Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7321

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
08/01763
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over vermogensrechtelijke afwikkeling huwelijk. Niet uitgevoerd Amsterdams verrekenbeding (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1213
JWB 2009/383

Conclusie

08/01763

Mr L. Strikwerda

Parket, 4 sept. 2009

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van het door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen. Inzet is de afrekening op de voet van het krachtens huwelijkse voorwaarden tussen partijen overeengekomen Amsterdamse verrekenbeding waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven.

2. De feiten liggen als volgt (zie de bestreden beschikking van het hof onder het hoofdje "Het procesverloop in eerste aanleg en de vaststaande feiten" in verbinding met r.o. 1 van de tussenbeschikking van de rechtbank).

(i) Partijen, hierna: de man en de vrouw, zijn op 3 juni 1992 te Delft gehuwd, na het maken van huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden is iedere gemeenschap tussen partijen uitgesloten en is een zogeheten Amsterdams verrekenbeding overeengekomen. Er is geen staat van aanbrengsten aangehecht vanwege het geringe belang van de aangebrachte goederen.

(ii) De huwelijkse voorwaarden luiden, voor zover thans van belang, als volgt:

"Tot de inkomsten of uitgaven worden evenmin gerekend rijzing of daling van de waarde van goederen van een der echtgenoten, noch de reserveringen die gebruikelijk ten laste van de winst worden gebracht en pensioenaanspraken van partijen."

(iii) Op verzoek van de man van 21 december 2001 heeft de rechtbank Maastricht bij beschikking van 15 januari 2004 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 29 april 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van Delft.

(iv) Staande het huwelijk heeft geen periodieke verrekening van inkomsten en/of vermogen plaatsgevonden. Geen erfenis of schenking is ontvangen.

3. De vrouw heeft op 17 oktober 2003 bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend waarbij zij de rechtbank heeft verzocht de man te veroordelen om aan haar te voldoen de helft van het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen tijdens het huwelijk niet is verrekend, alsmede de vruchten daarvan, te verminderen met het reeds aan de vrouw verbleven vermogen.

4. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek.

5. Nadat partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van 4 februari 2004 ten aanzien van een deel van de geschilpunten een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten, heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 24 maart 2004, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, bepaald dat de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding niet voor verdeling vatbaar is. De rechtbank heeft bepaald dat partijen van deze beslissing tussentijds hoger beroep kunnen instellen. Op het hoger beroep van de vrouw heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 6 april 2005 de tussenbeschikking van de rechtbank bekrachtigd.

6. Daarop heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 27 juli 2006 beslist op de nog resterende geschilpunten van partijen. Zij heeft daarbij vooropgesteld dat tussen partijen vaststaat dat de peildatum voor de verrekening conform het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden 21 december 2001 is, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. Voorts heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat nu aan het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding nooit uitvoering is gegeven, alsnog verrekening moet plaatsvinden met inachtneming van het bepaalde in art. 1:141 lid 3 BW. Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van de in haar beschikking opgesomde vermogensbestanddelen een beslissing gegeven. Voor zover thans in cassatie nog van belang heeft de rechtbank met betrekking tot een op naam van de man staande bankrekening nr. [001] (de Ajaxbetaalrekening) beslist dat het saldo daarop per peildatum moet worden bepaald op Euro 7.749,62 en dat dit saldo moet worden beschouwd als overgespaard inkomen, zodat de man de helft van het saldo aan de vrouw moet betalen, en met betrekking tot de aandelen in [A] B.V. dat de waarde daarvan is te herleiden tot de ontbindingsvergoeding en dus niet voor verrekening in aanmerking komt. Het verzoek van de man om tevens zijn schuld aan de BV bij de verrekening te betrekken, wees de rechtbank van de hand op grond van de overweging dat ingevolge de huwelijkse voorwaarden overgespaard inkomen dient te worden verrekend, en niet de schulden.

7. De man is van de eindbeschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw stelde incidenteel hoger beroep in. De man verzocht het hof de beroepen beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing inzake het te verrekenen saldo van de Ajaxbetaalrekening en de schuld van de man aan de BV. De vrouw verzocht de beroepen beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing inzake de waarde van de aandelen. Geen van beide partijen had succes; het hof heeft bij beschikking van 23 januari 2008 de beschikking van de rechtbank op de bedoelde punten bekrachtigd.

8. Met betrekking tot de Ajaxbetaalrekening overwoog het hof onder meer (r.o. 6):

"Tussen partijen is in confesso dat de peildatum voor de verrekening conform het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden 21 december 2001 is en dat het saldo op de Ajaxbetaalrekening per genoemde datum Euro 7.749,62 bedroeg. Gelet op de betwisting door de vrouw heeft de man naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt, noch bewijs aangeboden van zijn stelling, dat hij de stortingen op de Ajaxbetaalrekening uit privé-middelen heeft voldaan. Gelet hierop ziet het hof geen reden om in zoverre van de beslissing van de rechtbank af te wijken."

9. Met betrekking tot de schuld van de man aan de BV en de waarde van de aandelen overwoog het hof onder meer (r.o. 8):

"Het hof verenigt zich ten aanzien van de beslissing omtrent de schuld van de man aan de B.V. alsmede ten aanzien van de waarde van de aandelen met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Ten aanzien van de waarde van de aandelen merkt het hof op dat nagenoeg het enige actief dat in de B.V. zit, bestaat uit de ontbindingsvergoeding van Euro 136.134,- die de man daarin heeft gestort. Nu de rechtbank reeds bij beschikking van 24 maart 2004 heeft beslist dat de ontbindingsvergoeding van de man niet voor verdeling (het hof leest: verrekening) vatbaar is en het hof die beslissing bij beschikking van 6 april 2005 heeft bekrachtigd, staat voor het hof vast dat de waarde van de aandelen niet in de verdeling kan worden betrokken."

10. De man is van de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het door de man ingestelde cassatieberoep te verwerpen. Voorts heeft de vrouw van haar kant incidenteel cassatieberoep ingesteld met één middel. De man heeft geen verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend.

Het principaal beroep

11. Het in het principaal beroep voorgestelde middel keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 6 - omtrent de Ajaxbetaalrekening. Het middel verwijt het hof te hebben miskend, althans zijn oordeel in zoverre onvoldoende begrijpelijk te hebben gemotiveerd, dat op die betaalrekening, waarvan het saldo naar het oordeel van het hof geheel dient te worden verrekend, door de man bedragen zijn gestort afkomstig uit privé-middelen die niet in de verrekening dienen te worden betrokken. Voorts klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat de man bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden.

12. Bij de beoordeling van dit middel dient vooropgesteld te worden dat in cassatie niet is bestreden dat het hof kennelijk, evenals de rechtbank, tot uitgangspunt heeft genomen dat, nu aan het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding staande huwelijk geen uitvoering is gegeven, alsnog verrekening moet plaatsvinden met inachtneming van het bepaalde in art. 1:141 lid 3 BW. Deze bepaling houdt in dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht niet is voldaan, het saldo van het aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden (het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is alsmede de vruchten daarvan), tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

13. Bij de beoordeling van het middel dient voorts vooropgesteld te worden dat in cassatie vaststaat dat bij de aanvang van het huwelijk geen staat van aanbrengsten is opgesteld gezien het geringe belang van de aangebrachte goederen, en dat geen erfenis of schenking tijdens huwelijk is ontvangen, met als gevolg - naar het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen - dat de tijdens het huwelijk gevormde (privé)vermogens van de man en de vrouw worden vermoed te verrekenen vermogen te betreffen. Tevens moet uitgangspunt zijn dat niet wordt bestreden dat de ontbindingsvergoeding van de man die in de BV van de man is gestort, niet voor verrekening vatbaar is.

14. Tegen de achtergrond van het hier vooropgestelde moet het middel in zijn geheel falen.

15. Voor zover het middel wil betogen dat het hof heeft miskend dat de door de man vóór de peildatum op de Ajaxbetaalrekening gestorte bedragen afkomstig zijn uit zijn privé-vermogen en op die enkele grond niet in de verrekening mogen worden betrokken, faalt het middel omdat dit betoog eraan voorbij ziet dat, nu tussen partijen iedere gemeenschap is uitgesloten, al het te verrekenen vermogen hetzij privé-vermogen van de man hetzij privé-vermogen van de vrouw is, en dat slechts die vermogensbestanddelen die ingevolge de huwelijkse voorwaarden van verrekening zijn uitgezonderd, buiten de verrekening dienen te blijven. Waar het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat (behoudens de door de man in zijn BV gestorte ontbindingsvergoeding) de tijdens het huwelijk gevormde (privé)vermogens van de man en de vrouw worden vermoed te verrekenen vermogen te betreffen, is de enkele omstandigheid dat de door de man vóór de peildatum op de Ajaxbetaalrekening gestorte bedragen afkomstig zijn uit zijn privé-vermogen, geen grond om die bedragen niet in de verrekening te betrekken.

16. Voor zover het middel betoogt dat het hof eraan heeft voorbijgezien dat de beleggingswinsten van de man uitgezonderd zijn van verrekening op grond van de hierboven onder 2.(ii) geciteerde bepaling uit de huwelijkse voorwaarden, kan het middel geen doel treffen aangezien het hof kennelijk - gelet op de aard en de strekking van de onderhavige huwelijkse voorwaarden - ervan is uitgegaan dat de bedoelde bepaling uit de huwelijkse voorwaarden aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling niet ziet op de waardestijging (of daling) van goederen die zijn verkregen door middel van (her)belegging van overgespaarde doch nog niet verrekende inkomsten, en dat de waardestijging van dergelijke goederen derhalve in de verrekening moet worden betrokken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft voorts kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de beleggingswinsten die de man heeft gemaakt met de aandelen waarover hij via zijn werkgever beschikte, niet van verrekening zijn uitgezonderd, omdat het gaat om winsten die zijn gemaakt met overgespaarde en niet verrekende inkomsten.

17. Voor zover het middel zich beklaagt dat het hof eraan heeft voorbijgezien dat de man bewijs heeft aangeboden van zijn stelling hij de storting op de Ajaxbetaalrekening uit privémiddelen heeft voldaan, faalt het middel reeds wegens gebrek aan belang. Uit het vorenstaande volgt immers dat het bewijsaanbod niet terzake dienend is, en dus niet gehonoreerd had kunnen worden.

18. Voor zover het middel ten slotte klaagt dat de beslissing van het hof (ook) onbegrijpelijk is, nu het hof niet onjuist heeft bevonden - en zulks terecht - dat de man op 8 december 2001 een storting van Euro 15.882,31 van zijn BV naar de Ajaxbetaalrekening heeft gedaan en nu het hof zelf in r.o. 8 tot uitgangspunt heeft dat het enige actief dat in de BV zat bestond uit de niet voor verrekening vatbare ontbindingsvergoeding, faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, anders dan het middel kennelijk veronderstelt, slechts tot uitgangspunt genomen dat het enige actief dat op de peildatum nog in de BV zat bestond uit de ontbindingsvergoeding, en niet dat zulks ook het geval was toen de man op 8 december 2001 een storting van zijn BV naar zijn Ajaxbetaalrekening heeft gedaan.

Het incidenteel beroep

19. Het in het incidenteel beroep voorgestelde middel is gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 8 - dat de waarde van de aandelen in de BV niet in de verrekening kan worden betrokken. Het middel acht dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat de vrouw zich (slechts) op het standpunt heeft gesteld dat de oorspronkelijke waarde van de aandelen (ad Euro 18.000,-) indertijd door de man is voldaan "van onverteerd gebleven inkomsten en wat daaraan gelijk moet worden gesteld", zodat niet valt in te zien dat en waarom op basis (slechts) van 's hofs overweging dat de ontbindingsvergoeding niet voor verrekening in aanmerking komt, aan verrekening in zoverre van de waarde van de aandelen kan worden voorbijgegaan. Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat de man bedoeld bedrag uit zijn BV heeft opgenomen en/of dat hij dat bedrag vervolgens heeft verteerd, is zijn oordeel onbegrijpelijk omdat de man immers heeft gesteld dat hij dat bedrag (althans grotendeels) van zijn BV heeft geleend, hetgeen geen andere betekenis kan hebben dan dat het uit de BV verdwenen aandelenkapitaal dan is vervangen door een vordering van de BV op haar dga (de man) en mede daarom niet, althans niet zonder nadere motivering, kan worden staande gehouden dat "nagenoeg het enige actief dat in de BV zit" bestaat uit de ontbindingsvergoeding die de man in de BV heeft gestort.

20. Het middel faalt omdat het berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het hof heeft niet enkel op grond van de overweging dat de ontbindingsvergoeding niet voor verrekening in aanmerking komt, geoordeeld dat de waarde van de aandelen niet voor verrekening vatbaar is. Het hof heeft de gronden vermeld in de beschikking van de rechtbank overgenomen. Deze gronden hielden mede in dat het door de vrouw bedoelde bedrag van Euro 18.000,- reeds is betrokken bij de verrekening van het saldo van de Ajaxbetaalrekening gelet op de door de man uit de BV opgenomen en op deze betaalrekening gestorte bedragen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,