Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7262

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
08/01420 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7262
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Redelijke toerekening dood s.o.. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1381

Conclusie

Nr. 08/01420 A

Mr. Knigge

Zitting: 8 september 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 19 februari 2008 verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en voor meer subsidiair. "Medeplegen van diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft"(2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.(3)

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld

4. Het middel klaagt erover dat de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting danwel onbegrijpelijk is, nu verdachte de dood van het slachtoffer is toegerekend.

5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij, op of omstreeks 21 augustus 2006 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning, behorende bij cq annex de kerk van [plaats A] aan de [a-straat])(4) heeft weggenomen geld, toebehorende aan die [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd door zijn, verdachtes mededader met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het met plakband vastbinden van de handen van die [slachtoffer] en het met plakband afbinden van de mond of neus van die [slachtoffer], door welke gewelddaad er bij die [slachtoffer] zuurstofgebrek is ontstaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer], door verstikking, is overleden."

6. Opzet op de dood heeft verdachte, zoals ook steller van het middel betoogt, naar het oordeel van het Hof niet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin. Wel kan de dood van de priester volgens het Hof aan verdachte worden toegerekend als een gevolg van de door verdachten gepleegde overval. Verschil met de strafzaak tegen de medeverdachte is dat het Hof in die zaak heeft geoordeeld dat de medeverdachte wel voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer had. De medeverdachte is veroordeeld voor hetzelfde feitencomplex, maar dan als pleger van gekwalificeerde doodslag.

7. De gebezigde bewijsmiddelen houden in:

"(Algemeen dossier, pagina 40 e. v.)

Een politie proces-verbaal nr.20060921.1000, voorzover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisanten - zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 22 augustus 2006, omstreeks 07:50 uur, werden wij door de meldkamer gedirigeerd naar de pastorie van de katholieke kerk te [plaats A]. In de slaapkamer constateerden wij dat er een man op zijn buik op het bed lag die later bleek te zijn genaamd: [slachtoffer], van beroep priester en wonende in de katholieke kerk te [plaats A]. Wij zagen dat de pastoor niet bewoog. Wij zagen dat er op beide polsen van de pastoor kennelijk plakband had gezeten daar wij de sporen duidelijk konden zien. Wij zagen dat een kledingkast kennelijk doorzocht was.

(Proces-verbaal Technische Recherche Curaçao nr. 094/2006, pagina's 9-10)

Een politie proces-verbaal van de Technische Recherche Curaçao, voor zover inhoudende als relaas van de bevindingen van de verbalisanten - zakelijk weergegeven:

Wij zagen dat op beide polsen van het slachtoffer vanaf de knokkels van beide handen een witkleurige substantie kleefde met een breedte van ongeveer 4 centimeter en hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door plakband.

Nadat wij het slachtoffer hadden omgedraaid zagen wij dat het gezicht van het slachtoffer vanaf de kin tot boven de neusholten met een soortgelijk witkleurige kleverige substantie was bevuild.

(Algemeen dossier, pagina 45 e.v.)

Een politie proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisant - zakelijk weergegeven:

Op 22 augustus 2006 te 08:05 uur zag ik in de slaapkamer van de pastorie te [plaats A] een manspersoon liggend op een bed. De man gaf geen teken van leven meer. Ik herkende de man als de pastoor, in leven genaamd [slachtoffer].

(Algemeen dossier, pagina 43/44)

Een verklaring van overlijden, voorzover inhoudende als verklaring van M.C. Moses, MD - zakelijk weergegeven:

[Slachtoffer] is door verstikking om het leven gekomen op 22 augustus 2006.

(Algemeen dossier, pagina 50 e.v.)

Een verslag van een obductie op 23 augustus 2006 uitgevoerd door de patholoog J.A. van Raalte, voorzover inhoudende als bevindingen van de patholoog -zakelijk weergegeven:

Op het gelaat in het gebied tussen rechter oor en linker mondhoek bevond zich wat plakkerig wit spul met een lengte van 19 cm en een hoogte van 4,5 cm daarbij net boven de neusgaten reikend. Hetzelfde witte materiaal werd aangetroffen op de bovenkant van de linkerhand daarbij beginnen 1,5 cm boven de knokkels tot boven de pols met een hoogte van 11 cm. Hetzelfde witte plakkerige spul was ook aanwezig op de rechterhand 2 cm onder de knokkels beginnen met een hoogte van 9,5 cm net iets boven de pols reikend.

