Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7332

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
08/00298
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antillenzaak. Geschil over de eigendom van een op Curaçao gelegen plantage (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1212
JWB 2009/384

Conclusie

Zaaknummer: 08/00298

mr. Wuisman

Rolzitting: 4 september 2009 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

[Eiser 1] en 18 andere

eisers tot cassatie,

advocaat: Mr. P. Garretsen;

tegen

[Verweerder 1] en 38 andere

verweerders in cassatie,

advocaat: Mr. J.A. Meijer.

1. Inleiding

1.1 Eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) en verweerders in cassatie (hierna: [verweerders]) twisten in de onderhavige procedure over de eigendom van een op Curaçao gelegen stuk grond van 89,95 ha groot en plaatselijk bekend als plantage [A] (hierna: de Plantage). De Plantage bestaat uit een hoger en lager gelegen plateau. Met name het lager gelegen plateau is ten behoeve van woningbouw opgedeeld in kavels grond, welke kavels worden verhuurd.

1.2 Er zijn al meer procedures gevoerd, waarbij het - direct of indirect - gaat om de vraag of de eigendom van de Plantage aan (een voorganger van) de [verweerders] dan wel aan (een voorganger van) [eiser] c.s. toebehoort. Bij die procedures zijn overigens niet steeds dezelfde procespartijen betrokken.((1)) In de kern genomen komt het over en weer ingenomen standpunt op het volgende neer. Aan de zijde van de [verweerders] beroept men zich voor de aanspraak op de Plantage erop, kort gezegd, dat zij afstammeling zijn van één van de 12 of 13 vrijgemaakte slaven van de in augustus 1811 overleden [betrokkene 3], ook aangeduid als [betrokkene 3], die de Plantage bij testament aan haar vrijgemaakte slaven heeft vermaakt. Aan de zijde van [eiser] c.s. betwist men niet alleen deze beweerde afstamming en reeds om die reden de door de [verweerders] gepretendeerde eigendom, maar stelt men voorts ook dat hun rechtsvoorgangers en/of zij als gevolg van verjaring de eigendom van de Plantage hebben verkregen. Onder meer de volgende procedures zijn gevoerd((2)):

1.2.1 De eerste procedure is in september 1981 bij het Gerecht in eerste aanleg (GEA) onder rolnummer AR nr. 2549/81 gestart door [betrokkene 4], de in 1987 overleden rechtsvoorganger van de [verweerders], tegen [betrokkene 5], de in 1992 overleden rechtsvoorganger van [eiser] c.s. Eerstgenoemde vordert van laatstgenoemde afdracht van van bewoners van de Plantage geïnde huurpenningen en beroept zich erop dat laatstgenoemde tot opzichter ('[B]') over het terrein was aangesteld en uit dien hoofde de opdracht had de huurpenningen te innen en af te dragen. [Betrokkene 5] bestrijdt de vordering. Hij voert aan eigenaar van de Plantage te zijn en uit dien hoofde de huren te innen. Bij vonnis d.d. 16 augustus 1982((3)) wijst het GEA de vordering van [betrokkene 4] af, omdat het de gestelde opdracht niet bewezen acht. De eigendomsvraag wordt in het midden gelaten. Tegen het vonnis wordt geen hoger beroep ingesteld.

1.2.2 Na het overlijden van [betrokkene 4] starten erfgenamen van hem bij het GEA onder rolnummer AR nr. 552/87 een procedure tegen [betrokkene 5], waarin zij een verklaring voor recht vragen dat zij de enige en uitsluitende eigenaren van de Plantage zijn. Na het overlijden van [betrokkene 5] zetten 12 erfgenamen [van betrokkene 5] de procedure voort. Bij eindvonnis d.d. 24 oktober 1988((4)) wordt de verklaring voor recht niet verleend, omdat de erfgenamen van [betrokkene 4] volgens het Gerecht niet geslaagd zijn in het bewijs dat laatstgenoemde afstamt van een van de vrijgemaakte slaven [...] en dat zij dus uit hoofde van erfopvolging rechthebbende van de Plantage zijn. Van het vonnis wordt niet in hoger beroep gegaan.

1.2.3 [C] c.s., erfopvolgers van [betrokkene 6] en optredende voor zich en enige andere [verweerders], vorderen in een in augustus 1996 bij het GEA onder rolnummer AR nr. 1151/1996 tegen tien leden van [eiser] c.s. en Chato Properties N.V. geïnitieerde procedure op basis van meer historisch materiaal een verklaring voor recht dat zij en [verweerders] mede-eigenaren van de Plantage zijn uit hoofde dat [betrokkene 4] afstamt van één van de vrijgemaakte slaven. [Eiser] c.s. voeren als exceptief verweer tegen de vordering aan dat de vordering betrekking heeft op dezelfde rechtsbetrekking als waarover al in het vonnis d.d. 24 oktober 1988 onherroepelijk is beslist, en dat derhalve de vordering niet ontvankelijk is. Zij vorderen zelf in reconventie ook een verklaring voor recht, te weten dat zij mede-eigenaren van de Plantage zijn, aangezien [betrokkene 5] door verjaring de eigendom van de Plantage had verkregen. Bij vonnis d.d. 6 oktober 1997((5)) honoreert het GEA het niet-ontvankelijkheidsverweer en laat het de reconventionele vordering onbesproken. In appel verenigt het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (GHvJ) zich in een onder rolnummer H. 230/98 gewezen vonnis d.d. 11 augustus 1998((6)) met de beslissing van het GEA inzake het niet-ontvankelijkheidsverweer. Het Hof bespreekt alsnog de reconventionele vordering. Het acht niet aannemelijk dat, aangenomen dat de rechtsvoorgangers van [eiser 1] - onder wie diens vader [betrokkene 5] -, bezitter van de Plantage waren, in redelijkheid hebben kunnen menen voor het geheel gerechtigd te zijn tot de plantageterreinen. Omtrent het deel ten aanzien waarvan de rechtsvoorgangers wel te goeder trouw konden zijn, is niets gesteld. Het tegen deze laatste beslissing ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest d.d. 8 september 2000 (NJ 2000, 629) verworpen. Het hof heeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het goede trouw-vereiste gegeven, terwijl zijn oordeel verder niet onbegrijpelijk is.

1.2.4 In september 2002 entameren [eiser] c.s. en Chato Properties N.V. - een door [eiser] c.s. geleide vennootschap - bij het GEA een kort geding procedure tegen [betrokkene 7], die op 15 november 2001 aan [verweerders] een verklaring van erfrecht heeft afgegeven, die kort gezegd inhoudt dat een van de vrijgemaakte slavinnen van [betrokkene 3], [betrokkene 8] was, dat uit haar geboren is [betrokkene 9], dat [verweerders] afstammelingen en erfgenamen van deze [betrokkene 9] en daarmee ook van [betrokkene 8] zijn en dat zij als zodanig medegerechtigd zijn in alle zaken en waarden behorende tot de nalatenschap van [betrokkene 8], waartoe hoort de mede aan haar vermaakte nalatenschap van [betrokkene 3]. Op de verklaring van erfrecht wordt van de zijde van [verweerders] een beroep gedaan tegenover bewoners/huurders van de Plantage, hetgeen onduidelijkheid en onzekerheid schept omtrent de eigendom van de Plantage. [Eiser] c.s. vorderen intrekking van de verklaring van erfrecht en publicatie van die intrekking. Zij verwijten de notaris dat het onderzoek naar de afstamming van [verweerders] van [betrokkene 8] onzorgvuldig is uitgevoerd. Naar het voorlopige oordeel van het Gerecht heeft de notaris zijn onderzoek niet onzorgvuldig uitgevoerd. Het wijst de gevorderde voorziening bij vonnis d.d. 27 november 2002 met het rolnummer KG 220/2002((7)) af. Bij vonnis d.d. 3 februari 2004 met het rolnummer H-96/2003 bevestigt het GHvJ deze beslissing, omdat de vordering betrekking heeft op een rectificatie van de vastgestelde afstamming van [betrokkene 8] en van de onzorgvuldigheid van die vaststelling niet is gebleken.((8)) Maar het Hof tekent wel nog aan dat, hoewel het onderzoek naar de afstamming van [betrokkene 8] op zichzelf niet onzorgvuldig is geweest en in de verklaring wordt gesproken van mede-gerechtigdheid, niettemin het toekennen aan de verklaring van de kwalificatie 'verklaring van erfrecht' in die zin onzorgvuldig is dat daarmee de indruk wordt gewekt dat [verweerders] de enige erfgenamen zijn, terwijl in het onderzoek niet de afstammingslijnen van de overige 12 of 13 vrijgemaakte slaven/erfgenamen zijn betrokken.

1.2.5 [Betrokkene 10], familie van de nakomelingen [achternaam eisers], heeft in augustus 2004 een verzoekschrift bij het GEA ingediend, waarin zij de ontbinding/vernietiging vordert van een op 4 maart 2002 met [verweerders] met betrekking tot een stuk grond op de Plantage gesloten 'huurovereenkomst'. Zij stelt daartoe dat zij al sinds 28 september 1990 een huurovereenkomst met Chato Properties N.V. heeft en zij de overeenkomst met [verweerders] onder dwang is aangegaan. [Verweerders] betwisten dit laatste. [Betrokkene 10] heeft de overeenkomst met hen gesloten, omdat zij - gelet op de verklaring van erfrecht van [betrokkene 7] - meende met hen het beste af te zijn. In reconventie vorderen zij onder meer betaling van achterstallige huur, alsmede toepassingverklaring op alle leden van [eiser] c.s. van de uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2000, waaruit volgt dat [eiser] c.s. geen eigenaren van de Plantage zijn (en dus zij noch de door hen geleide vennootschap grond in verhuur konden geven). Het Gerecht wijst bij vonnis d.d. 24 januari 2005 met het rolnummer AR 1132/2004((9)) de wederzijdse vorderingen af. Omdat de [verweerders] geen eigenaren van de Plantage zijn, althans dat dit niet onherroepelijk is gebleken, en zij daarvan ook niet anderszins de bezitters zijn of degene die het feitelijk in hun macht hebben om aan huurders het genot te verschaffen van percelen op de Plantage, is de op 4 maart 2002 gesloten overeenkomst geen huurovereenkomst, zodat een veroordeling van [betrokkene 10] tot betaling van huur niet kan volgen. Die overeenkomst is wel een overeenkomst van eigen aard en, omdat niet is gebleken dat deze overeenkomst onder dwang of misleiding is afgesloten, komt zij niet voor ontbinding of vernietiging in aanmerking. Van dit vonnis wordt geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis speelt een rol in de cassatieprocedure die gevoerd is in een andere, al in 2003 gestarte huurprocedure tussen [verweerders] en [betrokkene 10]. De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest d.d. 21 september 2007 (RvdW 2007, 790) de cassatieklacht gegrond, dat de bekrachtiging door het GHvJ in een vonnis d.d. 11 oktober 2005 van de veroordeling van het GEA van [betrokkene 10] tot betaling van een huurachterstand aan [verweerders] niet te verenigen is met het onherroepelijke vonnis d.d. 24 januari 2005 van het GEA in de procedure met het rolnummer AR nr. 1132/2004.

1.3 Op 1 januari 2001 is op Curaçao het nieuwe Burgerlijk Wetboek van kracht geworden. In artikel 3:105 lid 1 AntBW is de geheel nieuwe bepaling opgenomen, dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed (in eigendom) verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.((10)) Met de invoering van deze bepaling is beoogd het mogelijk te maken dat ook bij bezit te kwader trouw eigendom van een goed door verjaring kan worden verkregen. In artikel 50 van de Landsverordening, houdende het overgangsrecht inzake het nieuwe BW((11)), is bepaald: "Artikel 105 van Boek 3 wordt op het tijdstip van het inwerking treden van de wet van toepassing met betrekking tot degene die alsdan een goed bezit, indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit is voltooid; hij wordt geacht dat goed niet voordien te hebben verkregen." Om per 1 januari 2001 eigenaar te kunnen zijn geworden, moet men gedurende 30 jaar bezitter zijn geweest. Dit volgt uit artikel 8 van het overgangsrecht. Vooral artikel 3:105 AntBW vormt de inzet van de onderhavige cassatieprocedure.((12))

2 Verloop van de procedure

2.1 Tijdens de eerste aanleg spelen de volgende zaken. [Verweerders] zijn procedures gestart bij het GEA tegen [eiser 1], respectievelijk [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Ten aanzien van ieder wordt een veroordeling tot betaling van huur gevorderd. [Eiser] c.s. voegen zich in de procedures tegen [eiser 1] en [betrokkene 2] aan hun zijde en voeren te samen met hen verweer. In de procedure tegen [betrokkene 1] nemen [eiser] c.s., na door [betrokkene 1] in vrijwaring te zijn geroepen, het voeren van verweer in de hoofdzaak van hem over. Het GEA voegt alle zaken.

