Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7541

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
08/02852
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Koopovereenkomst? (81 R0).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1279
JWB 2009/405

Conclusie

08/02852

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 11 september 2009

Conclusie inzake

Bestwell v.o.f.

tegen

[Verweerster]

Inleiding

1. Deze zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie nu de in het cassatiemiddel tegen het bestreden arrest aangevoerde klachten - die zich richten tegen de bewijswaardering en het passeren van een bewijsaanbod - naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO.

2. De onderhavige zaak betreft de vordering van thans eiseres tot cassatie, hierna: Bestwell, tot veroordeling van thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], tot betaling van een bedrag van € 4.285,29 met rente en kosten, welke vordering primair is gegrond op de stelling dat Bestwell aan [verweerster] goederen heeft verkocht en geleverd als omschreven in het in het onderhavige geding overgelegde orderformulier en subsidiair op de stelling dat de goederen aan [verweerster] zijn afgeleverd en niet zijn geretourneerd zodat [verweerster] ongerechtvaardigd is verrijkt.

De rechtbank te Alkmaar, sector kanton (hierna: de kantonrechter), heeft bij (mondeling) tussenvonnis van 22 november 2005 Bestwell toegelaten te bewijzen dat [verweerster] van haar goederen heeft gekocht zoals genoemd dan wel aangeduid in de litigieuze orderbevestiging. Daarop heeft Bestwell vier getuigen doen horen. Bij eindvonnis van 7 februari 2007 heeft de kantonrechter Bestwell geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs en heeft zij de vordering van Bestwell toegewezen.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft de vordering alsnog afgewezen bij arrest van 3 april 2008. Het hof was van oordeel dat uit de getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat [verweerster] de ten processe bedoelde goederen bij Bestwell heeft besteld. Het hof oordeelde met betrekking tot de subsidiaire grondslag dat al zou juist zijn de stelling dat [verweerster] de aan haar toegestuurde - doch naar 's hofs oordeel niet bestelde - goederen niet heeft geretourneerd, in redelijkheid van [verweerster] niet kon worden verlangd dat zij de schade vergoedt die Bestwell stelt te hebben geleden door deze aan [verweerster] opgedrongen prestatie gelet op de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat Bestwell heeft verzocht deze goederen terug te sturen. Het hof heeft het bewijsaanbod van Bestwell als niet terzake dienend gepasseerd.

3. Bestwell heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

4. Middelonderdeel A komt op tegen 's hofs oordeel dat uit de getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat [verweerster] de litigieuze goederen bij Bestwell heeft besteld. Het middelonderdeel klaagt dat "volstrekt niet te volgen is hoe het hof anders dan de kantonrechter uit de getuigenverklaringen niet heeft afgeleid dat Bestwell in het haar opgedragen bewijs was geslaagd" aangezien het hof niet is ingegaan op het argument van Bestwell dat het orderformulier weliswaar door de broer van [verweerster] is ingevuld maar dat [verweerster] zelf het orderformulier heeft ondertekend en dat de handtekening op het orderformulier "als twee druppels water" lijkt op de handtekening die [verweerster] in eerste aanleg heeft gezet op de bijlage van het proces-verbaal van haar verhoor als getuige. Het middelonderdeel klaagt voorts dat het hof in rov. 3.14 van zijn bestreden arrest ten onrechte als niet terzake dienend heeft gepasseerd het aanbod van Bestwell te bewijzen dat de handtekening van [verweerster] op het orderformulier staat.

5. De eerste klacht van het middelonderdeel faalt. In rov. 3.10, waarin het hof heeft overwogen dat uit de getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat [verweerster] de litigieuze goederen bij Bestwell heeft besteld, ligt besloten het oordeel dat de omstandigheid dat de handtekening die op het orderformulier is geplaatst gelijkenis vertoont met de handtekening die [verweerster] heeft geplaatst op de bijlage van het proces-verbaal van het verhoor als getuige, in het licht van de door het hof weergegeven getuigenverklaringen onvoldoende gewicht in de schaal legt. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het kan in cassatie, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op juistheid worden getoetst. Dat de kantonrechter - die overigens slechts oordeelde dat de handtekening op het orderformulier in grote mate overeenstemt met de handtekening op de bijlage van het proces-verbaal en geenszins heeft vastgesteld dat sprake was van een gelijkenis "als twee druppels water" - anders oordeelde, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

De tweede klacht van het middelonderdeel faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag nu het hof met zijn gewraakte rov. 3.14 kennelijk niet het oog heeft gehad op een aanbod te bewijzen dat de handtekening op het orderformulier de handtekening van [verweerster] is, aangezien het hof reeds in rov. 3.11 tot de slotsom kwam dat de vordering voor zover gebaseerd op de stelling dat [verweerster] bij Bestwell goederen heeft besteld, moet worden afgewezen. Het hof heeft in rov. 3.14 kennelijk het oog gehad op het aanbod te bewijzen dat [verweerster] de goederen niet heeft geretourneerd. Dat bewijsaanbod heeft het hof als niet terzake dienend gepasseerd nadat het in rov. 3.13 had overwogen dat de vordering voor zover gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking ook moet worden afgewezen ingeval juist zou zijn de stelling dat de [verweerster] de bij haar afgeleverde goederen niet heeft geretourneerd.

6. Middelonderdeel B richt zich tegen de rov. 3.12 en 3.13, waarin het hof - zoals gezegd - oordeelde dat de vordering van Bestwell ook moet worden afgewezen voor zover deze is gegrond op de stelling dat [verweerster] ongerechtvaardigd is verrijkt nu zij de litigieuze goederen wel heeft ontvangen doch niet heeft geretourneerd. Het middelonderdeel klaagt dat het hof ofwel had moeten oordelen dat [verweerster] de goederen moet betalen ofwel [verweerster] had moeten belasten met het bewijs dat zij de goederen heeft geretourneerd.

7. Het middel dat kennelijk ervan uitgaat dat het hof de stelling van Bestwell dat [verweerster] de goederen niet heeft geretourneerd, ongemotiveerd terzijde heeft geschoven, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag nu het hof heeft overwogen dat en waarom ook ingeval deze stelling juist zou zijn, de vordering moet worden afgewezen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden