbende geen honorarium aan zijn gemachtigde verschuldigd is geworden, zodat de rechtsbijstand kosteloos is verleend, geldt dat dat in de weg staat aan toekenning van een vergoeding ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In HR BNB 2008/173 heeft de Hoge Raad overwogen:(16)

3.1. Voor de Rechtbank was uiteindelijk enkel in geschil of belanghebbende in aanmerking kwam voor een vergoeding van proceskosten voor de beroepsprocedure. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord.

3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende het standpunt van de heffingsambtenaar, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gemachtigde voor zijn werkzaamheden een honorarium in rekening heeft gebracht, niet heeft weersproken, dat geen nota van een aan belanghebbende in rekening gebracht honorarium is overgelegd en dat ook overigens van een dergelijk honorarium niet is gebleken. Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk. Kennelijk heeft de Rechtbank eruit afgeleid dat voor belanghebbende geen kosten verbonden zijn aan de hem verleende rechtsbijstand. Reeds dat staat in de weg aan toekenning van een vergoeding ter zake van rechtsbijstand, die immers niet kan volgen indien ter zake daarvan geen kosten zijn gemaakt. (...)

4. Een derde

4.1 De beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient, om voor vergoeding van de kosten in aanmerking te kunnen komen, verleend te zijn door een 'derde'.

4.2 In de Nota van toelichting bij het Bpb is daaromtrent opgemerkt:(17)

De omschrijving sluit (...) niet door derden verleende rechtsbijstand uit.

De door een interne juridische dienst van een bedrijf of van een tot dezelfde groep behorend bedrijf aan een procedure bestede tijd kan niet worden aangemerkt als door een derde verleende rechtsbijstand en komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Een zelf procederende particulier kan immers ook uitsluitend zijn verletkosten, zijn "zichtbaar" door de procedure veroorzaakte tijdverzuim wegens bij voorbeeld het bijwonen van een zitting, vergoed krijgen. Nogmaals, de proceskostenvergoeding beoogt niet en moet niet beogen een volledige vergoeding te zijn. Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico's van het maatschappelijk verkeer.

Jurisprudentie van de Hoge Raad

4.3 Van Soest schrijft in zijn conclusie voor HR BNB 1995/321:

3. Door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; middel I

(...)

3.5. Middel I houdt primair in (...):

"(...) Van een derde is sprake als de verhouding tussen de belastingplichtige en degene die bijstand verleent wordt bepaald door zakelijkheid. (...) Bij echtgenoten is reeds op grond van de huwelijksrelatie geen sprake van een enkel door zakelijkheid bepaalde verhouding (...)";

en subsidiair dat de kosten slechts in aanmerking komen als die ten gevolge van het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime daadwerkelijk ten laste van de vrouw alleen zijn.

3.6. Nu de bevoegdheid van de belastingrechter een partij te veroordelen in de kosten van de procedure eerst met ingang van 1 januari 1994 in het leven is geroepen, lijkt het juist deze bevoegdheid te beoordelen in de context van de huidige maatschappelijke en juridische verhoudingen.

3.7. Het is daarbij opvallend dat de rechtsontwikkeling, in het bijzonder in het belastingrecht, juist op punten waar het hier om gaat, belangrijke veranderingen te zien heeft gegeven.

3.8. Heel kort gezegd is de afzonderlijke aanslag van de gehuwde vrouw over haar persoonlijke inkomen ingevoerd (...) en is het mogelijk dat echtelieden die een onderneming hebben, onderling zakelijke regelingen treffen voor verrichte werkzaamheden (...), zulks onafhankelijk van het huwelijksgoederenregime.

3.9. Middel I moet dan ook, zacht gezegd, als anachronistisch worden aangemerkt.

3.10. Ik meen dat het faalt.

4.4 In HR BNB 1995/321 heeft de Hoge Raad ter zake van door de echtgenoot van de belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand overwogen:(18)

3.4. (...) Middel I behoeft geen behandeling. Opmerking verdient evenwel dat de in dit middel geponeerde stelling volgens welke bij echtgenoten reeds op grond van de huwelijksrelatie geen sprake is van een enkel door zakelijkheid bepaalde verhouding, welk huwelijksgoederenregime tussen hen ook geldt, geen steun vindt in het recht.

4.5 In HR BNB 2003/15 heeft de Hoge Raad ten aanzien van door de partner van de belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand overwogen:(19)

3.1. Het Hof heeft, na te hebben geoordeeld dat het beroep van belanghebbende doel treft, termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, maar die veroordeling vervolgens beperkt tot een bedrag ter zake van reiskosten. Belanghebbende klaagt in cassatie erover dat de veroordeling niet mede betrekking heeft op de kosten van door zijn gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.2. Bij de toepassing van evenvermeld artikel heeft als hoofdregel te gelden dat indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (...). Met deze hoofdregel en de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen forfaitaire regeling voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand strookt het om in het geval dat een belanghebbende die vertegenwoordigd wordt door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde, geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de wederpartij in die, geen nadere opgave behoevende, kosten te veroordelen tenzij het oordeel gerechtvaardigd is dat daarop geen aanspraak wordt gemaakt (...).

3.3. In de brief van belanghebbendes gemachtigde aan het Hof van 1 maart 2001, waarin zij zichzelf aanduidt als juridisch adviseuse en belanghebbende als haar cliënt, alsmede in de daarbij overgelegde volmacht ligt de stelling besloten dat de gemachtigde belanghebbende in dit geding als juridisch adviseur beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbendes wederpartij daaromtrent een ander standpunt heeft ingenomen. Het Hof heeft ook geen enkel feit vastgesteld dat in andere richting wijst. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende voor het Hof werd vertegenwoordigd door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geven voorts geen aanleiding voor de veronderstelling dat voor het Hof geen aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat daarop wel aanspraak werd gemaakt.

3.4. In deze omstandigheden had het Hof de veroordeling in de proceskosten niet mogen beperken tot de reiskosten, maar daarin ook een bedrag moeten begrijpen ter zake van de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand. (...)

4.6 De redactie van V-N schrijft in haar aantekening bij dit arrest het volgende:(20)

We hebben een gedeelte van het beroepschrift in cassatie opgenomen, omdat daarin vermeld wordt dat de juridisch adviseur van belanghebbende tevens diens levenspartner is. Dat is op zich een relevant gegeven bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van "kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand" in de zin van art. 1, aanhef en onderdeel a, Besluit proceskosten bestuursrecht (...). (...) Maar dan moet dat gegeven wel op de een of andere wijze in de procedure voor het hof zijn ingebracht. Zo had de inspecteur de (impliciete) stelling van de gemachtigde dat zij belanghebbende als juridisch adviseur beroepsmatig rechtsbijstand verleent, kunnen weerspreken met het argument dat de gemachtigde als levenspartner van belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een "derde" in de zin van de zo-even genoemde bepaling in het BPB. Dan was er een feitelijk aanknopingspunt geweest voor de (eveneens impliciete) beslissing van het hof om de kosten van rechtsbijstand niet in de proceskostenveroordeling te betrekken. Zoals de zaak nu ligt, is het zwijgen van de inspecteur, in samenhang met de omstandigheid dat het hof geen feit heeft vastgesteld dat tegen de stelling van gemachtigde pleit, reden om die stelling juist te achten.

4.7 In HR BNB 2003/20 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het begrip 'derde' overwogen:(21)

4.2. (...) De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat aan belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand is verleend door de vennootschap onder firma A. De Hoge Raad ziet geen reden om aan het begrip "derde" in artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures een andere betekenis te geven dan de gangbare. Dat brengt mede dat - anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld - de voormelde vennootschap onder firma ten opzichte van belanghebbende moet worden aangemerkt als een derde in de zin van die bepaling.

De in de Nota van toelichting bij voormeld besluit (...) te lezen opvatting dat de "interne juridische dienst van een (...) tot dezelfde groep behorend bedrijf" niet kan worden aangemerkt als een derde in evenvermelde zin, doet - nog daargelaten wat aldaar met "dezelfde groep" is bedoeld - aan het vorenoverwogene niet af, nu die opvatting niet tot uitdrukking is gebracht in de tekst van het besluit. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe nopen om voor de toepassing van de evenvermelde bepaling een procederend lichaam en een ander lichaam dat rechtsbijstand verleent, met elkander te vereenzelvigen. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt evenwel niet dat het college zich in de onderhavige zaak op de aanwezigheid van zodanige bijzondere omstandigheden heeft beroepen.

4.8 De redactie van V-N schrijft in haar aantekening het volgende:(22)

Het Besluit proceskosten fiscale procedures kent evenals het Besluit proceskosten bestuursrecht in art. 1, onderdeel a, een mogelijkheid voor vergoeding - zij het uiteraard op forfaitaire basis - voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er ontstaat nu een probleem zodra niet duidelijk is wat onder een "derde" moet worden verstaan. Aangenomen moet worden dat het zal moeten gaan om iemand anders dan de belanghebbende, maar ook iemand die niet optreedt als orgaan van die belanghebbende. Dit laatste laat echter de mogelijkheid open dat een dergelijk orgaan als zelfstandig herleeft indien hij tegen betaling zijn diensten aanbiedt aan bijvoorbeeld zijn werkgever. Ook een bestuurslid van een vereniging kan bijvoorbeeld op declaratiebasis beroepsmatig zijn diensten aan zijn vereniging aanbieden en dan toch als derde worden beschouwd. Een voorbeeld is aan te treffen in Hof 's-Gravenhage, 16 december 1998, nr. 97/0389, V-N 1999/36.4, alwaar een werknemer van belanghebbende voor deze beroepsmatig rechtsbijstand verleende. De positie van de vennootschap onder firma die hier als gemachtigde optrad, is in het geheel wat duister gebleven. Uit het incidenteel beroepschrift in cassatie kan worden afgeleid dat deze firma bepaalde banden had met de belanghebbende, maar daarmee bepaald toch niet te vereenzelvigen zou zijn. Begrijpelijk is dan ook de beslissing van de Hoge Raad dat in zoverre deze firma als derde beschouwd kon worden. Een opvoedkundige maatregel van de Hoge Raad in de richting van de wetgever volgt dan nog in die zin, dat nog eens duidelijk wordt gesteld, dat wetteksten, die niet haarscherp formuleren, niet van een nadere inhoud kunnen worden voorzien door middel van een memorie van toelichting of - zoals hier - een nota van toelichting. Hetgeen de wetgever beoogt, dient nu eenmaal in de eerste plaats in de tekst van de wet teruggevonden te kunnen worden.

Uit de laatste rechtsoverweging van de Hoge Raad blijkt trouwens, dat onder bijzondere omstandigheden een procederend lichaam en een ander lichaam dat rechtsbijstand verleent, wel met elkander te vereenzelvigen zouden kunnen zijn. We blijven verder overigens in het ongewisse welke dergelijke bijzondere omstandigheden dat wel zouden moeten zijn.

4.9 In HR BNB 2005/15 heeft de Hoge Raad ten aanzien van door een commissaris van een BV, de enig aandeelhouder van de belanghebbende, verleende rechtsbijstand overwogen:(23)

3.1. In onderdeel 6.5.2 van zijn uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de kosten van de bezwaarschriftprocedure overwogen dat de gemachtigde van belanghebbende tevens als commissaris van A BV, de enig aandeelhouder van belanghebbende, aan belanghebbende is verbonden, en heeft het vervolgens op die enkele grond geoordeeld dat een deel van de door de gemachtigde bij belanghebbende in rekening gebrachte kosten aan zijn normale (advies)werkzaamheden als commissaris dient te worden toegerekend. De eerste klacht richt zich tegen dit oordeel.