2.2 Door [eiser] c.s. zijn drie reconventionele vorderingen ingesteld.

Een van die vorderingen luidt: "Voor recht te verklaren dat wijlen [betrokkene 5], dan wel tezamen met [eiser] c.s. oftewel in opvolging door zowel acquisitieve als extinctieve verjaring de eigendom van het op Curaçao gelegen perceel grond, groot 89,59, nader beschreven in meetbrief no. 250 van 1974, bekend als Plantage [A], eigena(a)r(en) is/zijn geworden c.q. dat eisers, erfgenamen onder algemene titel van [betrokkene 5], met uitsluiting van ieder ander persoon eigenaren zijn van het hiervoren beschreven onroerend goed."

Daarnaast wordt verzocht om voor recht te verklaren dat ene [betrokkene 9], die in 1867 is gehuwd met [betrokkene 11], anders dan de [verweerders] mede met een beroep op de door [betrokkene 7] opgestelde verklaring van erfrecht beweren, niet de dochter is geweest van [betrokkene 8] maar van een andere vrouw, te weten [betrokkene 12]. Om deze reden beroepen de [verweerders] zich ten onrechte erop dat zij en hun rechtsvoorgangers als nazaten van [betrokkene 11] en [betrokkene 9] afstammen van de vrijgemaakte slavin [betrokkene 8].

In aansluiting op deze verklaring voor recht wordt ook nog gevorderd om aan de [verweerders] te verbieden zich tegenover derden op de verklaring van erfrecht te beroepen ter staving van de door hen gepretendeerde eigendomsrechten.

2.3 Het GEA komt onder meer op 28 februari 2005 met een tussenvonnis met betrekking tot de gevoegde zaken. De vorderingen van de [verweerders] gericht op het verkrijgen van een veroordeling tot betaling van huurpenningen wijst het GEA af op de grond dat de Erven geen huurovereenkomst met de gedaagde partijen hebben. De hiervoor in 2.2 als eerste vermelde reconventionele vordering wijst de rechtbank af onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 september 2000.

Na enige tussenvonnissen volgt op 20 maart 2006 het eindvonnis. Het GEA blijft bij de beslissingen in het tussenvonnis van 28 februari 2005 en wijst ook de twee nog openstaande reconventionele vorderingen af.

2.4 [Eiser] c.s. stellen appel in bij het GHvJ en voeren één grief tegen het tussenvonnis van 28 februari 2005 en zes grieven tegen het eindvonnis van 20 maart 2006 aan. In het kader van vooral de eerste grief wijzen zij erop, dat er in ieder geval ten aanzien het beneden plateau van de Plantage sprake is geweest van bezit te goeder trouw en verder dat het GEA artikel 3:105 AntBW over het hoofd heeft gezien, welk artikel ten tijde van het HR-arrest van 8 september 2000 nog niet van kracht was. Aan het slot van hun memorie van grieven vragen zij akte van vermeerdering en wijziging van hun eis, die uit een primair en een subsidiair gedeelte bestaat.

De grieven en de gewijzigde eis worden door de [verweerders] bestreden.

2.5 Op 6 februari 2007 spreekt het GHvJ een tussenvonnis uit. In rov. 3.1 merkt het hof op: "Naar het GEA in het tussenvonnis van 28 februari 2005 niet weersproken heeft overwogen gaat het in dit geding in wezen om de vraag wie van partijen de plantage - geheel of gedeeltelijk - in eigendom toebehoort." Vervolgens wijst het hof in rov. 3.2 erop dat, gelet op het HR-arrest d.d. 8 september 2000, zijn beslissing in het vonnis van 11 augustus 1998 dat er bij [eiser] c.s. geen sprake is geweest van bezit te goeder trouw van de Plantage gezag van gewijsde heeft, ook in de onderhavige zaak. In rov. 3.5 geeft het hof te kennen dat, voor zover de vordering van [eiser] c.s. is gegrond op de stelling dat zij ingevolge artikel 3:105 AntBW eigenaar van de Plantage zijn geworden, het zich te dien aanzien nog niet voldoende voorgelicht acht. Het beveelt daarom een descente en in aansluiting daarop een comparitie van partijen.

2.6 Na de gehouden descente en comparitie nemen partijen ieder nog een conclusie en [eiser] c.s. ook nog een akte uitlating producties. In hun conclusie na descente wijzigen [eiser] c.s., onder handhaving op zichzelf van de opsplitsing van de eis in een primair en subsidiair gedeelte, opnieuw hun eis. De vordering onder C uit het primair gedeelte luidt nu: "voor recht te verklaren dat wijlen [betrokkene 5], dan wel tezamen met [eiser] c.s. in opvolging door bevrijdende verjaring de eigendom van de plantage hebben verkregen, verminderd met het stuk grond van 5.200 m2 waarvan de familie [D] het bezit heeft;".