Het plakspul op de handruggen en het gelaat kunnen afkomstig zijn van tape. Daarbij lijkt de tape in het gelaat gezien de plakrestjes net gegaan te zijn over de onderlip en net tot de neuspunt.

[slachtoffer], oud 59 jaren, vertoont alle tekenen van verstikking.

(Persoonsdossier V01 [verdachte], 10e verhoor, pagina 75 e.v.):

Een politie proces-verbaal nr. 20061024.1045, voorzover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] - zakelijk weergegeven:

Op maandagavond 21 augustus 2006 zijn [medeverdachte] en ik bij de pastoor geweest. De pastoor had mij die dag meermalen gebeld om mij uit te nodigen om bij hem te komen. [medeverdachte] zei tegen mij dat wij de pastoor moesten gaan beroven. Ik zei tegen hem dat ik de pastoor een paar keer met veel geld op zak had gezien. Wij gingen akkoord om samen de pastoor te beroven. [Medeverdachte] haalde mij op met zijn auto. Hij had een papieren zak, een rol tape, een revolver met vijf patronen en twee losse kentekenplaten bij zich. Voordat we wegreden heeft [medeverdachte] die kentekenplaten met de tape over de kentekenplaten van zijn auto geplakt. We reden naar de woning van pastoor [slachtoffer]. De pastoor belde mij tijdens de rit en zei tegen mij dat hij het hek van de garage en de deur van de woning voor mij zou openlaten. Ik stelde nu voor dat [medeverdachte] als eerste naar binnen zou gaan want ik wou niet dat de pastoor mij zou herkennen. Ik heb tegen [medeverdachte] gezegd dat hij de pastoor in een positie moest plaatsen zodat de pastoor mij niet kon zien. Wij zouden dit plan uitvoeren.

Bij de pastorie gekomen zag ik dat het hek een klein beetje open stond en ik zag dat de deur van de woning op een kier stond. Ik gaf [medeverdachte] een teken dat hij kon gaan. Ik zei tegen [medeverdachte] dat ik na 5 à 10 minuten zou komen. Ik zag dat [medeverdachte] uit de auto stapte en via het hek van de garage naar de woning liep. Ik zag dat [medeverdachte] zijn vuurwapen in zijn rechter broekzak deed en de rol tape tussen zijn broekriem aan de linkerzijkant. Na ongeveer 7 minuten ben ik uit de auto gestapt en voorzichtig naar de woning van de pastoor gelopen. Bij de ingang heb ik door de deuropening naar binnen gekeken en zag [medeverdachte] uit de richting van de slaapkamer van de pastoor komen. [medeverdachte] zei tegen mij dat hij alles onder controle had en dat hij de pastoor had vastgebonden. Ik deed het hek en de deur van de woning dicht. Binnen begon ik direct een kleine kamer recht voor mij te doorzoeken. [Medeverdachte] kwam bij mij en overhandigde mij een bos sleutels. Hij zei tegen mij dat een van de sleutels van de kluis was die ik in de tweede kamer aan de rechterkant kon vinden. Ik nam de bos sleutels en ben naar die kamer gelopen. Ik zag de kluis en probeerde deze met diverse sleutels te openen. Het duurde lang eer ik hem open kreeg. [Medeverdachte] kwam nog een keer kijken waarom het zo lang duurde. Uiteindelijk kreeg ik hem open. Ik heb al het geld uit de kluis in een plastic zak gedaan. Toen ik klaar was liep ik naar de ingangsdeur van de woning waardoor ik gekomen was. [Medeverdachte] kwam naar mij toe en ik zei hem dat ik klaar was. Ik liet hem al het geld zien dat ik in de plastic tas had. Wij zijn samen in zijn auto weggereden. We hebben het geld verdeeld. We kregen elk ongeveer 3700 gulden. [Medeverdachte] heeft mij thuis afgezet.

(Persoonsdossier V02 [medeverdachte], 11e verhoor, pagina 85 e.v.):

Ik zal vertellen wat er in de nacht van 21 op 22 augustus 2006 is gebeurd. Ik had aan [verdachte] verteld dat ik geen geld had. [Verdachte] zei toen tegen mij dat hij pastoor [slachtoffer] kende die veel geld had. Ik ben met hem meegegaan. Wij zijn naar de kerk van [plaats A] gegaan. De priester verwachtte hem. De priester werd gebonden met tape bij zijn handen achter zijn rug. Ik heb hem op zijn zij gelegd. [Verdachte] ging het huis doorzoeken. Ik hoorde de priester zeggen dat hij een bos sleutels had waarmee de kluis opengemaakt kon worden. Ik bleef bij de priester. [Verdachte] ging met die sleutels de kluis openmaken. Hij kwam met geld. Ik vond het te lang duren. Wij hebben geld meegenomen vanuit de pastorie. Ik heb een deel van de buit gekregen. Wij zijn weggereden. Ik heb [verdachte] thuis afgezet met mijn auto.