3.2. Deze klacht slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het geding voor het Hof werd gevoerd door G BV als gemachtigde van belanghebbende. Voor G BV trad op H. Zonder nadere redengeving, die evenwel ontbreekt, is onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat een deel van de door de gemachtigde van belanghebbende, waarmee dus bedoeld moet zijn: G BV, in rekening gebrachte kosten moet worden toegerekend aan de normale (advies)werkzaamheden van gemachtigde als commissaris van de enig aandeelhouder van belanghebbende. In de eerste plaats is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk omdat ingevolge artikel 2:250 BW slechts natuurlijke personen commissaris van een BV kunnen zijn, zodat G BV niet commissaris kan zijn van de moedervennootschap van belanghebbende. Voorts is niet zonder meer duidelijk dat het enkele feit dat een gemachtigde tevens als commissaris is verbonden aan een vennootschap die partij is in een geding, meebrengt dat een deel van de door deze gemachtigde ter zake van de advieswerkzaamheden gedurende de bezwaar- of beroepsfase in rekening gebrachte kosten moet worden toegerekend aan zijn normale (advies)werkzaamheden als commissaris. Een oordeel in die zin behoeft motivering.

Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep

4.10 De Centrale Raad van Beroep (hierna ook: de Centrale Raad) heeft overwogen:(24)

De Raad stelt voorop dat het aan de rechtbank gedane verzoek van appellante ter zake van de proceskosten kennelijk uitsluitend een vergoeding voor 'verleende rechtsbijstand' betreft. De Raad dient derhalve te beoordelen of de directeur van appellante en de ter zitting van de rechtbank verschenen advocaat(25) van appellante aangemerkt dienen te worden als 'derden', zoals bedoeld in onderdeel a van artikel 1 van het Besluit.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. De Raad verwijst daartoe in het bijzonder naar de toelichting op genoemd artikelonderdeel, waarin onder meer het volgende vermeld wordt: "De omschrijving sluit ten tweede niet door derden verleende rechtsbijstand uit. De door een interne juridische dienst van een bedrijf of van een tot dezelfde groep behorend bedrijf aan een procedure bestede tijd kan niet worden aangemerkt als door een derde verleende rechtsbijstand en komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Een zelf procederende particulier kan immers ook uitsluitend zijn verletkosten, zijn "zichtbaar" door de procedure veroorzaakte tijdverzuim wegens bij voorbeeld het bijwonen van een zitting, vergoed krijgen. Nogmaals, de proceskostenvergoeding beoogt niet en moet niet beogen een volledige vergoeding te zijn. Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico's van het maatschappelijk verkeer."

Uit deze passage dient naar het oordeel van de Raad de conclusie te worden getrokken dat de regelgever uitdrukkelijk de bedoeling heeft gehad om de kosten van verleende rechtsbijstand in een geval als het onderhavige, niet voor vergoeding in aanmerking te brengen.

Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4.11 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ook: de Afdeling) heeft ten aanzien van de door de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs te Den Haag verleende rechtsbijstand ten behoeve van de Stichting Speciaal Onderwijs Haarlemmermeer overwogen:(26)

De Afdeling overweegt (...) met betrekking tot de stelling van opposant dat rechtsbijstand verleend door de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs te Den Haag, die in de onderwerpelijke procedure als vertegenwoordigster van de Stichting Speciaal Onderwijs Haarlemmermeer is opgetreden, niet zou zijn aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand het volgende.

Uit het feit dat de besturenorganisaties (onder meer tegen betaling van contributie) rechtsbijstand aan de aangesloten schoolbesturen verlenen, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat de juridische afdelingen van deze organisaties als interne juridische diensten van deze schoolbesturen moeten worden beschouwd. De Afdeling overweegt hiertoe dat de besturenorganisaties zelfstandige rechtspersonen zijn, wier personeel niet ondergeschikt is aan de bij hen aangesloten schoolbesturen; het zijn externe organisaties die de belangen behartigen van, en diensten verlenen aan, de aangesloten schoolbesturen.

4.12 De Afdeling heeft ten aanzien van de door de partner van de belanghebbende verleende rechtsbijstand overwogen:(27)

2.6. De Afdeling ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten, nu de (...) verleende rechtsbijstand niet is aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelet op het feit dat zij de partner is van [appellant sub 1] en mederechthebbende is ten aanzien van de woning.

Fiscale literatuur

4.13 In de fiscale literatuur is omtrent de door een derde verleende rechtsbijstand onder meer het volgende opgemerkt.

4.14 Pechler vermeldt:(28)

(...) De rechtsbijstand moet worden verleend door een derde. Bijzondere omstandigheden kunnen reden zijn de rechtshulpverlener te vereenzelvigen met de belanghebbende, aldus de Hoge Raad. Dat de beroepsmatige rechtsbijstand wordt verleend door de echtgenoot van de belastingplichtige, neemt niet weg dat deze echtgenoot is aan te merken als een derde. De advocaat die ten behoeve van het eigen kantoor procedeert, is volgens de Centrale Raad van Beroep geen derde.

4.15 Happé, Van Loon en Slijpen schrijven:(29)

Het begrip 'derde' heeft hier overigens de gangbare betekenis, waarbij opmerking verdient dat ook tussen echtgenoten sprake kan zijn van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. (...)

De Hoge Raad oordeelde dat de werkzaamheden van een gemachtigde die tevens commissaris was niet zonder meer zijn toe te rekenen aan de werkzaamheden als commissaris. (...)

4.16 Van der Wal merkt op:(30)

Ook besliste de Hoge Raad in een situatie waarin de echtgenoot of de partner van belanghebbende de beroepsmatige bijstand verleende, dat de stelling dat voor een proceskostenvergoeding een zakelijke relatie tussen belanghebbende en diens rechtsbijstandverlener vereist is, geen steun vindt in het recht. Een advocaat die de maatschap waarvan hij deel uitmaakte in rechte vertegenwoordigde, kon echter niet gelden als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand aan de maatschap verleende.

4.17 Van Suilen vermeldt:(31)

(...) Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moeten de kosten daadwerkelijk door de rechtsbijstandverlener in rekening zijn gebracht. Verder moet de rechtsbijstand door een derde zijn verricht. Daarvan is geen sprake als er een familierelatie bestaat tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener. Ook de bijstand die een jurist aan zichzelf verleent of een als gemachtigde optredende directeur, bedrijfsjurist of curator, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

4.18 Van Immerseel schrijft in zijn commentaar in NDFR het volgende:(32)

(...) Echtgenoten kunnen in dit verband soms als derden worden aangemerkt (...). (...) Wanneer een gemachtigde tevens behoort tot een van de organen van de vennootschap namens wie een verzoek om een kostenvergoeding is ingediend, zoals bijvoorbeeld tot de raad van commissarissen, wil dat niet zeggen dat de werkzaamheden van de gemachtigde zonder meer zijn toe te rekenen aan de werkzaamheden van diens commissariaat. Er kan dan toch sprake zijn van door een derde beroepsmatig verleende bijstand (...).

Algemeen bestuursrechtelijke literatuur

4.19 In de algemeen bestuursrechtelijke literatuur is omtrent de door een derde verleende rechtsbijstand onder meer het volgende opgemerkt.

4.20 Simon schrijft:(33)

In art. 1 Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Primair daartoe behoren kosten 'van door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand'. Voorop zal derhalve moeten staan dat de rechtshulp 'van buiten' is ingeschakeld. Volgens de ABRS hoort daartoe niet de verlening van rechtsbijstand door een familielid, ook al kan betrokkene in het algemeen wel worden gekwalificeerd als een persoon die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. (...)

4.21 Borman signaleert:(34)

Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in beginsel geen sprake als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat (...). In andere zin echter HR 4 oktober 1995, BNB 1995, 321.(35)

4.22 Schreuder-Vlasblom vermeldt:(36)

Vergoedbaar zijn de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door derden, die in de procedure namens de partij optraden.

Een directeur, bedrijfsjurist of curator treedt op namens de partij, maar is geen derde. Datzelfde geldt voor het personeel dat bij een publiekrechtelijke rechtspersoon in dienst is.

(...)

Gratis dienstverlening door familie of vrienden is niet vergoedbaar.

5. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand

5.1 Om ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, Bpb in aanmerking te komen voor een (forfaitaire) vergoeding van proceskosten moet voorts komen vast te staan dat de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend.

5.2 In dat kader is in de Nota van toelichting bij het Bpb opgemerkt:(37)

Procesvertegenwoordiging is in het bestuursrecht niet verplicht. Als men zich laat bijstaan, is de keuze van een rechtsbijstandverlener in beginsel vrij (...). Dat betekent echter niet dat elke vorm van bijstand, door wie dan ook verleend, in het kader van een kostenveroordeling voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

De (...) gegeven omschrijving sluit (...) niet professioneel verleende bijstand uit. Het hoeft niet te gaan om iemand die uitsluitend of in hoofdzaak zijn beroep maakt van het verlenen van rechtsbijstand. Waar het om gaat, is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak, zoals dat bijvoorbeeld vaak bij sociale raadslieden (op bepaalde rechtsgebieden) het geval is. Met de huidige praktijk, waarin rechtsbijstandverleners van velerlei pluimage optreden, is niet goed verenigbaar wettelijke eisen van vakbekwaamheid te stellen. Wel kan ervan worden uitgegaan dat bij voorbeeld advocaten, juristen werkzaam bij de stichtingen rechtsbijstand en vakbondsjuristen aan het criterium van artikel 1, onderdeel a, voldoen, terwijl personen zonder enige juridische scholing niet geacht kunnen worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen.

5.3 En in de bij het Besluit proceskosten fiscale procedures behorende Nota van toelichting was een nagenoeg gelijke tekst opgenomen:(38)

Procesvertegenwoordiging is in belastingzaken - afgezien van het pleidooi in cassatie, dat uitsluitend door een advocaat kan worden gehouden - niet verplicht. Als men zich laat bijstaan, is de keuze van een bijstandverlener in beginsel vrij (...). Dat betekent echter niet dat elke vorm van bijstand, door wie dan ook verleend, in het kader van een kostenveroordeling voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

De (...) gegeven omschrijving sluit (...) allereerst niet professioneel verleende bijstand uit. Het hoeft niet te gaan om iemand die uitsluitend of in hoofdzaak zijn beroep maakt van het verlenen van (belasting)rechtsbijstand. Waar het om gaat, is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak, zoals dat bij voorbeeld bij belastingconsulenten doorgaans het geval is. Met de huidige praktijk, waarin in belastingzaken het merendeel van de rechtsbijstand wordt verleend door belastingconsulenten, terwijl belastingconsulent geen wettelijk beschermd en/of gecontroleerd beroep is, is het niet goed verenigbaar om wettelijke eisen van vakbekwaamheid te stellen. Wel kan er in het algemeen van worden uitgegaan dat advocaten en belastingconsulenten aan het criterium van artikel 1, onder a, voldoen.

Jurisprudentie van de Hoge Raad

5.4 In HR BNB 2003/15 heeft de Hoge Raad, als eerder geciteerd in onderdeel 4.5 van deze gemeenschappelijke bijlage, overwogen:(39)

3.1. Het Hof heeft, na te hebben geoordeeld dat het beroep van belanghebbende doel treft, termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, maar die veroordeling vervolgens beperkt tot een bedrag ter zake van reiskosten. Belanghebbende klaagt in cassatie erover dat de veroordeling niet mede betrekking heeft op de kosten van door zijn gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.2. Bij de toepassing van evenvermeld artikel heeft als hoofdregel te gelden dat indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (...). Met deze hoofdregel en de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen forfaitaire regeling voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand strookt het om in het geval dat een belanghebbende die vertegenwoordigd wordt door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde, geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de wederpartij in die, geen nadere opgave behoevende, kosten te veroordelen tenzij het oordeel gerechtvaardigd is dat daarop geen aanspraak wordt gemaakt (...).

3.3. In de brief van belanghebbendes gemachtigde aan het Hof van 1 maart 2001, waarin zij zichzelf aanduidt als juridisch adviseuse en belanghebbende als haar cliënt, alsmede in de daarbij overgelegde volmacht ligt de stelling besloten dat de gemachtigde belanghebbende in dit geding als juridisch adviseur beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbendes wederpartij daaromtrent een ander standpunt heeft ingenomen. Het Hof heeft ook geen enkel feit vastgesteld dat in andere richting wijst. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende voor het Hof werd vertegenwoordigd door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geven voorts geen aanleiding voor de veronderstelling dat voor het Hof geen aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat daarop wel aanspraak werd gemaakt.

