Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7535

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
09/02747
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7535
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Beëindiging schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 1 en 3 onder g F. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2009-10-23
Faillissementswet 350, geldigheid: 2009-10-23
Faillissementswet 351, geldigheid: 2009-10-23
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-10-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 290, geldigheid: 2009-10-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1223
JWB 2009/396

Conclusie

09/02747

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 11 september 2009 (WSNP)

Conclusie inzake:

[Verzoeker 1] en [verzoekster 2]

In deze zaak heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd. Mocht het hof de schuldenaren in het daartegen gerichte hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 16 april 2008 is ten aanzien van thans verzoekers tot cassatie (hierna: de schuldenaren) de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2. Op 1 december 2008 heeft de aangewezen bewindvoerder (L. Maas) de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Als gronden voor dat verzoek heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de schuldenaren niet aan hun informatieverplichting jegens de bewindvoerder voldoen, dat zij niet aan hun sollicitatieplicht voldoen en dat zij voor een aanzienlijk bedrag aan nieuwe schulden hebben laten ontstaan.

1.3. Ter zitting van de rechtbank hebben de schuldenaren bevestigd dat zij niet aan de verplichtingen voldoen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling. Zij hebben verklaard dat zij niet in de schuldsaneringsregeling thuishoren, niet langer aan die regeling wensen deel te nemen en dat zij zelf in staat zijn afbetalingsregelingen te treffen(1).

1.4. Bij vonnis van 23 april 2009 heeft de rechtbank overwogen dat de schuldenaren aannemelijk hebben gemaakt niet in staat te zijn aan hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen (art. 350, lid 2 onder g, Fw). Op die grond heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Omdat een onherroepelijke beëindiging op deze grond van rechtswege het faillissement van de schuldenaren tot gevolg heeft, heeft de rechtbank op voorhand een rechter-commissaris en een curator in het faillissement benoemd. Aan de door de bewindvoerder aangevoerde gronden voor beëindiging kwam de rechtbank niet meer toe.

1.5. Bij een op 1 mei 2009 ter griffie van het gerechtshof te 's-Gravenhage ingekomen beroepschrift hebben de schuldenaren van dit vonnis(2) hoger beroep ingesteld. Zij hebben het hof verzocht de beslissing te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden voortgezet, althans zal worden beëindigd zonder appellanten in staat van faillissement te verklaren, althans met aanwijzing van een ander dan de huidige bewindvoerder als curator in het faillissement. Het beroepschrift vermeldt onder 4:

"De gronden waarop appellanten hun beroep baseren zullen nog worden aangevoerd en zij verzoeken daartoe het Gerechtshof hen in de gelegenheid te stellen deze gronden binnen een door het Gerechtshof te bepalen termijn kenbaar te maken."

1.6. De raadsman van de schuldenaren heeft op 17 juni 2009 een aanvullend beroepschrift ter griffie van het hof ingediend. Na het beroep te hebben behandeld ter terechtzitting van 30 juni 2009, heeft het hof bij arrest van 7 juli 2009 de schuldenaren in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof overwoog daartoe, kort samengevat, dat het op 1 mei 2009 ontvangen beroepschrift geen gronden bevat en dat het op 17 juni 2009 ontvangen aanvullend beroepschrift te laat is ingediend.

1.7. Namens de schuldenaren is - tijdig(3) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel 1 klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, de schuldenaren in hun hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ter toelichting wordt samengevat aangevoerd dat het hof uit het petitum van het beroepschrift had kunnen begrijpen dat de bezwaren van appellanten - in elk geval: subsidiair - waren gericht tegen de omstandigheid dat zij van rechtswege in staat van faillissement kwamen te verkeren en tegen de benoeming van deze curator. Volgens de toelichting op de klacht is als kern van het geschil te beschouwen: dat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg "is afgesproken de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder dat een faillissement zou worden uitgesproken teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen zelf orde op zaken te stellen in hun financiële situatie."

2.2. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd op de grond van art. 350, lid 1 in verbinding met lid 3 onder g, Fw en overwogen dat er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat in dat geval de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement verkeert zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

2.3. Mede gelet op de in alinea 1.5 aangehaalde mededeling in het beroepschrift, dat de gronden van het hoger beroep nog zullen worden aangevoerd, is niet onbegrijpelijk dat het hof in (het petitum van) het beroepschrift geen gronden van het hoger beroep heeft gelezen. Het hof is in rov. 6 nog ingegaan op het betoog van de zijde van de schuldenaren ter zitting, dat in het beroepschrift impliciet een grief kan worden gelezen. De uitleg van de gedingstukken was voorbehouden aan het hof als de rechter die over de feiten oordeelt en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De uitleg van het beroepschrift is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft bovendien - in cassatie onbestreden - overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat tijdige indiening van de gronden van het hoger beroep niet mogelijk was.

