Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7818

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
07/12824 Hs
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7818
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1377
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12824 Hs

Mr. Fokkens

Zitting 15 september 2009

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk arrest van 20 november 2003 wegens 1., 2., 7., 8. en 10. "diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" en 4. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" en 6. subsidiair "het medeplegen van: Opzetheling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager ter zake van de tenlastegelegde feiten indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid van de geuridentificatieproef.

3. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad van mei 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt, en dat de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.

4. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.

5. Het Gerechtshof heeft volstaan met een verkort arrest. Het voorgaande brengt mee dat nu geen uitgewerkt arrest voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat, ware het Gerechtshof daarmee bekend geweest, hij aanvrager zou hebben vrijgesproken.

6. Uit het dossier blijkt dat er geen geuridentificatieproeven hebben plaatsgevonden ten aanzien van de onder 1., 2., 4., 6. subsidiair en 10. tenlastegelegde feiten. Dit betekent dat het hiervoor onder 4 bedoelde geval zich in deze zaken niet voordoet. Gelet daarop meen ik dat de aanvraag in zoverre ongegrond is.

7. In het onderzoek naar feit 8 heeft wel een geuridentificatieproef plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van uitvoering van die geuridentificatieproef blijkt dat de betrokken speurhondengeleiders niet behoorden tot de geurhondendienst van Noord- en Oost- Gelderland, maar tot de regiopolitie Rotterdam Rijnmond.

Dit houdt in dat de geuridentificatieproef niet is uitgevoerd door de speurhondengeleiders behorende tot een geurhondendienst die volgens het openbaar ministerie destijds geuridentificatieproeven regelmatig niet 'blind' heeft uitgevoerd. Ook overigens behelst de aanvrage geen concrete omstandigheden van feitelijke aard betreffende de uitvoering van de onderhavige geuridentificatieproef waaruit het veronderstelde verzuim kan blijken. Voor wat betreft feit 8 is de aanvrage daarom naar mijn oordeel ongegrond.

8. Ten aanzien van feit 7, betreffende een inbraak gepleegd op 13 januari 2002, kan uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid:

a. In de nacht van 13 januari 2002 heeft een inbraak in Almere plaatsgevonden in het bedrijfspand van [A] BV aan de [a-straat 1].(2)

b. Hierbij zijn een radio/cd-speler van het merk Clarion, type Vrx8371, een computer van het merk Clarion, type Max9500e, een Sony cd-speler, een computer van het merk Vdo, een versterker van het merk Osio, type Nrg 4040x, een versterker van het merk Macrom, type Sp4050x, een Sony versterker en een radio van het merk Vdo weggenomen.(3)

c. Tijdens een doorzoeking van een woning aan de [b-straat 1] te [plaats] op 23 juli 2002 is een radio/cd-speler van het merk Clarion, type Vrx 8371R gevonden.(4)

d. De bewoners van de woning verklaren dat de gevonden goederen allemaal van de aanvrager en zijn broer zijn.(5)

e. Uit tapgesprekken is gebleken dat [betrokkene 1] de aanvrager belt met de vraag of hij de "Clarion met navigatie" kan geven. De aanvrager zegt dat hij er een rug (1000) voor wil hebben.(6)

f. [Betrokkene 2], werkzaam bij [A] BV, heeft verklaard dat de door de agent getoonde Clarion radio/cd-speler, type VRX8371, uit het bedrijf vandaan komt en dat deze bij een inbraak weggenomen is.(7)

g. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van een steen (waarmee kennelijk de ruit was vernield) die is aangetroffen. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(8)

h. De aanvrager is door de politie voorgehouden dat zijn geur overeenkomst met de geur die op de steen is aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft de aanvrager ontkend bij de inbraak betrokken te zijn geweest.(9)

9. Behoudens de positieve geuridentificatieproef houdt het dossier geen bewijsmateriaal in, waaruit kan volgen dat aanvrager de inbraak heeft gepleegd. Daaruit volgt dat niet aannemelijk is dat het Gerechtshof zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 7 zou zijn gekomen.

Derhalve is sprake van het ernstige vermoeden dat het Gerechtshof, ware hij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 7 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, rov. 5.3.2).

10. Gelet op het voorgaande strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad:

(i) de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, doch uitsluitend voor zover zij betrekking heeft op het onder 7 bewezenverklaarde feit;

(ii) voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van het Gerechtshof zal bevelen;

(iii) de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor het overige feit op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen, en

(iv) de aanvraag tot herziening voor het overige af zal wijzen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR22 april, LJN BC 8789, NJ 2008, 591.

2 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer: 2002002612-1, pagina's 1-6.

3 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer: 2002002612-1, pagina's 1-6.

4 Zie het proces-verbaal van doorzoeking (lijst van inbeslaggenomen goederen), proces-verbaalnummer: 202020449; zie ook proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer: 2002002612-1, p. 1.

5 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer: 2002020449-47, p. 1-3.

6 Zie het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer: 200207011400, p. 1.

7 Zie het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer: 2002002612-1, p. 1.

8 Zie het proces-verbaal technisch onderzoek, proces-verbaalnummer: 23.09.02.14.15.Paumar.

9 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer: 2002020449-120, p. 1-7.