Jurisprudentie van de Centrale Raad

5.5 De Centrale Raad heeft ter zake van door een praktiserend accountant-administratieconsulent verleende rechtsbijstand overwogen:(40)

(...) Er was immers sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand - als hoedanig naar het oordeel van de Raad ook een praktiserend accountant-administratieconsulent kan worden aangemerkt - en de bestreden beslissing heeft geen stand kunnen houden.

5.6 De Centrale Raad heeft verder overwogen:(41)

De Raad is (...) van oordeel dat de door de Stichting [Omvlee Adviesbureau, RIJ] verleende rechtsbijstand als beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient te worden aangemerkt nu de Stichting niet slechts incidenteel rechtshulp verleent en voor die rechtshulp in de regel, en niet slechts incidenteel, enigerlei vergoeding in rekening pleegt te worden gebracht. De Raad wijst er op dat uit de stukken blijkt dat appellante een vergoeding is verschuldigd voor kantoorkosten alsmede een tarief dat gelijk is aan een aan haar toegewezen vergoeding voor proceskosten als bedoeld in de artikelen 7:15, tweede lid, en 8:75 van de Awb. (...)

Jurisprudentie van de Afdeling

5.7 De Afdeling heeft overwogen dat, wil vergoeding van proceskosten aan de orde kunnen komen, het verschaffen van rechtsbijstand voor de gemachtigde een vast onderdeel dient te vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening:(42)

De Afdeling acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij merkt de Afdeling op dat het verzoek van appellant om verweerders te veroordelen in de kosten van de door een derde aan hem beroepsmatige verleende bijstand moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de Afdeling kan de bijstand, die de gemachtigde van appellant hem heeft verleend, niet worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Niet gebleken is dat het verschaffen van rechtsbijstand voor de gemachtigde van appellant een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. (...)

5.8 De Afdeling heeft overwogen:(43)

(...) dat in artikel 1, aanhef en sub a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (...) is bepaald dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij is van belang of het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening.

Nu vast is komen te staan dat appellants gemachtigde, die octrooigemachtigde/

plaatsvervangend lid van de Octrooiraad is, nimmer namens anderen is opgetreden in beroepszaken, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van het evengenoemde artikel. De grondslag van rechtsbijstand is veeleer gelegen in de familierelatie tussen appellant en zijn gemachtigde.

Fiscale literatuur

5.9 In de fiscale literatuur is omtrent beroepsmatig verleende rechtsbijstand onder meer het volgende opgemerkt.

5.10 Pechler schrijft:(44)

Of kan worden gesproken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, leidt in fiscale procedures bij mijn weten zelden tot verschil van mening. Een rechtshulpverlener voor wie 'het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak', voldoet aan het criterium. Meestal gaat het om een door de belastingplichtige ingeschakelde belastingadviseur. 'Beroepsmatig' houdt, in de woorden van de niet-fiscale bestuursrechter, in dat het bieden van rechtshulp een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. (...)

5.11 Van der Wal merkt op:(45)

Theoretisch zal de belastingplichtige aannemelijk moeten maken dat degene die hem bijstand heeft verleend dat beroepsmatig heeft gedaan. In de praktijk zal de rechter echter aan de feitelijke omstandigheden van het geval(46) meestal het vermoeden kunnen ontlenen dat zulks het geval is, bijvoorbeeld als de rechtsbijstandverlener lid is van een beroepsorganisatie van belastingadviseurs en/of in dienstbetrekking werkzaam is bij een accountantskantoor. In dat geval moet de inspecteur, zo hij dat zou willen bestrijden, dat vermoeden ontzenuwen.

5.12 Van Suilen vermeldt:(47)

De kosten waarop de vergoeding betrekking kan hebben zijn limitatief opgesomd in art. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het gaat vooral om de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtbijstand. Van professionele rechtsbijstand is sprake indien het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak behoort, zoals bij een advocaat of belastingadviseur. Personen zonder enige juridische scholing vallen er buiten. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moeten de kosten daadwerkelijk door de rechtsbijstandverlener in rekening zijn gebracht. (...)

5.13 Van Immerseel schrijft in zijn commentaar in NDFR het volgende:(48)

Als de belanghebbende zich in de bezwaarprocedure heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde dan kan voor de daaraan verbonden kosten een (forfaitaire) vergoeding worden toegekend, mits deze gemachtigde een derde is die bij de vertegenwoordiging handelde in de uitoefening van zijn beroep. Het moet gaan om beroepsmatig verleende bijstand.

Algemeen bestuursrechtelijke literatuur

5.14 In de algemeen bestuursrechtelijke literatuur is omtrent beroepsmatig verleende rechtsbijstand onder meer het volgende opgemerkt.

5.15 De Poorter vermeldt:(49)

De kosten voor verleende rechtsbijstand komen niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking: het behoort te gaan om beroepsmatig verleende rechtsbijstand en deze bijstand moet zijn verleend door een derde.

Voor de vraag of sprake is van 'beroepsmatig' verleende rechtsbijstand, acht de Afdeling doorslaggevend of het verschaffen van rechtsbijstand voor de betreffende gemachtigde een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. (...) Voorts wordt er door de Afdeling bestuursrechtspraak van uitgegaan dat personen zonder enige juridische scholing niet geacht kunnen worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen. Dit is niet anders indien het bieden van rechtsbijstand valt onder de statutaire doelstelling van de rechtspersoon waarbij de gemachtigde werkzaam is. De CRvB lijkt op dat punt een andere koers te varen. Zo werden kosten van rechtsbijstand door een districtsbestuurder van de vakbond en een accountant-administratieconsulent wel vergoed op de grond dat het ging om beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van belang is volgens de Centrale Raad van Beroep de feitelijke situatie: behoort het bieden van rechtsbijstand tot de feitelijke werkzaamheden van de betrokken gemachtigde, dan is dit reeds voldoende om van 'beroepsmatig' verleende rechtsbijstand te spreken. (...)

5.16 Simon schrijft:(50)

Over de betekenis van het begrip 'beroepsmatig' lopen de meningen in de rechtspraak uiteen. Uit de nota van Toelichting bij het Bpb blijkt dat aan dit criterium niet wordt voldaan wanneer iedere juridische scholing ontbreekt. De besluitgever heeft echter uitdrukkelijk afgezien van het stellen van wettelijke eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid, terwijl volgens de NvT bij het Bpb niet is vereist dat de rechtshulpverlener beroepsmatig uitsluitend rechtshulp verleent. Het ligt naar mijn mening, in het licht ook van de aard van deze bepaling (...), voor de hand het begrip 'beroepsmatig verleende rechtsbijstand' ruim op te vatten. Ik wijs op CRvB 12 juli 1996, JB 1996/203. In deze zaak ging het om rechtsbijstand verleend door een sociaal-economisch voorlichter. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of hier sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand achtte de Raad de feitelijke situatie, 'en deze laat zien dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot de beroepsmatige taak van de SEV'er'. (...)

5.17 De Haan, Drupsteen en Fernhout signaleren:(51)

Art. 1 van het Besluit somt limitatief de vergoedbare kosten op. (...) Vergoedbaar zijn allereerst de kosten van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand'. Daarbij is niet de statutaire taakomschrijving, maar de feitelijke situatie doorslaggevend. Rechtsbijstand door een voorlichter van een landbouworganisatie is dan ook beroepsmatig verleend. Onder omstandigheden is ook de rechtsbijstand door een praktiserend register-accountant beroepsmatig verleend, ook al is het verlenen van rechtsbijstand geen zelfstandige taak in het dienstpakket van het accountantskantoor. (...)

Ook rechtsbijstand in het kader van vrijwilligerswerk is niet beroepsmatig verleend en komt niet voor een proceskostenvergoeding in aanmerking. (...)

5.18 Schueler schrijft:(52)

Vaak gaat het om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. (...) Het moet (...) gaan om beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals een advocaat, een medewerker van een rechtsbijstandverzekering, een belastingadviseur, een medewerker van het Bureau Sociaal Raadslieden, een vakbondsjurist, medewerkers van belangenverenigingen.

5.19 Tak is van mening:(53)

(...) [E]nkel de vraag of het verlenen van de rechtsbijstand geschiedt in het kader van professionele beroepsuitoefening telt - zou tenminste behoren te tellen. De rest is enkel regelrechte bemoeizucht.

5.20 Borman vermeldt:(54)

Volgens de NvT hoeft het niet te gaan om iemand die uitsluitend of in hoofdzaak zijn beroep maakt van het verlenen van rechtsbijstand, maar moet het verlenen van rechtsbijstand wel tot zijn beroepsmatige taak behoren (...). Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS moet het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening (...). De NvT noemt als voorbeelden: advocaten, sociale raadslieden, juristen werkzaam bij de stichtingen rechtsbijstand en vakbondsjuristen. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB wordt rechtsbijstand die is verleend door vakbondsmedewerkers, waarbij het verlenen van rechtsbijstand mede tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort en indien de vakbondsleden contributie verschuldigd zijn, aangemerkt als beroepsmatig verleende bijstand (...). Daarnaast erkent de jurisprudentie ook als zodanig: juristen bij een rechtsbijstandverzekeringsmaatschappij of een belangenorganisatie, belastingconsulenten en registeraccountants. Personen zonder enige juridische scholing vallen erbuiten (...). Idem incidentele, persoonlijke juridische dienstverlening (...). Onduidelijk is de jurisprudentie over de vraag of rechtsbijstand door een vrijwilliger van een rechtswinkel of aanverwante organisatie beroepsmatig is. Voor vergoeding lijkt bepalend te zijn of kosten in rekening worden gebracht en of rechtsbijstand de kerntaak is (...).

5.21 Van Wijk, Konijnenbelt en Van Male schrijven:(55)

(...) [W]at de eis van beroepsmatigheid betreft, beoordeelt de Afdeling of het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening; de Centrale Raad van Beroep acht van belang of meer dan incidenteel rechtshulp wordt verleend en of daarvoor kosten in rekening worden gebracht.

5.22 Damen e.a. vermelden:(56)

Vaak gaat het om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. (...) Het moet (...) gaan om beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals van een advocaat, een belastingadviseur, een vakbondsjurist, medewerkers van belangenverenigingen. (...)

6. In het concrete geval beroepsmatig

6.1 Nadat is komen vast te staan dat de rechtsbijstand is verleend door een derde die een professionele rechtsbijstandverlener is, zou nog de vraag kunnen worden gesteld of die derde ook in het concrete geval uit beroepsmatige motieven of op een andere grond, met name een persoonlijke, rechtsbijstand heeft verleend. Ik merk op dat het antwoord op die vraag niet samenvalt met de vraag of de rechtshulpverlener voor zijn dienstverlening een declaratie heeft ingediend. Het komt bijvoorbeeld ook voor dat door een professional of een professionele organisatie, zoals een advocatenkantoor, pro bono procedures worden gevoerd waarin rechtsvragen aan de orde komen die een algemeen maatschappelijk belang hebben.(57) In een dergelijk geval geldt de basale regel dat als een belanghebbende geen kosten heeft gemaakt voor de werkzaamheden van een professionele rechtshupverlener, er dus geen plaats is voor enige vergoeding.

6.2 De Hoge Raad heeft in HR BNB 1995/321 overwogen dat 'de (...) stelling volgens welke bij echtgenoten reeds op grond van de huwelijksrelatie geen sprake is van een enkel door zakelijkheid bepaalde verhouding, welk huwelijksgoederenregime tussen hen ook geldt, geen steun vindt in het recht'; zie onderdeel 4.3 van deze gemeenschappelijke bijlage. Kennelijk is de Hoge Raad van opvatting dat een persoonlijke relatie tussen een belanghebbende en een gemachtigde er niet aan in de weg staat dat rechtshulp op zakelijke gronden kan zijn verleend; zie eveneens onderdeel 4.5 van deze gemeenschappelijke bijlage. In zoverre behoeft in het kader van de toekenning van een proceskostenvergoeding niet te worden getoetst of zo een persoonlijke relatie er in een bepaald geval is.

6.3 De Centrale Raad en de Afdeling tonen een andere benadering. Er zijn ook uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in belastingprocedures die divergeren van de opvatting van de Hoge Raad.