2.7 Op 23 oktober 2007 spreekt het GHvJ zijn eindvonnis uit. In rov. 2.3 stelt het hof voorop dat, indien de vordering onder C uit het primaire gedeelte van de eis van [eiser] c.s., zoals laatstelijk geformuleerd, niet voor toewijzing in aanmerking komt, [eiser] c.s. geen belang hebben bij de andere primaire en subsidiaire vorderingen. Vervolgens gaat het hof over tot de beoordeling van de vordering onder C uit het primaire gedeelte van de eis. In verband daarmee merkt het hof in rov. 2.5 eerst op: "Voor de toewijsbaarheid van de vordering van [eiser] c.s. is van belang of ten tijde dat zij zich in dit geding op bevrijdende verjaring beriepen (vgl. 3:322) - bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie op 3 mei 2004 - bezitters (niet te goeder trouw) van de plantage waren en zij, dan wel hun rechtsvoorgangers, dat bezit gedurende een afgebroken periode van ten minste 20 jaren hebben uitgeoefend." Het hof komt in rov. 2.9 uiteindelijk tot de slotsom: "In aanmerking genomen dat als onvoldoende gemotiveerd betwist, ervan kan worden uitgegaan dat door [verweerders] een aantal percelen van de plantage wordt verhuurd, [verweerders] voor de grondbelasting van de gehele plantage worden aangeslagen en nog een aantal andere hiervoor onder 2.7 opgesomde bezitsdaden verrichten of hebben verricht, [eiser] c.s. weliswaar een groot aantal percelen van de plantage verhuren, maar bij een aantal van hen onzekerheid bestaat of [eiser] c.s. wel tot verhuur bevoegd zijn, de overheid noch de water- en elektriciteitleverancier Aqualectra hen als bezitters van de plantage erkennen en voorts delen van de plantage onontgonnen zijn gebleven en niet is gebleken dat [eiser] c.s. die delen beheren, komt het Hof tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [eiser] c.s. en/of hun rechtsvoorgangers een zodanige zeggenschap over de gehele plantage uitoefenen of voordien hebben uitgeoefend, dat zij door verjaring het bezit als bedoeld in titel 5 van Boek 3 BW hebben verkregen. De slotsom is dat het beroep van [eiser] c.s. op artikel 3:105 BW faalt en het bestreden vonnis moet worden bevestigd. [eiser] c.s. worden veroordeeld in de op het hoger beroep gevallen kosten."

2.8 [Eiser] c.s. stellen beroep in cassatie in tegen beide vonnissen van het GHvJ bij een op 22 januari 2008 en daarmee tijdig bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift. Nadat de [verweerders] een verweerschrift hebben ingediend, laten beide partijen hun standpunt in cassatie schriftelijk door hun advocaten toelichten. Van de zijde van [eiser] c.s. volgt nog een schriftelijke repliek.

3 Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 In het verzoekschrift tot cassatie worden vijf middelen van cassatie voorgedragen. In de meeste van deze middelen worden telkens diverse, van elkaar te onderscheiden vraagpunten aan de orde gesteld. Maar aan de andere kant vertonen de middelen onderling toch deze samenhang dat vraagpunten, die in het ene middel worden aangesneden, in meerdere of mindere mate ook weer terugkomen in een ander middel. Er is om die reden voor gekozen de belangrijkste in de middelen opgenomen klachten te groeperen rondom acht thema's die als in het geheel van de middelen aangestipt zijn te onderkennen. Er resteren daarnaast nog enkele 'losse' klachten. Ten aanzien van die klachten kan worden volstaan met de opmerking dat zij doel missen omdat zij te vaag zijn en/of, gelet op het lot dat de andere klachten beschoren blijken te zijn, belang missen.

3.2 Hierna wordt van de volgende, door het GHvJ aangehouden en in cassatie niet aangevochten uitgangspunten uitgegaan:

1. [Eiser] c.s. vorderen dat voor recht wordt verklaard dat, met uitzondering van een strook grond van 5.200 m2, de eigendom van de gehele Plantage op de voet van artikel 3:105 AntBW is verkregen (eindvonnis, blz. 2, bovenaan);

2. Voor toewijzing van die vordering moet zijn voldaan aan de volgende twee vereisten (eindvonnis, blz. 4, rov. 2.5, eerste volzin):

a. [eiser] c.s. waren op 3 mei 2004((13)), de datum waarop zij in rechte beroep op de bevrijdende verjaring deden, bezitters van de gehele Plantage, met uitzondering van de strook grond van 5200 m2;

b. zij dan wel hun rechtsvoorgangers hebben bezit gehad, met uitzondering van een strook grond van 5.200 m2, van de gehele Plantage gedurende een onafgebroken periode van ten minste 20 jaren.

Het stellen van deze dubbele eis brengt mee dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is reeds zodra wordt vastgesteld dat [eiser] c.s. er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat zij op 3 mei 2004, op de strook grond van 5200 m2 na, bezitters van de gehele Plantage zijn.

Thema 1:

De opsomming van feiten en procedures in de kort geding vonnissen van 27 november en 23 december 2002: onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel dat niet gesteld of gebleken is dat opsomming onjuist is (Middel I, sub 7.2).

3.3 In rov. 3.1 van het tussenvonnis verwijst het GHvJ naar een opsomming van feiten en procedures in een vonnis in kort geding van 27 november 2002 en in een vonnis in kort geding van 23 december 2002 en oordeelt vervolgens: "Niet gesteld of gebleken is dat die opsommingen onjuiste gegevens bevatten". In Middel I, sub 7.2, wordt dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk geoordeeld. Als motivering hiervoor wordt aangevoerd dat het hof, hoewel daarmee bekend, geen melding maakt van de cassatieprocedure [betrokkene 10]/[verweerders] en van het in die procedure door de Hoge Raad uitgesproken arrest (zie hierboven 1.2.5) en ook niet van het vonnis dat het GHvJ heeft uitgesproken in het kort geding [eiser] c.s./[betrokkene 7] (zie hierboven 1.2.4). Hiermee wordt echter niet aangetoond dat de feiten en procedures die voorkomen in de in de twee kort geding vonnissen opgenomen opsomming van feiten en procedures, onjuist zijn. Meer heeft het hof met zijn bestreden oordeel niet willen zeggen. Het hof heeft met name niet willen zeggen dat meer feiten en procedures dan in de opsommingen voorkomen, niet van belang zijn. De klacht lijkt daarvan wel uit te gaan. Daardoor mist de klacht feitelijke grondslag.

Thema 2:

Bezit van [eiser] c.s. van de gehele Plantage: het GHvJ miskent dat het al in eerdere procedures als vaststaand heeft aangenomen dat de rechtsvoorgangers van [eiser] c.s. bezitters waren van de gehele Plantage en dat zij de Plantage al meer dan 100 jaar in hun bezit hebben (Middel III, met name sub 9.2)

3.4 Voor de stelling dat het GHvJ al heeft aangenomen dat [eiser] c.s. bezitters zijn van de gehele Plantage wordt in Middel III, sub 9.2, een beroep gedaan op het vonnis dat het hof op 11 augustus 1998 onder rolnummer H. 230/98 heeft uitgesproken (zie hierboven 1.2.3). In dat vonnis beoordeelt het GHvJ alsnog de door het GEA onbehandeld gelaten reconventionele vordering van [eiser] c.s. voor recht te verklaren dat zij eigenaren van de Plantage zijn, welke eigendom zij door verkrijgende verjaring hebben verkregen. Naar aanleiding van die vordering overweegt het hof in rov. 9.4 onder meer: "Voor verkrijgende verjaring is onder meer vereist dat de bezitter te goeder trouw is (artikel 1982 BW). Niet aannemelijk is dat de bedoelde rechtsvoorgangers van [eiser] c.s., aangenomen dat zij bezitter waren, in redelijkheid hebben kunnen menen voor het geheel gerechtigd te zijn tot de bewuste plantageterreinen."

3.5 In zijn vonnis laat het GHvJ zich alleen in rov. 9.4 uit over het bezitterschap van (de rechtervoorgangers van) [eiser] c.s. van de Plantage. In het geciteerde gedeelte van die overweging, zo blijkt duidelijk uit de onderstreepte passage, laat het hof zich over dat bezitterschap niet anders dan veronderstellenderwijs uit. Een beslissing dat (de rechtsvoorgangers van) [eiser] c.s. bezitter van de gehele Plantage zijn, neemt het GHvJ in het vonnis van 11 augustus 1998 dus niet. De klacht in Middel III, sub 9.2, mist derhalve feitelijke grondslag en is om die reden gedoemd te falen.

Thema 3:

Bezit van de [verweerders] van de Plantage: het GHvJ heeft miskend en ten onrechte niet in aanmerking genomen dat het GEA in zijn vonnis d.d. 28 februari 2005 in algemene zin beslist dat de [verweerders] geen bezitter van de Plantage zijn (Middel II, sub 8.2 t/m 8.6); daarom neemt het GHvJ ten onrechte aan dat het belang van [verweerders] bij verweer tegen de vordering van [eiser] c.s. is gelegen in het bezit van de Plantage of van gedeelten daarvan (Middel II, sub 8.7).

3.6 Aan de vraag in hoeverre de [verweerders] bezit hebben van de Plantage, is het volgende belang verbonden. Voor zover zij bezit van de Plantage hebben, brengt dat gegeven mee dat in zoverre [eiser] c.s. niet als bezitters van de Plantage zijn aan te merken. Het gevolg daarvan is dat dan niet wordt voldaan aan de eis dat [eiser] c.s. op 3 mei 2004 bezitters zijn van, zoals zij stellen, de gehele Plantage met uitzondering van de strook grond van 5200 m2.

3.7 In Middel II, sub 8.2 t/m 8.6 komt een betoog van de volgende strekking voor: het GEA heeft - in de procedure [betrokkene 10]/[verweerders] met het rolnummer AR 1132/2004 - op 24 januari 2005 een vonnis uitgesproken, waarin is geoordeeld dat [verweerders] geen bezitters van percelen van de Plantage zijn; het GHvJ is in rov. 2.4 van het eindvonnis van oordeel dat aan die beslissing van het GEA geen gezag van gewijsde toekomt; het GHvJ ziet evenwel over het hoofd dat het GEA in zijn in de onderhavige zaak op 28 februari 2005 uitgesproken vonnis binnen het verband van de beoordeling van de huurvorderingen in conventie van de [verweerders] naar het aangehechte vonnis van 24 januari 2005 heeft verwezen onder de aantekening dat dit vonnis als in het vonnis (van 28 februari 2005) herhaald en ingelast moet worden beschouwd; de [verweerders] zijn van het vonnis van 28 februari 2005, voor zover in conventie gewezen, niet in appel gekomen; het deel van het vonnis van 28 februari 2005 dat bestaat uit het overgenomen vonnis van 24 januari 2005, is derhalve onbestreden gebleven; daardoor is er geen ruimte meer voor het oordeel van het GHvJ in rov. 2.4 van het in de onderhavige zaak gewezen eindvonnis dat de vraag of de [verweerders] al dan niet als bezitters van de gehele Plantage kunnen worden aangemerkt, door het GEA niet in het vonnis d.d. 24 januari 2005 is beantwoord; dat antwoord is immers door het GEA in de onderhavige zaak gegeven met het inlassen van zijn vonnis van 24 januari 2005 in het vonnis van 28 februari 2005, welke inlassing onbestreden is gebleven. Het moet dan ook vanwege het door het GEA op 28 februari 2005 ter zake van de vordering in conventie gewezen vonnis er voor worden gehouden dat de [verweerders] geen bezitters van de Plantage zijn.

3.8 Op zichzelf wordt terecht opgemerkt (a) dat het GEA in het vonnis, dat het in de onderhavige zaak op 28 februari 2005 heeft uitgesproken, in het kader van de beoordeling van de vorderingen van de [verweerders] in conventie heeft bepaald dat het aangehechte vonnis van 24 januari 2005 in de zaak AR 1132/2004 [betrokkene 10]/[verweerders] als ingelast en herhaald moet worden beschouwd, (b) dat het GEA in dit laatste vonnis heeft geoordeeld dat [verweerders] geen bezitters van de Plantage zijn en (c) dat het vonnis van 28 februari 2005, voor zover in conventie gewezen, dus ook het gedeelte dat ontleend is aan het vonnis d.d. 25 januari 2005, onbestreden is gebleven.((14)) Voor zover erover geklaagd wordt dat het GHvJ, voor zover het gaat om de vraag of de [verweerders] van de Plantage bezitter van de Plantage zijn, ten onrechte het vonnis d.d. 24 januari 2005 in plaats van het vonnis d.d. 28 februari 2005 tot uitgangspunt heeft genomen, geschiedt dat vanwege de zojuist vermelde processuele gang van zaken op zichzelf terecht. Aangenomen mag worden dat het GEA niet zonder reden niet volstaan heeft om in zijn vonnis d.d. 28 februari 2005 naar zijn vonnis d.d. 25 januari 2005 te verwijzen, maar te kennen heeft gegeven dit laatste vonnis ook als ingelast en herhaald te willen zien. Dit laatste vonnis was immers tussen andere partijen gewezen. Desalniettemin kan het beroep op het vonnis d.d. 28 februari 2005 [eiser] c.s. niet baten. Kennelijk wordt verondersteld dat in ieder geval uit hoofde van het vonnis d.d. 28 februari 2005 van het GEA voor de [verweerders] rechtens geldt, dat zij geen bezitters van de Plantage zijn. Die veronderstelling lijkt onjuist.

3.9 Het vonnis van 28 februari 2005, voor zover betrekking hebbend op de vordering in conventie, heeft in de appelprocedure de status van een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Aan een vonnis met die status komt in een andere procedure tussen dezelfde procespartijen de betekenis toe dat het vonnis in die procedure gezag van gewijsde heeft. Daarmee wordt bedoeld dat beslissingen in het vonnis omtrent de 'rechtsbetrekking in geschil' de partijen in de andere procedure binden. Zie artikel 70a AntWvBRv.

Tijdens de eerste aanleg was in conventie de 'rechtsbetrekking in geschil' de huurrelatie tussen enerzijds de [verweerders] en anderzijds [eiser 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Van het geschil maakte deel uit de vraag of die door de [verweerders] gestelde huurrelatie wel bestond. Het GEA beslist te dien aanzien in het vonnis van 28 februari 2005 dat die huurrelatie er niet is. Weliswaar start het GEA zijn aan het geschil gewijde overwegingen met een verwijzen naar en het inlassen van zijn in de zaak [betrokkene 10]/[verweerders] gewezen vonnis van 24 januari 2005, maar de overweging die de zojuist bedoelde beslissing werkelijk draagt luidt: "Hetgeen geldt voor [betrokkene 10] geldt te meer voor de gedaagden in conventie in de onderhavige zaken, met wie de Erven geen huurovereenkomst hebben((15)) en ten aanzien van wie zij hun aanspraak op de betaling van huurpenningen slechts baseren op het feit dat zij eigenaar van de grond (pretenderen te) zijn." Dit betekent dat de uit het vonnis van 25 januari 2005 overgenomen oordeel omtrent het bezit van de [verweerders] van de Plantage, in werkelijkheid geen rol van betekenis speelt bij de beantwoording van de vraag omtrent het bestaan van hoger genoemde huurrelatie. Bijgevolg kan niet worden gezegd dat in het vonnis d.d. 28 februari 2005 de 'rechtsbetrekking in geschil' (mede) het bezit van de [verweerders] van de Plantage was. En daaruit vloeit weer voort dat aan hetgeen het GEA in het vonnis van 28 februari 2005 in de vorm van een verwijzing naar het vonnis d.d. 25 januari 2005 overweegt, geen gezag van gewijsde toekomt in de appelprocedure in de onderhavige zaak, die alleen betrekking heeft op de vorderingen in reconventie. Of, anders gezegd, het ingelast zijn door het GEA van zijn vonnis van 25 januari 2005 in zijn vonnis van 28 februari 2005 en het onbestreden gebleven zijn van het ingelaste gedeelte nopen er niet toe om als uitgangspunt aan te houden dat ieder bezit van de [verweerders] van de Plantage ontbreekt.

3.10 De klacht dat het GHvJ heeft miskend dat het GEA in het vonnis d.d. 28 februari 2005 in algemene zin tot afwezigheid van bezit van de [verweerders] van de Plantage heeft geconcludeerd en zich ten onrechte niet aan die beslissing heeft gehouden, slaagt derhalve niet.

3.11 In Middel II, sub 8.5 komt nog een aparte klacht voor tegen de uitleg die het GHvJ in rov. 2.4 van het eindvonnis geeft aan het vonnis van het GEA van 24 januari 2005. Met die uitleg heeft het hof, zo wordt aangevoerd, ten onrechte de verweren van de [verweerders] aangevuld en/of een verrassingsbeslissing gegeven.

Wat er van deze bezwaren zij, baten doen zij uiteindelijk niet. Zoals hierboven al opgemerkt, wordt in Middel II verdedigd - en niet ten onrechte - dat te dezen niet van het vonnis d.d. 24 januari 2005 van het GEA moet worden uitgegaan. Bij die stand van zaken missen de klachten tegen de uitleg van het vonnis d.d. 24 januari 2005 belang.

3.12 Op het hiervoor in 3.5 vermelde betoog stoelt ook de klacht in Middel II, sub 8.7, dat het oordeel van het GHvJ aan het slot van rov. 2.4 van het eindvonnis omtrent het aan bezit van de Plantage of van delen daarvan gerelateerd belang van de [verweerders] om verweer te voeren tegen de vordering van [eiser] c.s., een deugdelijke grond mist. Doordat het betoog om de hiervoor in 3.8 en 3.9 vermelde redenen geen steek houdt, ontbeert de klacht een deugdelijke grondslag en kan zij niet slagen.

Thema 4:

Het in huur geven van grond door de [verweerders]: ten onrechte betrekt het GHvJ dit in huur geven in zijn beoordeling (Middel IV, sub 10.3 en 10.6 en Middel V, sub 11.2).

3.13 Het GHvJ neemt in de rov. 2.7, 2.8 en 2.9 onder meer in aanmerking dat door de [verweerders] een aantal percelen van de Plantage worden verhuurd en dat één van de huurders Curaçao Telecom is. Hiertegen wordt de klacht aangevoerd dat het hof ten onrechte van het in huur geven van grond uitgaat. Doordat de Erven geen bezitters zijn en daardoor niet het feitelijke genot kunnen verschaffen, ontbreekt immers de rechtsgrondslag voor het aannemen van in huur geven door de [verweerders] van grond.

3.14 De klacht faalt. Zij stoelt op het uitgangspunt dat op grond van rechterlijke uitspraken moet worden aangenomen dat de [verweerders] geen bezitters van de Plantage zijn. Hierbij wordt gedacht aan het hiervoor al ter sprake gekomen vonnis van 28 februari 2005 van het GEA. Hierboven is reeds uitgezet dat en waarom niet mag worden aangenomen dat uit dat vonnis kan worden afgeleid dat het er voor moet worden gehouden dat de [verweerders] geen bezitter van de Plantage of van gedeelten daarvan zijn.

3.15 Dat het GHvJ het in huur geven van stukken grond van de Plantage door de [verweerders] aanneemt, wordt in cassatie niet anderszins (steekhoudend) bestreden. Dit betekent, aangenomen dat de zojuist besproken klacht inderdaad niet slaagt, enerzijds dat de [verweerders] voor verhuurder van die stukken grond kunnen worden gehouden die zij in verhuur geven en anderzijds dat [eiser] c.s. voor wat die stukken grond betreft er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat zij per 3 mei 2004 bezitter van die stukken grond waren.

Thema 5:

De delen van de Plantage zijn onontgonnen gebleven, terwijl van beheer van die delen door [eiser] c.s. niet is gebleken: het GHvJ oordeelt ten onrechte in die zin (Middel V, sub 11.5).

3.16 In rov. 2.8 vermeldt het GHvJ als een - in het proces-verbaal opgenomen - waarneming tijdens de descente dat delen van de Plantage onbebouwd en - ogenschijnlijk - ook ongebruikt is gebleven, waarop het GHvJ laat volgen dat niet gemotiveerd is gesteld of gebleken dat die delen door [eiser] c.s. dan wel de [verweerders] worden beheerd. Daaraan verbindt het GHvJ in rov. 2.9 de vaststelling dat delen van de plantage onontgonnen zijn gebleven en dat niet is gebleken dat [eiser] c.s. die delen beheren.

3.17 In Middel V, sub 11.5 wordt - naar hier wordt verondersteld mede - naar aanleiding van deze vaststelling gesteld dat het GHvJ "zowel hogergemelde rechterlijke oordelen miskent als de zijdens [eiser] c.s. in het geding gebrachte producties ten blijke daarvan dat (slechts) [eiser] c.s. te dezen rechtsbevoegd zijn en ook als zodanig zijn aangemerkt door de overheid en de betrokken leverancier Aqualectra, en beheersdaden met betrekking tot dat gebied hebben gesteld (zie hun conclusie na descente/comparitie sub 3, en de in dat kader geduide producties, in welk verband zij een (nader, aanvullend) bewijsaanbod hebben gedaan."

3.18 Met één en ander wordt te weinig concreet en daarmee onvoldoende duidelijk aangegeven, waarom 's hofs vaststelling omtrent de onontgonnen delen van de Plantage onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. De gewenste duidelijkheid wordt ook niet anderszins in Middel V of in een ander middel verschaft. Dit betekent dat ten aanzien van de onontgonnen delen van de Plantage moet worden aangenomen dat zij op 3 mei 2004 niet door [eiser] c.s. werden beheerd en dat bijgevolg [eiser] c.s. geacht moeten worden ook het bezit van die delen op de zojuist genoemde datum niet te hebben aangetoond.

Thema 6:

Het aangeslagen worden voor en betalen van grondbelasting door de (rechtsvoorgangers van de) [verweerders] met betrekking tot de gehele Plantage: ten onrechte neemt het GHvJ een en ander als vaststaand aan en eveneens ten onrechte vat het hof de betaling van grondbelasting als een bezitsdaad op (Middel V, sub 11.3; Middel I, sub 7.10 en Middel IV, sub 10. 2).

3.19 Allereerst rijst de vraag of [eiser] c.s. nog belang hebben bij de klachten aangaande de grondbelasting. Dat lijkt niet het geval te zijn. Uit het gegeven dat de klachten met betrekking tot de hiervoor onder 1 t/m 5 vermelde thema's geen doel treffen, volgt reeds dat het ervoor gehouden dient te worden dat [eiser] c.s. er niet in zijn geslaagd om aan te tonen dat zij op 3 mei 2004 de Plantage, op het stuk grond van 5400 m2 na, geheel in hun bezit hadden. Dat bezit is met name niet aangetoond ten aanzien van de stukken grond die de [verweerders] verhuren en ten aanzien van die delen van de Plantage, die onontgonnen zijn gebleven en waarvan niet is gebleken dat zij door [eiser] c.s. worden beheerd.

3.20 De vaststelling in de rov. 3.5 van het tussenvonnis en rov. 2.7 van het eindvonnis dat de (rechtsvoorgangers van de) [verweerders] de grondbelasting al ten minste vanaf begin jaren-80 betalen (en dus daarvoor ook worden aangeslagen) vormt een feitelijk oordeel, waarvan de onbegrijpelijkheid met de aangevoerde klachten niet wordt aangetoond.

3.21 Met het opvatten van het aangeslagen worden voor en betalen van de grondbelasting voor de gehele Plantage als een bezitsdaad van de (rechtsvoorgangers van de) [verweerders], beoogt het GHvJ, naar het toeschijnt, niet te zeggen dat de [verweerders] thans zijn te beschouwen als bezitter van de gehele Plantage. Daarmee zou ook niet stroken dat het GHvJ in de rov. 2.6 en 2.9 er met zoveel woorden op wijst dat [eiser] c.s. een groot aantal van de percelen van de Plantage verhuren. Het GHvJ beoogt, naar het voorkomt, met de vermelding van de kwestie van de grondbelasting niet meer dan daarmee nader te adstrueren dat het door [eiser] c.s. opgeëiste bezit van de gehele Plantage en de daarachter stekende pretentie van het hebben van zeggenschap als die van eigenaar over de gehele Plantage zich niet goed laten verenigen met gegeven dat de (rechtsvoorgangers van de) [verweerders] de grondbelasting voor de gehele Plantage voor hun rekening nemen.

3.22 Kortom, de aan de grondbelasting gerelateerde klachten treffen geen doel.

Thema 7:

De dienstverlening van de (rechtsvoorgangers van de) [verweerders] aan de bewoners van de Plantage bij de aansluiting op de openbare elektriciteits- en watervoorziening en de indiening door de Erven van een ruilverkavelingsplan: ten onrechte en/of zonder afdoende motivering heeft het GHvJ een en ander als bezitsdaden aangemerkt en als zodanig in zijn beoordeling betrokken (Middel IV, sub 10.4 en 10.5; Middel V, sub 11.4).

3.23 Voor de klachten die betrekking hebben op de onder 7 genoemde punten, geldt in ieder geval hetzelfde als wat hiervoor onder 3.19 is opgemerkt. Daarop stranden de klachten reeds.