2.4. Het oordeel van het hof over de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep is ook overigens niet in strijd met de wet. Art. 351 lid 1 Fw stelt de appeltermijn op acht dagen na de dag van de uitspraak. Het beroepschrift dient de gronden van het hoger beroep te bevatten. In de rechtspraak is de mogelijkheid erkend van een blanco beroepschrift in het geval dat de tekst van de beroepen uitspraak niet vóór het verstrijken van de appeltermijn beschikbaar is. Die situatie heeft zich in dit geval niet voorgedaan. Voorts bestaat de mogelijkheid van een voorbehoud tot aanvulling van de beroepsgronden indien het proces-verbaal van de terechtzitting niet tijdig beschikbaar is voor de appellant(4). In het onderhavige geval is niet gesteld dat het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg niet tijdig beschikbaar was; in elk geval is in het beroepschrift geen voorbehoud gemaakt tot aanvulling van de beroepsgronden na ontvangst van het proces-verbaal. De steller van het beroepschrift verkeerde klaarblijkelijk in de - onjuiste - veronderstelling dat de gronden van het beroep op een later tijdstip aan het hof konden worden opgegeven(5). Van een ter zitting in eerste aanleg gemaakte `afspraak', wat daar verder van zij, is in het beroepschrift in appel geen melding gemaakt. De klacht faalt om deze redenen.

2.5. De middelen 2 - 4 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Middel 2 behelst geen klacht en kan worden beschouwd als inleiding tot middel 3, waarin de schuldenaren kennelijk als hun standpunt naar voren willen brengen dat ter zitting in eerste aanleg de rechter heeft aangegeven dat de schuldsaneringsregeling op eigen verzoek van de schuldenaren zou worden beëindigd, zodat zij weer hun eigen boontjes zouden kunnen doppen en bevrijd zouden zijn van het juk van de WSNP. In tegenspraak daarmee heeft de rechtbank hen in staat van faillissement verklaard, althans de schuldsaneringsregeling beëindigd op een zodanige grond dat het faillissement daarvan het gevolg is. In middel 3 en nader in middel 4 wordt betoogd dat het hof is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de schuldenaren niet de beschikking hebben kunnen krijgen over de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. De raadsman van de schuldenaren heeft op 26 juni 2009 aan de rechtbank verzocht die aantekeningen aan hem ter beschikking te stellen. De rechtbank heeft dit geweigerd, onder mededeling dat het proces-verbaal van die zitting reeds aan de raadsman was toegezonden en dat de zittingsaantekeningen van de griffier niet openbaar zijn. Ter zitting van het hof hebben de schuldenaren dit feit als argument naar voren gebracht(6).

2.6. De klachten in cassatie zijn opgebouwd als volgt:

a. de schuldenaren verkeerden in bewijsnood als gevolg van de bovengenoemde weigering (middel 2);

b. het hof gaat eraan voorbij dat de schuldenaren niet de zittingsaantekeningen van de griffier hebben kunnen overleggen en geen recht hebben tot inzage daarvan, en honoreert daarmee impliciet de weigering door de rechtbank. Deze weigering is in strijd met de Wet openbaarheid van bestuur en met het Verdrag van Århus (ook wel gespeld als: Aarhus). Op onbegrijpelijke gronden bouwt het hof voort op een redenering die in strijd is met de Wob en genoemd verdrag in verbinding met de Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 (Pb EG L 264/13) en het Besluit van de Raad van 17 februari 2005 nr. 2005/370/EG (Pb EG L 124/1) (middel 3).

c. ten onrechte zijn de schuldenaren in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard hoewel aan hen de kennisneming van de zittingsaantekeningen door de rechtbank is onthouden. Deze zittingsaantekeningen maken kennelijk deel uit van het procesdossier dat aan het hof ter beschikking stond. Hierdoor is art. 6 EVRM geschonden. Voorts is sprake van discriminatie voor zover in het kader van de WSNP niet dezelfde toegang tot informatie kan worden verkregen als onder de Wob en het Verdrag van Århus (middel 4).

2.7. Al deze klachten stuiten mijns inziens af op de omstandigheid dat er voor (de raadsman van) de schuldenaren geen enkel beletsel bestond om in het beroepschrift d.d. 1 mei 2009 aan te geven, op welke gronden het hoger beroep werd ingesteld. Indien de schuldenaren als grief hadden willen aanvoeren dat de rechtbank niet op de in art. 350, lid 3 onder g, Fw genoemde grond tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling had mogen besluiten, maar hoogstens tot beëindiging had mogen besluiten op een in dat artikellid genoemde grond die niet van rechtswege het faillissement van de schuldenaren tot gevolg heeft, bestond er geen enkele belemmering om die stelling al op 1 mei 2009 in het beroepschrift op te nemen. Desgewenst hadden zij in het beroepschrift bovendien melding kunnen maken van hetgeen volgens hen ter zitting in eerste aanleg was voorgevallen en/of een voorbehoud kunnen maken tot aanvulling van de beroepsgronden na ontvangst van het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg(7).