Jurisprudentie van de Centrale Raad

6.4 De Centrale Raad heeft overwogen:(58)

De raad stelt vast dat appellantes gemachtigde haar echtgenoot is. De raad is, onder verwijzing naar een uitspraak van de ABRvS 7 okt. 1996, nr. H.01.95.0720, gepubliceerd in JB 1996, 245(59), van oordeel dat de verleende rechtsbijstand kennelijk zijn grond vindt in de familierelatie, zodat in het onderhavige geval niet kan worden aangenomen dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daaraan doet niet af dat de gemachtigde, in procedures waarin hij voor cliënten optreedt, wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt.

6.5 De Centrale Raad heeft overwogen:(60)

De Raad acht (...) geen termen aanwezig om verweerster (...) te veroordelen in de kosten van verleende rechtsbijstand. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat eisers gemachtigde weliswaar juriste is en als zodanig werkzaam bij een rechtsbijstandsverzekeringsmaatschappij, maar dat niet is gebleken dat de gemachtigde is opgetreden in het kader van een door eiser met de bedoelde maatschappij gesloten rechtsbijstandsverzekering. De Raad moet er dan ook vanuit gaan dat het optreden van de gemachtigde, die de dochter is van eiser, is bepaald door de familierelatie, zodat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van het (...) Besluit proceskosten bestuursrecht niet kan worden gesproken.

6.6 De Centrale Raad heeft overwogen:(61)

De Raad is (...) van oordeel dat de (...) gemaakte kosten voor door mr. Koster verleende rechtsbijstand niet kunnen worden aangemerkt als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in art. 1 aanhef en sub a Bpb. De Raad overweegt hiertoe dat hoewel hij er niet aan voorbij ziet dat mr. Koster op het betrokken rechtsgebied over juridische expertise beschikt, het verlenen van rechtsbijstand, zoals ook door haar in het verweerschrift in hoger beroep is gesteld, geen zelfstandige taak is in het takenpakket van een universitair docent en er derhalve in zoverre geen sprake is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Voorts is niet gebleken dat mr. Koster de rechtsbijstand heeft verricht in het kader van een door haar als zelfstandige uitgeoefend beroep. De Raad is (...) van oordeel dat er veeleer sprake is geweest van een persoonlijke dienstverlening(62), zodat de in dit kader gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

6.7 De Centrale Raad heeft overwogen:(63)

De Raad is van oordeel dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan het feit van de partnerrelatie van D. met verzoekster. De Raad concludeert derhalve dat in het onderhavige geval geen sprake is van een deskundige als bedoeld in art. 1 aanhef en onder b Bpb omdat D. - vanwege zijn partnerrelatie met verzoekster - niet als onpartijdig is te beschouwen.

Om dezelfde reden is evenmin sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in art. 1 aanhef en onder a Bpb.

6.8 Bitter annoteert bij deze uitspraak van de Centrale Raad:(64)

1

Kosten van rechtsbijstand door een gemachtigde die een relatie met een partij onderhoudt komen niet voor vergoeding op grond van art. 8:75 Awb in aanmerking. Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) regelt in art. 1 limitatief op welke kosten een veroordeling als bedoeld in art. 8:75 Awb betrekking kan hebben. Art. 1 aanhef en onder a Bpb bepaalt dat een kostenveroordeling betrekking kan hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Wettelijke eisen van vakbekwaamheid worden niet gesteld; ook de nota van toelichting bij het Bpb geeft op dit punt geen concrete aanwijzingen, anders dan dat een persoon zonder enige juridische scholing niet geacht kan worden beroepsmatig rechtsbijstand te kunnen verlenen en dat het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde moet behoren (...). Een gemachtigde met juridische scholing die rechtsbijstand verleent, doet dat nog niet beroepsmatig in de zin van het Bpb. Hij of zij moet van het verlenen van rechtsbijstand zijn beroep hebben gemaakt, althans het verlenen van rechtsbijstand moet een 'vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening' (...). Doorslaggevend is de feitelijke situatie; het verlenen van rechtsbijstand hoeft niet als statutaire doelstelling te zijn vastgelegd (...).

2

Wordt rechtsbijstand verleend door iemand die daarvan zijn beroep heeft gemaakt, dan betekent dat nog niet zonder meer dat aanspraak bestaat op een vergoeding van kosten van rechtsbijstand. De bijstand moet ook in het concrete geval beroepsmatig zijn verleend. Is sprake van een 'partnerrelatie', die verzoekster en haar gemachtigde in casu hadden erkend en die ook bleek uit een samenlevingscontract, dan wil de Centrale Raad niet aannemen dat sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eerder had de Centrale Raad dat al overwogen ten aanzien van een echtelijke relatie (...). Het sturen van rekeningen ligt bij dit soort nauwe (familie-/partner)relaties ook niet erg voor de hand.

6.9 De Centrale Raad heeft overwogen:(65)

Gelet op de duidelijke tekst en de strekking van artikel 1, onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals deze nog nader wordt uiteengezet in de bijbehorende toelichting, kan onder door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet worden verstaan de niet als professionele rechtsbijstand te beschouwen bijstand van de vader(66) ten gunste van zijn zoon in het kader van de onderhavige gedingvoering, welke in casu kennelijk veeleer gegrondvest is op ondersteuning voortvloeiend uit het bestaan van een nauwe familierelatie en welke daardoor ook overigens te dezen daarbuiten als zodanig in ruime mate sociaal dan wel anderszins feitelijk is geboden.

6.10 De Centrale Raad heeft overwogen:(67)

7. Voorts deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de door de gemachtigde van appellante verleende bijstand niet kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Volgens de gemachtigde van appellante is zijn taak als hoogleraar als gevolg van pensionering teruggelopen en bestaat momenteel een substantieel deel van zijn werkzaamheden uit juridische hulpverlening aan vrienden en kennissen in België en Nederland, waarvoor een bepaald uurtarief in rekening wordt gebracht.

De Raad overweegt hieromtrent dat bij gebreke van enig document dat duidt op het tegendeel niet is gebleken dat de gemachtigde zijn werkzaamheden heeft verricht op een basis die verder gaat dan die van het hobbymatige of het verlenen van een vriendendienst, zodat dan ook moet worden geconcludeerd dat deze niet in het kader van de uitoefening van zijn beroep zijn verleend.

6.11 De Centrale Raad heeft overwogen:(68)

Anders dan het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de vermelding onder het bezwaarschrift van de tekst "kosten dezes € 176,=" toereikend is als verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gevallen kosten.

De Raad volgt echter het Uwv wél in zijn standpunt dat de aan appellant door zijn broer verleende rechtshulp overwegend zijn grond vindt in de tussen hen bestaande familierelatie. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (...) is namelijk geen sprake als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat.

Dat de broer van appellant, die werkzaam zou zijn op het kantoor van een belastingconsulent, in overige procedures voor klanten wel beroepsmatig, rechtsbijstand verleent, doet hieraan niet af.

Jurisprudentie van de Afdeling

6.12 De Afdeling heeft met betrekking tot beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een gemachtigde waarmee een familierelatie bestaat overwogen:(69)

Gebleken is dat de gemachtigde van appellante haar schoonzoon is en dat hij voor appellante optreedt krachtens een volmacht, die veel verder strekt dan het verlenen van rechtsbijstand en die kennelijk zijn grondslag vindt in de familierelatie tussen appellante en haar gemachtigde. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gesproken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de gemachtigde van appellante, die belastingconsulent is, naar appellante stelt, in procedures waarin hij namens anderen is opgetreden wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener is aangemerkt, doet aan het vorenstaande niet af.

6.13 De Afdeling heeft overwogen:(70)

2.3. (...) De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat de (...) verleende rechtsbijstand niet behoort te worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, maar als incidenteel verleende rechtsbijstand op freelance basis, nu door appellante tegenover de gemotiveerde betwisting door de Minister niet aannemelijk is gemaakt dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening van [gemachtigde]. De Minister heeft in dit verband onweersproken gesteld dat appellante de voormalige echtgenote van [gemachtigde] is, dat [gemachtigde] eerst achteraf een factuur heeft opgemaakt en overgelegd, dat [gemachtigde] in totaal drie nota's heeft overgelegd waarvan er een geen betrekking had op het verlenen van rechtsbijstand, dat [gemachtigde] niet heeft aangetoond vrijstelling van de BTW-plicht te hebben verkregen en ten slotte dat [gemachtigde] een geheim telefoonnummer heeft.

Dat [gemachtigde] in zijn hoedanigheid van medewerker van Berk Accountants en Belastingadviseurs regelmatig beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zoals appellante eerst in hoger beroep heeft gesteld, maakt het vorenstaande niet anders, nu ook deze stelling door appellante op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt.

Fiscale jurisprudentie van rechtbanken en gerechtshoven

6.14 Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 27 augustus 2002 overwogen:(71)

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Nu belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert met haar gemachtigde, van beroep belastingambtenaar, acht het Hof het niet aannemelijk dat belanghebbende enig bedrag ter zake van diens bijstand verschuldigd is geworden. Naar het oordeel van het Hof is in casu dan ook geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand, noch van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures heeft gemaakt.

6.15 Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in zijn uitspraak van 14 september 2005 overwogen:(72)

4.2. Op grond van de onder 2.3 weergegeven feiten [2.3. Het bezwaarschrift (op 30 augustus 2001) en het beroepschrift (op 16 september 2004) zijn ingediend door belanghebbende. Op 22 maart 2005 is een aanvulling op het beroepschrift ingediend door Rechtspraktijk S. Bij schrijven van 24 maart 2005 heeft belanghebbende aan de griffier bericht dat Rechtspraktijk S zijn gemachtigde in de beroepsprocedure is.], de inhoud van de gedingstukken en de door belanghebbende ter zitting gegeven toelichting, welke hierop neerkomt dat hij heeft getracht de door hem te maken kosten van juridische bijstand zoveel mogelijk te beperken door zelf stukken in te dienen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich tijdens en bij de voorbereiding van het bezwaar en beroep alsook bij het daarmee rechtstreeks samenhangende geschil met de gemeente Rotterdam omtrent de invordering van de aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen, heeft laten bijstaan door (medewerkers van) H B.V.(73) Het Hof ziet voorts geen enkele reden om de Inspecteur te volgen in dienst stelling dat belanghebbende en voornoemde vennootschap met elkaar moeten worden vereenzelvigd.

4.3. Gelet op het door belanghebbende overgelegde overzicht van facturen van Rechtsbijstand S en het door hem na de zitting ingezonden betalingsbewijs - dat kennelijk betrekking heeft op de op het overzicht vermelde facturen betreffende de periode februari tot en met oktober 2004 -, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende aan H B.V. een bedrag van € 2.030 verschuldigd is geworden wegens de door haar verleende rechtsbijstand. Gesteld noch gebleken is dat de vennootschap geheel of ten dele afstand heeft gedaan of zal doen van deze vordering. Evenmin is gesteld of gebleken dat de op de bovengenoemde facturen vermelde werkzaamheden op iets anders betrekking hebben gehad dan op het geschil tussen partijen omtrent de waardering van de panden en de daaruit voortvloeiende geschillen omtrent de invordering van aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen.

6.16 De rechtbank te 's-Gravenhage heeft in haar uitspraak van 5 april 2007 overwogen:(74)

2.7. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Nog daargelaten de verhouding tussen het bedrag van de door verweerder aan eiseres in rekening gebrachte invorderingsrente en aanmaningskosten en de door eiseres opgevoerde kosten van rechtsbijstand, kan bij een door een zoon ten behoeve van zijn moeder verrichte werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van door een derde verleende rechtsbijstand. Hieraan doet niet af dat de zoon in procedures waarin hij voor cliënten als advocaat optreedt, wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. (Vergelijk Centrale Raad van Beroep van 6 maart 1997, nummer 94/1180 WW en 96/4070 WW, AB 1997, 225).