3.24 Verder zijn de punten met zoveel vaagheid omkleed zowel in de processtukken van partijen als in het eindvonnis dat het niet wel mogelijk is omtrent die punten nog nadere zinvolle opmerkingen te maken.

Thema 8:

De verklaring van erfrecht van [betrokkene 7] en de daarin vermelde afstamming van de [verweerders] van de vrijgemaakte slavin [betrokkene 8]: ten onrechte verenigt het GHvJ zich in rov. 2.3 van het eindvonnis met het eerder door het GEA en het hof uitgesproken oordeel dat [betrokkene 7] tot de slotsom heeft kunnen komen dat de [verweerders] afstammen van [betrokkene 8], dochter van [betrokkene 13], vrijgemaakte slavin van [betrokkene 3], waarbij in aanmerking is te nemen dat absolute zekerheid omtrent de gebeurtenissen die zich zo lang geleden hebben afgespeeld, niet meer mogelijk is (Middel I, sub 7.3 t/m 7.6).

3.25 Zoals in Middel I, sub 7.3, ook wordt onderkend, is het bestreden oordeel van het GHvJ opgenomen in een overweging ten overvloede. Het oordeel wordt niettemin bestreden "met het oog op een eventueel te bereiken terugverwijzingsprocedure". Wordt over de andere cassatieklachten geoordeeld als hiervoor aangegeven, dan zal het niet tot een terugverwijzingsprocedure komen. Dan geldt nog te meer dat het belang bij bestrijding van het hier aan de orde zijnde oordeel van het hof ontbreekt. In dit verband verdient nog opmerking dat het hof aan zijn oordeel ook nog toevoegt: "Naar eerder werd overwogen, is met de verklaring van recht niet beslist dat [verweerders] thans nog medegerechtigd zijn tot de plantage voor het 1/13 deel dat eertijds heeft toebehoord aan [betrokkene 8]. Ook daarmee perkt het hof de juridische betekenis die aan zijn bestreden oordeel mag worden toegekend, sterk in.

Op een en ander stuit de bestrijding van 's hofs oordeel ten overvloede in rov. 2.3 van het eindvonnis af.

3.26 In Middel I, sub 7.7 t/m 7.9 komt nog een - goeddeels uit citaten bestaand - betoog voor, waarvan de porté niet (voldoende) duidelijk is. Er lijkt opgekomen te worden tegen het niet beoordelen door het hof van de vorderingen van [eiser] c.s. onder A en B van het primaire gedeelte van het laatst gewijzigde petitum: de gevorderde verklaring voor recht dat de [verweerders] niet afstammen van [betrokkene 8], respectievelijk het gevorderde verbod aan de [verweerders] om van de verklaring van erfrecht van [betrokkene 7] gebruik te maken. Het GHvJ heeft, afgezien van het zojuist vermelde oordeel ten overvloede, deze vorderingen niet behandelt op grond van zijn in rov. 2.3 van het eindvonnis voorkomend oordeel dat [eiser] c.s. bij die behandeling geen belang hebben: "Bij afwijzing van de onderwerpelijke vordering van [eiser] c.s. om als eigenaren van de plantage te worden aangemerkt." Aan het slot van sub 7.7 wordt gesteld dat [eiser] c.s. wel een belang hebben. Welk belang zij hebben, wordt echter niet, althans niet voldoende kenbaar, uit de doeken gedaan.

Voor zover in Middel I, sub 7.7 t/m 7.9 klachten voorkomen, stranden zijn op het zojuist gestelde.

4. Conclusie

Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zo zijn er aan de zijde van [verweerders] niet steeds dezelfde personen bij een procedure betrokken als bij de onderhavige. Om die reden wordt hierna ook wel eens gesproken van [verweerders].

2. Genoemd worden die procedures die in de onderhavige procedure nog op een of andere wijze een rol spelen.

3. Als Productie 1 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007. (Registratienummer: GEA 16 augustus 1982, AR nr. 2549/81).

4. Als Productie 3 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007. (Registratienummer: GEA 24 oktober 1988, AR 552/87.

5. Als Productie 4 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007. (Registratienummer: GEA 6 oktober 1997, AR nr. 1151/1996).

6. Als Productie 5 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007. (Registratienummer: GHvJ 11 augustus 1998, H230/98.

7. Als Productie 9 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007 (Registratienummer: GEA 27 november 2002, KG 220/2002).

8. Als Productie 10 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007,(Registratienummer: GHvJ 3 februari 2004, rolnummer H-96/2003).

9. Als Productie 47 gevoegd bij de conclusie na descente d.d. 8 mei 2007 (Registratienummer: GEA 24 januari 2005, AR 1132/2004).

10. Artikel 3:105 AntBW komt geheel overeen met artikel 3:105 NedBW.

11. Landsverordening d.d. 23 oktober 2000, PB 2000, nr. 119.

12. Met ingang van 1 april 2007 is de mogelijkheid van eigendomsverkrijging bij bevrijdende verjaring ingeperkt in het kader van de invoering van de regeling 'Langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen, bestaande uit onroerende zaak'. Deze regeling is te vinden in de artikelen 3:200a t/m 200h AntBW en beoogt een oplossing te bieden voor het op de eilanden van de Nederlandse Antillen meer voorkomende probleem van langdurig onverdeeld gebleven onroerende zaken. Zie hierover meer bij P.E. de Kort, Landurig onverdeeld gebleven boedels in de Nederlandse Antillen, WPNR, 2009 (6807), blz. 641 e.v.

13. Of artikel 3.222 AntBW meebrengt dat mede aangeknoopt moet worden bij bezit per 3 mei 2004 is de vraag. Maar die vraag kan hier blijven rusten.

14. Blijkens hun Akte van Hoger Beroep d.d. 26 april 2006 stellen [eiser] c.s. hoger beroep in tegen de in die akte genoemde vonnissen in alleen voor zover het GEA die vonnissen heeft gewezen tussen hen als eisers in reconventie en de [verweerders] als gedaagden in reconventie. Van de zijde van laatstgenoemden is geen incidenteel beroep ingesteld.

15. Met [betrokkene 10] hadden [verweerders] op zichzelf wel een overeenkomst afgesloten, maar zij beschouwden die overeenkomst naar het oordeel van het GEA ten onrechte als een huurovereenkomst.