(Persoonsdossier V02 [medeverdachte], 12e verhoor, pagina 93 e.v.):

Doordat ik in ernstige financiële problemen verkeerde ben ik meegegaan om de pastoor te overvallen.

Ik heb de armen van de pastoor achter zijn rug gebonden. De pastoor bleef zeggen dat hij rugpijn had. Ik probeerde zijn armen een beetje los te doen. Na ongeveer 1 uur dat de pastoor op het bed lag begon hij wat harder te praten en te hijgen. Zijn mond is toen met plakband bedekt.

(Algemeen dossier, pagina 70 e.v.)

Een politie proces-verbaal van de Technische Recherche Curaçao, voor zover inhoudende als relaas van de bevindingen van de verbalisant - zakelijk weergegeven:

In de slaapkamer waar het levenloze lichaam van de pastoor werd aangetroffen werden op de buiten- en binnenkant van de kastdeuren dactysporen van een rechterduim en linkerwijsvinger aangetroffen. Bij vergelijking met het dactyloscopische bestand van de herkenningsdienst zag ik dat de bedoelde afdrukken identiek waren aan de rechterduimafdruk en linkerwijsvingerafdruk van [medeverdachte]."

8. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachtes mededader de priester zodanig de mond en de neus met plakband heeft dichtgemaakt dat de priester daardoor nog tijdens de overval of zeer kort erna is overleden. Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte met zijn mededader het plan heeft opgevat de priester te overvallen, dat de medeverdachte op voorstel van de verdachte als eerste naar binnen is gegaan om de pastoor "in een positie te plaatsen" die verhinderde dat de pastoor de verdachte zou zien en dat verdachte heeft gezien dat de medeverdachte een vuurwapen en een rol tape meenam naar de priester. Verdachte kon derhalve verwachten dat er geweld zou worden aangewend.

9. Dat verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer, staat aan de redelijke toerekening van het gevolg niet in de weg. Art. 325 lid 3 NaSr vooronderstelt juist dat opzet op de dood ontbreekt. Wat de steller van het middel op dit punt naar voren brengt, snijdt dus weinig hout. Voor zover hij mocht hebben bedoeld aan te voeren dat de door de medeverdachte gepleegde doodslag aan toerekening in de weg staat omdat daardoor de causale keten is verbroken, steunt de klacht op een opvatting waarvan de Hoge Raad in HR 20 februari 2007, NJ 2007 m.nt. Reijntjes niet lijkt te hebben willen weten. Weliswaar ging het daarin om een in de conclusie ambtshalve aangedragen punt en stond in cassatie niet met zekerheid vast dat het slachtoffer door doodslag om het leven was gekomen, maar ik neem niet aan dat het oordeel van de Hoge Raad daarin zijn verklaring vindt.

10. Relevante verschillen met de casus in het zojuist genoemde arrest zie ik niet. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan derhalve worden afgeleid dat tussen de overval en de dood van de priester zodanig verband heeft bestaan dat de dood redelijkerwijs als gevolg van die overval aan verdachte kan worden toegerekend. Ik merk nog op dat volgens de raadsman van verdachte, gelet op p. 4 van zijn overgelegde pleitnota bij het Gemeenschappelijk Hof, wel van mening was dat zijn cliënt verantwoordelijk kan worden gehouden voor diefstal met geweld in vereniging de dood ten gevolge hebbend. Tot nadere motivering op dit punt was het Hof derhalve niet gehouden.

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

12. Ambsthalve wijs ik erop dat er meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van cassatie, waardoor de redelijke termijn in deze fase is overschreden. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden strafvonnis voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], 08/01780 A, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Ik merk hier op dat in de artt. 324 en 325 NASr de omstandigheid dat het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen als strafverzwarende omstandigheid is opgenomen en dat derhalve het aanhalen van art. 49 NASr minder juist is en de kwalificatie iets anders had moeten luiden, bijvoorbeeld: "diefstal, vergezeld van geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft".

3 Overigens de maximaal mogelijke straf in dit geval.

4 Dat de woning (de pastorie) bij de kerk hoorde en aan de [a-straat] is gesitueerd, volgt overigens niet uit de gebezigde bewijsmiddelen, maar daarover wordt niet geklaagd.