6.17 De rechtbank te 's-Gravenhage heeft in haar uitspraak van 5 september 2007 overwogen:(75)

2.7. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat in dezen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel a, van het Besluit. Daartoe acht de rechtbank de verklaring van de gemachtigde ter zitting van doorslaggevend belang. De gemachtigde heeft desgevraagd verklaard dat hij, ondanks het feit dat eiser zelfstandig is (student), de rekeningen van eiser ontvangt en deze betaalt bij wijze van voorschot voor latere verrekening. Zodoende heeft hij ook de aanslag van eiser ontvangen. Daar hij van de woonsituatie van eiser op de hoogte was en hij een dergelijke casus al eens eerder aan de hand had gehad, wist hij dat de aanslag ten onrechte aan eiser was opgelegd. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de gemachtigde ter zitting herhaaldelijk heeft bepleit, niet anders worden afgeleid dan dat de gemachtigde in dezen feitelijk voor zich zelf heeft gehandeld en niet door eiser als beroepsmatige rechtsbijstandverlener is ingeschakeld. De verleende rechtsbijstand vindt in dit geval dan ook zijn grond in de familierelatie van eiser met diens moeder en/of vader. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden gesproken. De omstandigheid dat de gemachtigde, naar hij ter zitting heeft aangevoerd, in andere voor de Hoge Raad gevoerde gerechtelijke procedures, zoals die van andere familieleden van de gemachtigde, wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener is aangemerkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Elke zaak dient immers op zijn eigen feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

6.18 Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in zijn uitspraak van 18 december 2007 overwogen:(76)

6.3. De stelling dat bij verleende rechtsbijstand door familieleden reeds op grond van de familierelatie geen sprake is van een door zakelijkheid bepaalde verhouding vindt geen steun in het recht. Bijstand door een familielid die beroepsmatig wordt verleend sluit niet bij voorbaat een proceskostenvergoeding uit. Wil een partij voor vergoeding van rechtsbijstand in aanmerking komen, dan zal moeten vaststaan dat er kosten op de belanghebbende drukken. De kosten moeten dus zijn betaald of nog zijn verschuldigd.

6.4. Gesteld noch gebleken is dat [A] kosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht of dat anderszins kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand op haar drukken. Voor een proceskostenvergoeding is dan geen plaats.

6.19 Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in zijn uitspraak van 15 juli 2008 ter zake van de door de schoonvader van de belanghebbende verleende rechtsbijstand overwogen:(77)

6.3. Gelet op de vaststaande feiten(78) heeft belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [P](79) verleende bijstand moet worden aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat [P] niet (meer) in het Handelsregister staat ingeschreven doet daaraan niet af. Voor het overige heeft de Inspecteur niet betwist dat [P] als gemachtigde aan belanghebbende rechtsbijstand heeft verleend, zodat het Hof de hoogte van de proceskostenvergoeding zal bepalen op de wijze zoals geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6.20 Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn uitspraak van 15 augustus 2008 overwogen:(80)

2.5.5. Het staat vast dat tussen de gemachtigde en belanghebbende een familierelatie bestaat en dat de gemachtigde zijn werkzaamheden uitoefent vanuit de woning die hij samen met zijn moeder bewoont.

Naar het oordeel van het Hof ligt het, gelet op het vorenstaande en tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat belanghebbende in het onderhavige geval de gemachtigde niet op grond van hun familierelatie maar op zakelijke gronden heeft ingeschakeld.

Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de gemachtigde anders dan op grond van hun familierelatie heeft ingeschakeld. De onder 2.1.2 vermelde factuur acht het Hof onvoldoende bewijs voor het tegendeel, omdat het niet is komen vast te staan dat deze factuur daadwerkelijk in handen is gesteld van belanghebbende en voorts geen inzicht is verschaft in de betaling daarvan.

De omstandigheid dat de gemachtigde beroepsmatig aan anderen dan belanghebbenden rechtskundig bijstand verleent maakt dit niet anders.

6.21 De redactie van V-N schrijft in haar aantekening het volgende:(81)

Art. 1, onderdeel a, BPB bepaalt dat kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in een bestuursrechtelijke procedure voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De ABRS (ABRS 7 oktober 1996, JB 1996/245) en de CRvB (CRvB 6 maart 1997, AB 1997, 225) oordelen dat van door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand geen sprake is, als tussen degene aan wie rechtsbijstand is verleend en de rechtsbijstandverlener een familierelatie bestaat.

In HR 4 oktober 1995, BNB 1995/321, oordeelt de Hoge Raad echter dat de stelling van de inspecteur dat bij echtgenoten reeds op grond van de huwelijksrelatie geen sprake is van een enkel door zakelijkheid bepaalde verhouding, welk huwelijksgoederenregime tussen hen ook geldt, geen steun in het recht vindt. Hof 's-Gravenhage, 7 september 2005, nr. 04/02907; LJN: AU2719, acht aannemelijk dat een belanghebbende voor het verkrijgen van rechtsbijstand zich heeft laten bijstaan door een BV van zijn broer en dat hij daarvoor een bedrag verschuldigd is geworden. Het hof verwerpt de stelling van de gemeente dat aan de belanghebbende geen juridische bijstand is verleend. Rechtbank 's-Gravenhage, 5 april 2007, nr. AWB 06/2578 IW en nr. AWB 06/2579 IW, LJN: BA3837, sluit weer aan bij het eerder genoemde oordeel van de CRvB en oordeelt dat bij door een zoon ten behoeve van zijn moeder verrichte werkzaamheden niet gesproken kan worden van door een derde verleende rechtsbijstand, ook al treedt de zoon, die advocaat is, in procedures voor cliënten wel op als beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Hof Amsterdam wil in de hierboven afgedrukte uitspraak niet uitsluiten dat ondanks een familieverhouding sprake kan zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarvoor moet wel worden vastgesteld of het om een reële situatie gaat. Aanwijzingen daarvoor kunnen zijn de daadwerkelijke uitreiking van een factuur en de betaling van die factuur. Nu X deze omstandigheden niet aannemelijk maakt, wijst het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding af. (...)

Fiscale literatuur

6.22 In de fiscale literatuur is onder meer het volgende opgemerkt.

6.23 De redactie van V-N tekent onder meer aan:(82)

(...) Bij het optreden van een familielid als beroepsmatig rechtsbijstandverlener stelt het bestuursorgaan - en zeker ook de Belastingdienst - zich nog wel eens afwijzend op. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en de Centrale Raad van Beroep zijn duidelijk: Van door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand is geen sprake als tussen degene aan wie rechtsbijstand is verleend en de rechtsbijstandverlener een familierelatie bestaat. Zie ABRvS 7 oktober 1996, JB 1996/245 en CRvB 6 maart 1997, AB 1997, 225. De meeste belastingrechters echter sluiten blijkens onderstaand overzicht een proceskostenvergoeding voor het optreden van een familielid niet bij voorbaat uit. Een eenduidige lijn is in de rechtspraak echter nog niet te ontdekken:

- Geen proceskostenvergoeding voor juridische bijstand door het advieskantoor van ouders (Rb. 's-Gravenhage [5 september 2007], nr. AWB06/6641, V-N 2008/20.2.1);

- Bijstand door een familielid dat beroepsmatig bijstand verleent, sluit niet bij voorbaat een proceskostenvergoeding uit. Nu gesteld noch gebleken is dat de broer van X kosten in rekening heeft gebracht, is er geen plaats voor een proceskostenvergoeding (Hof 's-Gravenhage 18 december 2007, nr. 06/00149, V-N 2009/5.1.1);

- Kosten rechtsbijstand door schoonvader in hoger beroep alsnog vergoed (Hof 's-Gravenhage 15 juli 2008, nr. 06/00266, V-N 2009/8.11);

- De gemachtigde is de zoon van X en verleent juridisch en strategisch advies. Niet aannemelijk is dat X de gemachtigde anders dan op grond van hun familierelatie heeft ingeschakeld. Het hof acht de factuur onvoldoende bewijs voor het tegendeel, omdat niet is komen vast te staan dat deze factuur daadwerkelijk in handen is gesteld van X en voorts geen inzicht is verschaft in de betaling daarvan. De omstandigheid dat de gemachtigde beroepsmatig aan anderen dan X rechtskundig bijstand verleent, maakt dit niet anders (Hof Amsterdam 15 augustus 2008, nr. P07/00150, V-N 2008/54.12);

- Hof vergoedt advocaatkosten van belastingplichtige ondanks dat de echtgenoot fiscalist is (Hof Amsterdam 12 december 2008, nr. P07/00264).

In de hier opgenomen zaak is sprake van een gering belang aan aanmaningskosten en invorderingsrente. Om die kosten van tafel te krijgen heeft de zoon van X, die jurist is, nog wel enkele keren met de Belastingdienst contact moeten opnemen. Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat bij door een zoon verleende rechtsbijstand niet gesproken kan worden van door een derde verleende rechtsbijstand. Hof 's-Gravenhage had blijkens de hiervoor opgenomen jurisprudentie al eerder geoordeeld dat rechtsbijstand door een familielid niet bij voorbaat aan een proceskostenvergoeding in de weg staat. Daarom gooit Hof 's-Gravenhage het over een andere boeg en oordeelt dat door de zoon aan zijn moeder in rekening gebrachte kosten van uiteindelijk € 644 niet "redelijk" zijn. De zoon had de ontvanger met één telefoontje op andere gedachten kunnen brengen, waardoor het maken van kosten van enige omvang voorkomen had kunnen worden. Wij onderschrijven het impliciete oordeel van de rechter, dat een oplossingsgerichte communicatie voorrang verdient op een rechtsstrijd voor de rechter.

Algemeen bestuursrechtelijke literatuur

6.24 In de algemeen bestuursrechtelijke literatuur is onder meer het volgende opgemerkt.

6.25 De Haan, Drupsteen en Fernhout vermelden:(83)

Vindt de verleende rechtsbijstand evenwel zijn grond in een familierelatie, dan is er geen sprake van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. (...)

6.26 Tak betoogt:(84)

Bij rechtsbijstand door een schoonzoon die tevens belastingconsulent is, kan niet worden gesproken van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aldus deze bemoeizuchtige Raad(85).

Deze familierelatie is echter weer irrelevant: relevant hoort slechts te zijn, of hier sprake was van bedrijfsuitoefening of niet.

6.27 Van Wijk, Konijnenbelt en Van Male schrijven:(86)

In het Besluit proceskosten bestuursrecht is uitputtend opgesomd welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De proceskostenveroordeling van artikel 8:75 Awb kan alleen betrekking hebben op:

- kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; rechtsbijstand die kennelijk gegrond is in een familierelatie is niet beroepsmatig verleend (...).

6.28 Schreuder-Vlasblom merkt op:(87)

(...)

De term 'beroepsmatig' vergt dat de rechtshulp een vast element is van een duurzame, op het vergaren van het hoofdinkomen (...) gerichte taak en in het kader daarvan is verleend. Bij betwisting moet dit aannemelijk worden gemaakt. (...)

6.29 De Poorter vermeldt:(88)

Voor de vraag of sprake is van 'beroepsmatig' verleende rechtsbijstand, acht de Afdeling doorslaggevend of het verschaffen van rechtsbijstand voor de betreffende gemachtigde een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Hiervan is in ieder geval geen sprake indien de verleende rechtsbijstand zijn grond vindt in een familierelatie.

7. Beschouwing

7.1 In onderdeel 1.1 van deze gemeenschappelijke bijlage is als centrale vraag geformuleerd of ook aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding van de kosten ter zake van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand', indien die rechtsbijstand is verleend door een gemachtigde die tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, zoals een vriendschaps- of familierelatie, huwelijk of samenwonen. Thans wordt toegekomen aan de beantwoording van die vraag.

7.2 Uit het voorgaande blijkt dat de door de Hoge Raad daartoe gehanteerde uitgangspunten niet gelijk zijn aan die van de Centrale Raad en de Afdeling. Dat geldt soms ook voor de lagere fiscale rechtspraak; zie in dit verband eveneens de uitspraken in feitelijke instantie(s) in de aan deze bijlage ten grondslag liggende zaken met nummers 08/00316, 08/02053, 08/02569 en 08/02570 waarin ik heden conclusie neem. Dat zou er verband mee kunnen houden dat de rechtbanken naast zaken op het gebied van het algemene bestuursrecht sinds 1 januari 2005 ook belastingzaken in eerste aanleg behandelen. Een en ander wordt hierna stapsgewijs uiteengezet.