2.8. Ten overvloede kan over deze cassatiemiddelen worden opgemerkt dat van strijdigheid met het bepaalde in de Wet openbaarheid van bestuur geen sprake is. De Wob is - voor zover hier van belang(8) - van toepassing op de verstrekking van informatie door bestuursorganen. De rechtbank is geen bestuursorgaan. De afgifte van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in burgerlijke rekestzaken is geregeld in art. 290 Rv. De verzoeker en iedere belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van (onder meer) de processen-verbaal. Tot de taken van de griffier behoort het bijwonen van terechtzittingen en verhoren en het maken van aantekeningen(9). De griffiersaantekeningen vormen geen zelfstandig document: kenbron van hetgeen ter zitting is voorgevallen is - naast de uitspraak zelf - het proces-verbaal van de zitting, dat door de voorzitter en de griffier is ondertekend. De griffier verstrekt zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Voor zover het middel veronderstelt dat het hof kennis heeft genomen van de aantekeningen van de griffier van de rechtbank mist die veronderstelling feitelijke grondslag: noch het bestreden arrest noch de gedingstukken bieden daarvoor een aanknopingspunt.

2.9. In verscheidene bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur is rekening gehouden met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden(10). Het verdrag van Århus mist in de onderhavige zaak toepassing omdat het hier niet gaat om een milieuaangelegenheid, doch om de beëindiging van een schuldsaneringsregeling. De verwijzing naar de aangehaalde EG-regelgeving mist om dezelfde reden doel(11). Voor zover het middel de opvatting ingang wil doen vinden dat sprake is van discriminatie, omdat in milieuaangelegenheden verdergaand overheidsinformatie beschikbaar is dan in schuldsaneringszaken, faalt de klacht. Het gaat niet om gelijke gevallen. De tekst noch de strekking van het genoemde verdrag bieden enig aanknopingspunt voor de toepassing daarvan in schuldsaneringszaken. Het in de toelichting op middel 4 genoemde uitgangspunt van openbaarheid van rechterlijke uitspraken onder het EVRM brengt hierin geen verandering. De schuldenaren en hun raadsman hebben de zitting in eerste aanleg bijgewoond en hebben kennis kunnen nemen van hetgeen daar voorgevallen en besproken is. Zij hebben hun standpunt (grieven) in hoger beroep daarop kunnen baseren.

2.10. De slotsom is dat de klachten falen. Zij nopen niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie blz. 1 van het vonnis in eerste aanleg.

2 Zowel in het beroepschrift als in het aanvullend beroepschrift wordt kennelijk bij abuis gesproken van een vonnis van de rechtbank te Arnhem. Het hof heeft dit verbeterd gelezen.

3 Binnen acht dagen: zie art. 351 lid 5 Fw.

4 Alsdan kan een aanvullend verzoekschrift worden ingediend met bekwame spoed na ontvangst van het proces-verbaal, hetgeen inhoudt: binnen 14 dagen of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn. De rechtspraak over dit onderwerp is in kaart gebracht in de conclusie van mijn ambtgenote Wesseling-van Gent voor HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 562, waarnaar ik kortheidshalve moge verwijzen. In het thans bestreden arrest heeft het hof verwezen naar HR 28 november 2003, NJ 2005, 465 m.nt. DA en HR 23 december 2005, NJ 2006, 31.

5 Zie het p.v. van de mondelinge behandeling in hoger beroep, blz. 1.

6 Zie de samenvatting van het partijstandpunt in rov. 2 en rov. 4, in samenhang met productie 7.

7 Het hof heeft hierop gewezen aan het slot van rov. 6.

8 Hoofdstuk V.A van de Wob (hergebruik van eerder openbaar gemaakte informatie) is mede van toepassing op overheidsorganen die geen bestuursorgaan zijn, maar speelt in dit cassatiemiddel geen rol.

9 Art. 11 Besluit orde van dienst gerechten.

10 Verdrag gesloten te Århus (Denemarken) op 25 juni 1998, Trb. 2001, 73.

11 Het aangehaalde Besluit nr. 2005/370 behelst de goedkeuring van het genoemde verdrag voor de EU; de aangehaalde Verordening nr. 1367/2006 geeft voorschriften voor de uitvoering daarvan in de EU.