7.3 De als eerste te nemen stap is bij welke processuele uitkomst een proceskostenveroordeling wegens gemaakte kosten van rechtsbijstand aan de orde kan komen. De door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel is dat indien een belanghebbende in beroep geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, het bestuursorgaan in de kosten van het geding wordt veroordeeld; zie onderdeel 3.2 van deze gemeenschappelijke bijlage. Dat principe wordt ook door de Centrale Raad en de Afdeling tot uitgangspunt genomen. Niet in alle gevallen waarin de belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, wordt het bestuursorgaan in de kosten van het geding veroordeeld. Anderzijds komt het voor dat toch een proceskostenvergoeding wordt toegekend, ofschoon het (hoger) beroep of beroep in cassatie ongegrond verklaard is; zie eveneens onderdeel 3.2 van deze gemeenschappelijke bijlage. Ingeval een belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde is uitgangspunt voor toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding dat het niet nodig is dat expliciet verzocht wordt om vergoeding van door die derde verleende rechtsbijstand. Het kan zich evenwel voordoen dat een belanghebbende te kennen heeft gegeven dat wordt afgezien van proceskostenvergoeding; zie onderdeel 3.3 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.4 Indien vast komt te staan dat een belanghebbende geen honorarium aan zijn gemachtigde verschuldigd is geworden, zodat de rechtsbijstand kosteloos is verleend, geldt dat deze belanghebbende in zoverre geen proceskosten heeft gemaakt die zouden kunnen worden vergoed: geen kosten, geen vergoeding; zie onderdeel 3.4 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.5 Als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een professionele gemachtigde, zal in beginsel onderzoek naar de daadwerkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand achterwege worden gelaten. De Hoge Raad heeft zich hierbij gebaseerd op 'de bedoeling van de wetgever, mede gezien het forfaitaire karakter van de in het Besluit proceskosten fiscale procedures neergelegde regeling ter vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand'; zie onderdeel 3.1 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.6 De professionele rechtsbijstand moet zijn verleend door 'een derde'. In HR BNB 2003/20 heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht geen reden te zien om aan het begrip 'derde' in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures een andere betekenis te geven dan de gangbare; zie onderdeel 4.7 en de literatuur genoemd in onderdeel 4.16. Volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal is een 'derde': een persoon buiten de twee bij een handeling betrokken partijen.(89)

7.7 In HR BNB 2003/20 laat de Hoge Raad de tekst van artikel 1, aanhef en onder a, Bpb prevaleren boven de toelichting daarbij, door te overwegen: 'De in de Nota van toelichting bij voormeld besluit (...) te lezen opvatting dat de "interne juridische dienst van een (...) tot dezelfde groep behorend bedrijf" niet kan worden aangemerkt als een derde in evenvermelde zin, doet - nog daargelaten wat aldaar met "dezelfde groep" is bedoeld - aan het vorenoverwogene niet af, nu die opvatting niet tot uitdrukking is gebracht in de tekst van het besluit'; zie onderdeel 4.7 van deze gemeenschappelijke bijlage. De Centrale Raad acht in de in onderdeel 4.10 van deze gemeenschappelijke bijlage geciteerde uitspraak, die handelt over de door onder andere de directeur van de belanghebbende verleende rechtsbijstand, daarentegen de voormelde tekst in de Nota van toelichting wel doorslaggevend. De Afdeling lijkt in de uitspraak zoals geciteerd in onderdeel 4.11 de term 'derde', evenals de Hoge Raad, volgens 'de gangbare' betekenis uit te leggen. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat 'de besturenorganisaties zelfstandige rechtspersonen zijn, wier personeel niet ondergeschikt is aan de bij hen aangesloten schoolbesturen; het zijn externe organisaties die de belangen behartigen van, en diensten verlenen aan, de aangesloten schoolbesturen'.

7.8 Ter zake van door de echtgenoot van de belanghebbende verleende rechtsbijstand heeft de Hoge Raad in HR BNB 1995/321, als geciteerd in onderdeel 4.3 van deze gemeenschappelijke bijlage, overwogen 'dat de (...) stelling volgens welke bij echtgenoten reeds op grond van de huwelijksrelatie geen sprake is van een enkel door zakelijkheid bepaalde verhouding, welk huwelijksgoederenregime tussen hen ook geldt, geen steun vindt in het recht'. In HR BNB 2003/15 is geoordeeld dat in geval van verlening van rechtsbijstand door een partner van de belanghebbende sprake kan zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; zie onderdeel 4.5 en 4.6 van deze gemeenschappelijke bijlage. Ten aanzien van door een commissaris van een BV verleende rechtsbijstand heeft de Hoge Raad in HR BNB 2005/15 onder meer overwogen: '[v]oorts is niet zonder meer duidelijk dat het enkele feit dat een gemachtigde tevens als commissaris is verbonden aan een vennootschap die partij is in een geding, meebrengt dat een deel van de door deze gemachtigde ter zake van de advieswerkzaamheden gedurende de bezwaar- of beroepsfase in rekening gebrachte kosten moet worden toegerekend aan zijn normale (advies)werkzaamheden als commissaris'; zie onderdeel 4.9 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.9 Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad kunnen onder andere de directeur van de belanghebbende, het hoofd van de afdeling Personeel & Organisatie in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon en de medewerker sociaal-juridische zaken binnen de organisatie van de werkgever van de belanghebbende, niet worden aangemerkt als 'derde'; zie onderdeel 4.10 van deze gemeenschappelijke bijlage. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat onder meer de curator van de belanghebbende, een kantoorgenoot en een bedrijfsjurist geen 'derde' zijn in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb; zie onderdeel 4.11.

7.10 Wanneer vast is komen te staan dat de rechtbijstand door een derde is verleend, is vervolgens vereist dat die derde zich beroepsmatig bezighoudt met het verlenen van rechtsbijstand.

7.11 Uit de Nota van toelichting bij het Bpb volgt dat: '[w]aar het om gaat, is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak'. Er worden geen specifieke (fiscale) eisen aan de vakbekwaamheid van de gemachtigde gesteld. Advocaten, juristen werkzaam bij stichtingen rechtsbijstand en vakbondsjuristen voldoen aan het criterium 'beroepsmatig', terwijl personen zonder enige juridische scholing niet geacht kunnen worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen; zie onderdeel 5.2 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.12 Indien een rechtsbijstandverlener zichzelf jegens een rechterlijke instantie in een briefwisseling of overgelegde volmacht als juridisch adviseur kenbaar maakt, is in principe aannemelijk te achten, behoudens betwisting en tegenbewijs, dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand; zie onderdeel 5.4 van deze gemeenschappelijke bijlage. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat verleende rechtsbijstand als beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient te worden aangemerkt indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en dat voor die rechtshulp in de regel een vergoeding in rekening wordt gebracht; zie onderdeel 5.5 en 5.6 van deze gemeenschappelijke bijlage. De Afdeling heeft overwogen dat het verschaffen van rechtsbijstand voor de gemachtigde een vast onderdeel dient te vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening; zie onderdeel 5.7.

7.13 Nadat is komen vast te staan dat de rechtsbijstand is verleend door een derde die een professionele rechtsbijstandverlener is, zou nog de vraag kunnen worden gesteld of die derde ook in het concrete geval uit beroepsmatige motieven of op een andere grond, met name een persoonlijke, rechtsbijstand heeft verleend. Het komt mij voor dat uit HR BNB 1995/321 is af te leiden dat de Hoge Raad van opvatting is dat een persoonlijke relatie tussen een belanghebbende en een gemachtigde er niet aan in de weg staat dat rechtshulp op zakelijke gronden is verleend; zie onderdeel 6.1 van deze gemeenschappelijke bijlage. In zoverre behoeft in het kader van de toekenning van een proceskostenvergoeding niet te worden getoetst of zo een persoonlijke relatie er in een bepaald geval is; zie ook onderdeel 7.8.

7.14 De Centrale Raad en de Afdeling tonen een andere benadering. Er zijn ook uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in belastingprocedures die divergeren van de opvatting van de Hoge Raad.

7.15 De Centrale Raad stelt, in navolging van de Afdeling(90), in voorkomende gevallen eerst vast of sprake is van een familierelatie of andere persoonlijke relatie. Indien dat het geval is, wordt in de regel aangenomen dat de verleende rechtsbijstand zijn grond vindt in de persoonlijke relatie, zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daaraan doet naar het oordeel van de Centrale Raad niet af dat zo een gemachtigde in andere procedures waarin hij voor zakelijke cliënten optreedt wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt; zie onderdeel 6.2, 6.5, 6.7 en 6.9 van deze gemeenschappelijke bijlage. In een geval waarin rechtsbijstand is verleend door een juriste werkzaam bij een rechtsbijstandverzekeringsmaatschappij, maar waar niet is komen vast te staan dat de belanghebbende bij de bedoelde maatschappij een rechtsbijstandverzekering heeft afgesloten, heeft de Centrale Raad overwogen: '[d]e Raad moet er dan ook vanuit gaan dat het optreden van de gemachtigde, die de dochter is van eiser, is bepaald door de familierelatie, zodat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (...) niet kan worden gesproken'; zie onderdeel 6.3 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.16 Wanneer geen sprake is van een persoonlijke relatie, zoals een vriendschaps- of familierelatie, huwelijk of samenwonen, stelt de Centrale Raad vast of het verlenen van rechtsbijstand voor de gemachtigde een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening is; zie onderdeel 6.4 en 6.8 van deze gemeenschappelijke bijlage. Ook de Afdeling legt een dergelijke maatstaf aan; zie onderdeel 6.11 van deze conclusie.

7.17 De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 oktober 1996, zoals geciteerd in onderdeel 6.10 van deze gemeenschappelijke bijlage, eerst vastgesteld dat de gemachtigde van de belanghebbende haar schoonzoon is en dat sprake is van een ruime volmacht die kennelijk zijn grond vindt in de familierelatie tussen de belanghebbende en de gemachtigde. Onder deze omstandigheden is geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de gemachtigde belastingconsulent is en in procedures waarin hij namens anderen is opgetreden wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener is aangemerkt doet hieraan niet af. In de in onderdeel 5.8 van deze gemeenschappelijke bijlage opgenomen uitspraak heeft de Afdeling eerst vastgesteld dat de gemachtigde nimmer namens anderen is opgetreden in beroepszaken en dat op grond daarvan reeds niet kan worden gesproken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarmee is het doek reeds gevallen, maar voorts heeft de Afdeling overwogen: '[d]e grondslag van de rechtsbijstand is veeleer gelegen in de familierelatie tussen appellant en zijn gemachtigde'. In een procedure waarin gemachtigde de voormalige echtgenote van de belanghebbende was, is door de Afdeling onder meer waarde gehecht aan deze voormalige huwelijksband, het feit dat eerst achteraf een factuur is opgemaakt, dat gemachtigde in totaal drie nota's heeft overgelegd waarvan een nota geen betrekking had op het verlenen van rechtsbijstand en ten slotte dat de gemachtigde een geheim telefoonnummer had; zie onderdeel 6.11 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.18 Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad en de Afdeling blijkt dat die op verschillende wijzen afwijkt van die van de Hoge Raad. Twee benaderingen zijn te onderkennen.

7.19 De ene benadering houdt in dat bij het verlenen van rechtsbijstand door iemand die tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, geen sprake is van 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand'. Daaraan kan niet afdoen dat diegene in andere gevallen wel beroepsmatig rechtsbijstand pleegt te verlenen. Van een dergelijke benadering lijkt sprake te zijn in de uitspraken van de Centrale Raad genoemd in deze gemeenschappelijke bijlage in de onderdelen 6.2, 6.5, 6.7 en 6.9; alsmede in de uitspraak van de Afdeling genoemd in onderdeel 6.10.

7.20 De andere benadering houdt niet meer in dan dat ingeval de gemachtigde tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, van de kant van belanghebbende aannemelijk dient te worden gemaakt dat ook in dat geval de gemachtigde optreedt als professionele dienstverlener. Van die benadering lijkt sprake te zijn in de uitspraken van de Centrale Raad genoemd in de onderdelen 6.3, 6.4 en 6.8; alsmede in de uitspraak van de Afdeling genoemd in onderdeel 6.11.

7.21 De Afdeling heeft omtrent rechtsbijstand verleend door de partner van de belanghebbende die tevens mede-rechthebbende ten aanzien van de woning is, geoordeeld dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 'gelet op het feit dat zij de partner is van (...) [de belanghebbende, RIJ] en mederechthebbende is ten aanzien van de woning'; zie onderdeel 4.12 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.22 De fiscale jurisprudentie van de rechtbanken en gerechtshoven vertoont diverse benaderingen:

- In een procedure waarin de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voerde met haar gemachtigde achtte het gerechtshof te 's-Hertogenbosch niet aannemelijk dat de belanghebbende ter zake van diens bijstand enig bedrag verschuldigd is geworden; zie onderdeel 6.12 van deze gemeenschappelijke bijlage.

- In een zaak waarin de rechtsbijstand is verleend door een vennootschap die toebehoort aan de broer van de belanghebbende heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het door de belanghebbende overgelegde overzicht van facturen als voldoende bewijs voor de zakelijkheid aangemerkt; zie onderdeel 6.13 van deze gemeenschappelijke bijlage.

- De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft in de in onderdeel 6.14 van deze gemeenschappelijke bijlage geciteerde uitspraak vastgesteld dat sprake is van een familieband en dat derhalve geen plaats is voor vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

- Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft overwogen: '[d]e stelling dat bij verleende rechtsbijstand door familieleden reeds op grond van de familierelatie geen sprake is van een door zakelijkheid bepaalde verhouding vindt geen steun in het recht. Bijstand door een familielid die beroepsmatig wordt verleend sluit niet bij voorbaat een proceskostenvergoeding uit. Wil een partij voor vergoeding van rechtsbijstand in aanmerking komen, dan zal moeten vaststaan dat er kosten op de belanghebbende drukken. De kosten moeten dus zijn betaald of nog zijn verschuldigd'; zie onderdeel 6.16 van deze gemeenschappelijke bijlage.

- In een uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam gaat het om een op zichzelf professioneel te achten gemachtigde die zijn moeder heeft bijgestaan in een fiscale procedure. In dit kader heeft hij zijn werkzaamheden uitgeoefend vanuit de woning die hij samen met zijn moeder bewoont. In principe wijzen die omstandigheden er op dat de zoon hier is opgetreden op grond van de persoonlijke relatie. Het Hof acht het tegenbewijs voor zakelijkheid niet geleverd, omdat niet bewezen is dat de overgelegde factuur voor processuele diensten in handen is gesteld van de belanghebbende en door haar is betaald; zie onderdeel 6.18 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.23 Uit het voorgaande blijkt dat de jurisprudentie van de Hoge Raad enerzijds en die van de Afdeling en de Centrale Raad anderzijds met betrekking tot het begrip 'derde' in de zin van 'kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand' niet eenduidig is indien die rechtsbijstand is verleend door een gemachtigde die tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, zoals een vriendschaps- of familierelatie, huwelijk of samenwonen.

7.24 Uit de arresten HR BNB 1995/321 en HR BNB 2003/15, zie onderdeel 4.3 en 4.5 van deze gemeenschappelijke bijlage, volgt dat de kosten van door een persoonlijke relatie professioneel verleende rechtsbijstand voor proceskostenvergoeding in aanmerking kunnen komen.

7.25 De Centrale Raad en de Afdeling lijken strikter in hun benadering: zodra vast is komen te staan dat sprake is van een gemachtigde die tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, wordt niet aangenomen dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, behoudens tegenbewijs van de kant van de belanghebbende. Of verdergaand: het zijn van een persoonlijke relatie staat in de weg aan toekenning van een proceskostenvergoeding wegens 'door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand'; zie de onderdelen 7.16 tot en met 7.18 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.26 Ik kom tot het volgende. Als uitgangspunt moet voorop worden gesteld dat voor vergoeding van proceskosten slechts plaats is indien door de belanghebbende kosten zijn gemaakt: geen kosten, geen vergoeding. In de regel dient er van te worden uitgegaan dat het in rechte verschijnen van een professionele rechtshulpverlener betekent dat deze daarvoor een declaratie zal indienen. Indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, wordt zijn wederpartij, het bestuursorgaan, in principe in de kosten van het geding veroordeeld. Behoefte aan bewijs dat een op zichzelf professionele gemachtigde voor de verleende rechtsbijstand kosten in rekening heeft gebracht, kan ontstaan bij betwisting door het bestuursorgaan of als er aanwijzingen zijn dat geen kosten in rekening worden gebracht. Dat geldt ongeacht of de gemachtigde tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat. Het kan zich overigens voordoen dat een dergelijke betwisting verband houdt met de constatering dat de rechtsbijstandverlener in een persoonlijke relatie staat tot de belanghebbende. Van belanghebbende kan bij betwisting bewijs van gemaakte kosten worden verlangd. Dat is alsdan te leveren door overlegging van een declaratie en eventueel van bewijs van betaling, of op andere wijze.

7.27 Als een professionele gemachtigde in een bepaald geval tot de belanghebbende in een persoonlijke relatie staat, behoeft dit er niet aan in de weg te staan dat ook in dat geval als derde beroepsmatig rechtsbijstand kan zijn verleend. Noch de tekst van het Bpb noch de ratio, tegemoetkoming in de gemaakte kosten voor professionele rechtsbijstand door middel van een, in principe, forfaitaire kostenvergoeding, verzet zich tegen deze uitleg. Ook de Nota van toelichting bij het Bpb sluit beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een familielid, echtgenoot, levenspartner, vriend of kennis niet uit; zie onderdeel 2.6, 4.2 en 5.2 van deze gemeenschappelijke bijlage.

7.28

1 Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures, Stb. 1993, 763; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2005, 628.

2 De in deze bijlage vermelde citaten uit de literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen.

3 Bij wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures), Stb. 2002, 55, zijn ingaande 12 maart 2002, het tweede, derde en vierde lid aan art. 7:15, eerste lid, van de Awb toegevoegd.

4 Bij wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures), Stb. 2002, 55, is ingaande 12 maart 2002 de tekst van het eerste lid gewijzigd.

5 Artikel 27j, lid 1, AWR luidt: 'Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:41, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige toepassing, voorzover in deze afdeling niet anders is bepaald.'

6 Artikel 29 AWR luidt: 'Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen 8:14 tot en met 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 tot en met 8:40, 8:43, 8:52, 8:53, 8:60, 8:70, 8:71 en 8:75 tot en met 8:79 en titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, voorzover in deze afdeling niet anders is bepaald.'

7 Nota van toelichting bij het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures, Stb. 1993, 763, blz. 5-6.

8 Ingevolge artikel IV van de Wet van 29 oktober 1998, houdende aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht), Stb. 1998, 621, in werking getreden krachtens Besluit van 17 juni 1999, Stb. 1999, 265, is de Warb met ingang van 1 september 1999 ingetrokken.

9 Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in belastingprocedures, Stb. 1993, 762.

10 Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in belastingprocedures, Stb. 1993, 762, blz. 5. Dit besluit is vervallen per 1 januari 2001, Stb. 2001, 586.

11 Hoge Raad 15 februari 1995, nr. 28 205, BNB 1995/94; in gelijke zin Hoge Raad 1 november 1995, nr. 30 720, BNB 1996/84. De Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben in vergelijkbare zin geoordeeld; zie Centrale Raad van Beroep 18 april 1995, nr. 1993/2127 AAW/WAO, FED 1995/492 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 juli 2008, nr. 200708379/1, AB 2009/73.

12 Hoge Raad 20 december 1995, nr. 30 728, BNB 1996/74. Deze hoofdregel is later herhaald in onder meer Hoge Raad 13 maart 1996, nr. 30 986, BNB 1996/257; Hoge Raad 15 juli 1996, nr. 31 168, BNB 1996/332; Hoge Raad 12 februari 1997, nr. 31 538, BNB 1997/340; Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 37 440, BNB 2003/15 en in Hoge Raad 14 juli 2006, nr. 42 477, BNB 2006/299. De Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben ter zake in vergelijkbare zin geoordeeld; zie onder meer Centrale Raad van Beroep 28 augustus 1995, nr. WW 1994/354, JB 1995/242 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 28 november 1996, nr. H01.96.0358, AB 1997/77.

13 Hoge Raad 22 september 1999, nr. 34 798, BNB 1999/412; zie ook Hoge Raad 12 mei 2006, nr. 42 499, BNB 2006/270.

14 Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33 320, BNB 1999/271.

15 Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 37 440, BNB 2003/15; later herhaald in Hoge Raad 14 juli 2006, nr. 42 477, BNB 2006/299. Zo ook de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Centrale Raad van Beroep 28 augustus 1995, nr. 1994/354 WW, JB 1995/242; later herhaald in Centrale Raad van Beroep 6 februari 1996, nr. 94/1991 AAW, AB 1996/127 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 6 juni 1996, nr. H01.95.0460, AB 1997/156.

16 Hoge Raad 25 april 2008, nr. 43 815, BNB 2008/173. In vergelijkbare zin de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Centrale Raad van Beroep 12 december 1997, nr. 96/4713 WVG, AB 1999/88 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 juli 2008, nr. 200708379/1, AB 2009/73. Zie voor een geval waarin eveneens geen kosten waren gemaakt: Centrale Raad van Beroep, 19 augustus 2008, nrs. 06/1163 WWB en 06/4515 WWB, LJN BE8918. Voor de Centrale Raad van Beroep is van belang dat kosten verschuldigd zijn, niet hoe hoog die kosten zijn; zie Centrale Raad van Beroep 23 september 2008, nr. 06/6196 WVG, LJN BF 2234 waarin € 5 aan de Stichting Juridische EHBO is betaald als tegemoetkoming in de kosten van de procedure voor de rechtbank.

17 Nota van toelichting bij het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures, Stb. 1993, 763, blz. 7. In het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in belastingprocedures, Stb. 1993, 762, is op blz. 6 eenzelfde passage opgenomen.

18 Hoge Raad 4 oktober 1995, nr. 30 628, BNB 1995/321.

19 Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 37 440, BNB 2003/15.

20 V-N 2002/55.6.

21 Hoge Raad 8 november 2002, nr. 37 199, BNB 2003/20. Zie over deze kwestie ook A-G Van Hilten in haar conclusie voor Hoge Raad 13 februari 2009, nr. 43 860, BNB 2009/103, onderdeel 8.2.

22 V-N 2002/60.5.

23 Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 40 695, BNB 2005/15.

24 Centrale Raad van Beroep 12 augustus 1999, nr. 98/2814 ZW, LJN AA3728. De Centrale Raad heeft overwogen dat de juridische afdeling van het bisdom Roermond niet aangemerkt kan worden als juridische dienst van de onder het bisdom vallende parochies. Aldus is die juridische afdeling als een derde te beschouwen ten opzichte van de belanghebbende. De hiërarchische verhouding tussen bisschop en pastoor maakt niet dat een parochie in beginsel niet vrij is in haar keuze om een beroep te doen op de juridische afdeling van het bisdom, dan wel op de diensten van andere rechtshulpverleners; Centrale Raad van Beroep 16 december 1999, nr. 98/6098, V-N 2000/10.8. Naast de directeur kan eveneens niet als derde worden aangemerkt: het hoofd van de afdeling Personeel & Organisatie en de stafjurist in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon (Centrale Raad van Beroep 11 april 2006, nr. 04/1187 WAO Rectificatie, LJN AX3243) en de medewerker sociaal-juridische zaken binnen de organisatie van de werkgever van de belanghebbende (Centrale Raad van Beroep 28 maart 2007, nr. 05/7365 REA, LJN BA5038). De door één van de maten van een maatschap aan diezelfde maatschap verleende rechtsbijstand kan niet aangemerkt worden als 'door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand'; zie Centrale Raad van Beroep 2 maart 2000, nr. 98/3719 ALGEM, AB 2000/162. Ook de binnen concernverband werkzame gemachtigde kan niet aangemerkt worden als een derde; zie Centrale Raad van Beroep 5 december 2002, 00/5067 ALGEM, LJN AL1543.

25 Als advocaat werkzaam bij de belanghebbende (noot toegevoegd RIJ).

26 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 mei 1995, nr. G06.91.1181/Y01, JB 1995/165. Zie tevens de jurisprudentie van de Afdeling waarin de rechtsbijstand is verleend door de curator van de belanghebbende (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 augustus 1996, nr. R03.93.1174, AB 1997/42), een kantoorgenoot (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 september 1997, nr. H01.96.1004, AB 1997/384; zie voor eveneens door een kantoorgenoot verleende rechtsbijstand: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 28 april 2000, 199900899/1, LJN AI5522), een bedrijfsjurist in loondienst van de moedermaatschappij van de belanghebbende (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 april 1998, nr. H.01.97.0458, LJN ZF3302.), de voorzitter van de belanghebbende (een stichting); Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 december 2005, nr. 200500997/1, LJN AU7938).

27 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 juli 2003, nr. 200205643/1, LJN AI0577.

28 E.B. Pechler, Belastingprocesrecht, Deventer: Kluwer 2003, blz. 229.

29 R.H. Happé, P.M.F. van Loon & J.P.F. Slijpen, Algemeen fiscaal bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2005, blz. 267.

30 P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken. Fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2006, blz. 130.

31 A.J.H. van Suilen, 'Kostenvergoeding voor bezwaarprocedure', NTFR Beschouwingen 2009-3, blz. 14.

32 Nederlandse Documentatie Fiscaal Recht, Deel Formeel belastingrecht, Fiscaal procesrecht, commentaar bij artikel 7:15 Awb onderdeel 4.1.

33 H.J. Simon, Handboek bestuurs(proces)recht volgens de Awb, 's-Gravenhage: Sdu Uitgevers Juridisch & Fiscaal 1997, blz. 349-350.

34 T.C. Borman, Tekst & Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2009, blz. 947.

35 Hoge Raad 4 oktober 1995, nr. 30 628, BNB 1995/321 (noot toegevoegd, RIJ).

36 M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, blz. 464-465.

37 Nota van toelichting bij het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures, Stb. 1993, 763, blz. 6.

38 Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in belastingprocedures, Stb. 1993, 762, blz. 5-6. Dit besluit is vervallen per 1 januari 2001, Stb. 2001, 586.

39 Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 37 440, BNB 2003/15.

40 Centrale Raad van Beroep 3 juli 1995, nr. Premie 1994/192, JB 1995/201. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat ook rechtsbijstand verleend door de Sociaal economisch voorlichtster aan leden van de NLTO voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen; Centrale Raad van Beroep 12 juli 1996, nr. 94/2758 AAW, AB 1997/98. Een gemachtigde die in het kader van zijn vrijwilligerswerk voor de ANIB (Bond voor gehandicapten arbeidsongeschikten) rechtsbijstand verleend doet dat niet beroepsmatig; zie Centrale Raad van Beroep 16 juli 1996, nr. 95/6874 WVG, AB 1997/233. In een latere uitspraak heeft de Centrale Raad geoordeeld dat niet van belang is dat de rechtsbijstand namens de ANIB is verleend door een vrijwilliger bij deze organisatie; zie Centrale Raad van Beroep 21 januari 1998, nr. 95/8713 AAW/WAO, LJN AL0843 en voor een vergelijkbaar geval waarbij de rechtsbijstand is verleend door een vrijwilliger van de NVB (Nederlandse Vereniging voor Beroepschauffeurs); zie Centrale Raad van Beroep 13 april 1999, nr. 97/6889 WW, LJN AA8624. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat wel beroepsmatige rechtsbijstand werd verleend door een belastingadviseur (Centrale Raad van Beroep 16 maart 1994, nr. AAW/WAO 1992/130, ZW 1992/50, JB 1994/82), een medewerker van een rechtsbijstandverzekeraar (Centrale Raad van Beroep 19 april 1994, JB 1994/130), de bezoldigd districtbestuurder van een vakbond (Centrale Raad van Beroep 8 april 1997, nr. 95/6357 AAW/WAO, AB 1997/295), een praktiserend register-accountant (daaraan kon niet afdoen dat het verlenen van rechtsbijstand niet als een zelfstandige taak in het dienstenpakket van het accountantskantoor wordt aangeboden; zie Centrale Raad van Beroep 8 april 1997, nr. 95/7467 AAW/WAO, AB 1997/251), een juridisch medewerker bij de Vakbond voor Defensiepersoneel (Centrale Raad van Beroep 25 oktober 2002, nr. 00/2367 AKW, LJN AF0899) en een gemachtigde werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond (Centrale Raad van Beroep 7 juni 2007, 06/969 AW, LJN BA8303). Ter zake van een universitair docent en een gepensioneerde hoogleraar heeft de Centrale Raad geoordeeld dat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand; zie Centrale Raad van Beroep 21 februari 2003, nr. 01/01797 ANW, AB 2003/245 en Centrale Raad van Beroep 25 november 2004, nr. 03/1110 AW en 04/1390 AW, LJN AR7383.

41 Centrale Raad van Beroep 28 februari 2006, nr. 04/5852 NABW, LJN AV3971. De rechtsregel dat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake is indien niet slechts in incidentele gevallen rechtshulp wordt verleend, is herhaald in Centrale Raad van Beroep 8 januari 2008, nr. 05/35 WWB, LJN BC2910.

42 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 20 mei 1997, nr. R03.93.6355, JB 1997, 157. Een vergelijkbare overweging is te vinden in Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 juni 2004, nr. 200305162/1, AB 2004, 335 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 maart 2006, nr. 200508306/1, AB 2006, 384. De rechtsbijstand verleend door de verhuurder van de woning van de belanghebbende (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 18 juli 2000, nr. 199903790/1, AB 2001/354) en die van een universitair docent (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 augustus 2002, nr. 200104239/1, JB 2002, 296), komt niet voor vergoeding in aanmerking terwijl de rechtsbijstand verleend door de door de belanghebbende ingeschakelde rentmeester (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 september 2007, nr. 200700214/1, JB 2007/195) dat wel komt.

43 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 februari 1998, nr. H01960946, LJN AP6754; zie voor een vergelijkbare overweging Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 januari 2008, nr. 200704614/1, LJN BC3056.

44 E.B. Pechler, t.a.p., blz. 228-229.

45 P. van der Wal, t.a.p., blz. 130.

46 Van der Wal geeft in zijn voetnoot 94 als voorbeeld dat dit op basis van het briefpapier van de adviseur afgeleid kan worden; P. van der Wal, t.a.p., blz. 130 (noot toegevoegd, RIJ).

47 A.J.H. van Suilen, t.a.p, blz. 14.

48 Nederlandse Documentatie Fiscaal Recht, Deel Formeel belastingrecht, Fiscaal procesrecht, art. 7:15 Awb Kosten behandeling bezwaar nihil, commentaar onderdeel 4.1. Kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

49 J.C.A. de Poorter, 'Artikel 8:75', in: J.B.J.M. ten Berge (red.), Algemene wet bestuursrecht: commentaar op de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en invoeringswetgeving, 's-Gravenhage: Vuga (losbl.), blz. E. 8.2.6.9-18 - E 8.2.6.9-19.

50 H.J. Simon, t.a.p., blz. 350.

51 P. de Haan, Th.G. Drupsteen en R. Fernhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Deel 2. Bestuurshandelingen en waarborgen, Deventer: Kluwer 1998, blz. 359.

52 B.J. Schueler, t.a.p., blz. 738.

53 A.Q.C. Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers (WLP) 2005, blz. 1195.

54 T.C. Borman, t.a.p., blz. 946-947.

55 H.D. van Wijk, W. Konijnenbelt en R. van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Den Haag: Elsevier juridisch 2008, blz. 680.

56 L.J.A. Damen e.a., Bestuursrecht. Deel 2: rechtsbescherming tegen de overheid, bestuursprocesrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, blz. 299.

57 Een ander voorbeeld is het geval dat een belastingadvieskantoor voor een bepaalde cliënt zonder daarvoor kosten aan die cliënt in rekening te brengen, een zaak uitprocedeert die ook (vele) andere cliënten raakt. Ook is denkbaar dat een geadviseerde maar niet door de belastingdienst aanvaarde opzet door een kantoor voor eigen rekening wordt uitgeprocedeerd.

58 Centrale Raad van Beroep 6 maart 1997, nr. 94/1180 WW; 96/4070 WW, AB 1997/225. Een vergelijkbare overweging is te vinden in Centrale Raad van Beroep 11 augustus 1998, nr. 96/5113 AAW/WAO, LJN ZB7862.

59 Zie hierna onderdeel 6.11 van deze gemeenschappelijke bijlage (noot toegevoegd, RIJ)

60 Centrale Raad van Beroep 25 mei 2000, nr. 98/7048 WUBO, LJN AI5611.

61 Centrale Raad van Beroep 21 februari 2003, nr. 01/01797 ANW, AB 2003/245.

62 In casu was gemachtigde een collega van de belanghebbende (noot toegevoegd, RIJ).

63 Centrale Raad van Beroep 14 november 2003, nr. 00/1050 WAZ, AB 2004/155.

64 Centrale Raad van Beroep 14 november 2003, nr. 00/1050 WAZ, AB 2004/155.

65 Centrale Raad van Beroep 18 november 2003, 01/4004 NABW, LJN AN8964.

66 Uit de uitspraak van de Centrale Raad volgt niet of de vader een professionele rechtsbijstandverlener is.

67 Centrale Raad van Beroep 25 november 2004, nr. 03/1110 AW en 04/1390 AW, LJN AR7383.

68 Centrale Raad van Beroep 14 december 2007, nr. 05/1327 WAO, JB 2008/48.

69 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 7 oktober 1996, nr. H01.95.0720, JB 1996/245, in vergelijkbare zin Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 april 2007, nr. 200605417/1, LJN BA2249.

70 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 april 2006, nr. 200509393/1, LJN AW1247.

71 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 augustus 2002, nr. 99/0657, V-N 2002/54.6.

72 Gerechtshof 's-Gravenhage 14 september 2005, nr. BK 04/02907, NTFR 2005/1335.

73 H B.V. behoort toe aan een broer van de belanghebbende. Rechtspraktijk S is een handelsnaam van deze besloten vennootschap; zie onderdeel 2.4 van de onderhavige hofuitspraak (noot toegevoegd, RIJ).

74 Rechtbank 's-Gravenhage 5 april 2007, AWB 06/2578 IW en AWB 06/2579 IW, NTFR 2007/854. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard; zie onderdeel 6.21 hierna; gerechtshof 's-Gravenhage 20 januari 2009, nrs. 07/00274 en 07/00275, V-N 2009/25.9, NTFR 2009/774.

75 Rechtbank 's-Gravenhage 5 september 2007, AWB 06/6641 VORHEF, V-N 2008/20.2.1, NTFR 2007/2231.

76 Gerechtshof 's-Gravenhage 18 december 2007, nr. 06/00149 en 06/00150, V-N 2009/5.1, NTFR 2008/1841.

77 Gerechtshof 's-Gravenhage 15 juli 2008, nr. 06/00266, V-N 2009/8.11, NTFR 2008/1517.

78 Ter zake van de werkzaamheden is een bedrag van € 480 gedeclareerd en betaald (noot toegevoegd RIJ).

79 P is de schoonvader van de belanghebbende (noot toegevoegd, RIJ).

80 Gerechtshof Amsterdam 15 augustus 2008, P07/00150, V-N 2008/54.12, NTFR 2008/1763.

81 V-N 2008/54.12.

82 Gerechtshof 's-Gravenhage 20 januari 2009, nrs. 07/00274 en 07/00275, V-N 2009/25.9, NTFR 2009/774; zie tevens onderdeel 6.15 hiervoor, voetnoot 73.

83 P. de Haan, Th.G. Drupsteen en R. Fernhout, t.a.p., blz. 359.

84 A.Q.C. Tak, t.a.p., blz. 1195.

85 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (noot toegevoegd, RIJ).

86 H.D. van Wijk, W. Konijnenbelt en R. van Male, t.a.p., blz. 680.

87 M. Schreuder-Vlasblom, t.a.p., blz. 464-465.

88 J.C.A. de Poorter, t.a.p., blz. E. 8.2.6.9-18 - E 8.2.6.9-19.

89 Van Dale, Utrecht / Antwerpen, veertiende uitgave.

90 Zie onderdeel 7.17 hierna.