Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
07/13270
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2007:BB6358
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7239
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Onvolledigheid processtukken. 2. Schuld i.d.z.v. art. 169 Sr. Ad 1. Niet is gebleken dat de raadvrouw zich binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn heeft gewend tot de rolraadsheer t.a.v. het ontbreken van de even pagina’s van de ttz overgelegde pleitnota (vgl. HR LJN BG4245 en art. IV.3 Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad, Stcrt. 147), zodat de klacht niet tot cassatie kan leiden. Ad 2. Vooropgesteld zij dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld a.b.i. art. 169 Sr, i.c. het bewezenverklaarde ‘aanmerkelijk onachtzaam varen’, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Gelet op ’s Hofs vaststellingen en tegen de achtergrond van de van verdachte als schipper op een motortankschip te vergen zorgvuldigheid t.a.v. kwetsbare verkeersdeelnemers op het water, geeft het oordeel van het Hof dat verdachte zodanig onachtzaam heeft gevaren dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 169 Sr, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 21
NJ 2010, 6
VR 2010, 53
NJB 2010, 57
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13270

Mr. Knigge

Zitting: 8 september 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig verongelukt, terwijl het feit iemands dood tengevolge heeft; meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur.

2. Namens de verdachte heeft mr. Noorduyn, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de 'even pagina's' van de pleitnota (2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16 en18) zoals overlegd in hoger beroep ontbreken.

4. In de ingediende schriftuur wordt gesteld dat de raadsvrouwe telefonisch heeft geïnformeerd bij de strafgriffie van de Hoge Raad naar de ontbrekende pagina's van de pleitnota. Die stelling vindt in zoverre bevestiging in de stukken in het dossier dat daaruit blijkt dat de strafgriffie de raadsvrouwe "zoals besproken" de eerste twee pagina's van de pleitnota die in eerste aanleg is overgelegd heeft gefaxt op 26 mei 2008.(1) Daaruit heeft de raadsvrouwe kennelijk geconcludeerd dat de strafgriffie niet beschikte over de even pagina's van de pleitnota die in hoger beroep is overgelegd (zoals zij stelt in haar schriftuur). Het had mijns inziens op de weg van de raadsvrouw gelegen om, overeenkomstig de haar gedane mededeling bij het toezenden van een afschrift van de processtukken(2), (alsnog) een verzoek om aanvulling in te dienen bij de rolraadsheer(3). Dat verzoek had dan aanleiding kunnen geven om bij het Hof navraag te doen naar de ontbrekende pagina's. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsvrouw een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat de klacht niet tot cassatie kan leiden.

5. Het middel faalt.

6. Het tweede middel klaagt over de het oordeel van het Hof dat sprake is van 'schuld' in de zin van art. 169 Sr. Volgens de steller van het middel dient voor de invulling van dit begrip in dit artikel aansluiting gezocht te worden bij art. 6 WVW. De steller van het middel is van mening dat in onderhavige zaak bij de verdachte geen sprake is geweest van aanmerkelijk onachtzaam handelen.

7. Het Hof heeft ten aanzien van de schuld van de verdachte als volgt overwogen.

"Bewijs- en strafbaarheidverweer

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof haar verweer toegespitst op het te leveren bewijs van schuld als bedoeld in artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht en op de strafbaarheid indien het tenlastegelegde feit bewezen zou worden verklaard. Voor het bewijs van schuld als bedoeld in artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht is van belang of verdachte een verwijt gemaakt kan worden als ten laste is gelegd, te weten: een op grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig varen waardoor de aan- en overvaring is ontstaan, waardoor de voormelde opvarenden zijn gedood. Het hof stelt in het bijzonder op grond van de volgende overwegingen vast dat verdachte een zodanig verwijt gemaakt kan worden. Het maakt daarbij geen gebruik van de door de politie berekende tijdstippen van daarmee verbonden berekende vaarafstanden, aangezien deze op ongewisse aannames zijn gebaseerd. Verdachte is na de sluis Heumen4 het motorvrachtschip "[C]" (verder: [C]) gepasseerd. De getuige [getuige 1], als schipper varende op de [C], verklaarde dat het jachtje (hof: de [B]) op het kanaal vanaf de sluis Heumen voor haar constant zichtbaar was, te weten direct na het passeren van bedoelde sluis en ook voor en nadat de [A] haar voorbij gevaren was.5 Zij schat dat de [B] zich op dat moment ter hoogte van de Maldense brug bevond. Het hof stelt daarbij aan de hand van de zich in het dossier bevindende en tijdens de terechtzitting aan de orde geweest zijnde kaart vast dat de afstand van de sluis Heumen tot aan de Maldense brug meer dan 1500 meter, is6. De grootte van de 'dode hoek' van de [A] valt volgens de politie binnen de eisen van Bijlage II van het 'Binnenschepenbesluit Technische regelen voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten' en is daarmee in ieder geval niet groter dan 250 meter.7 De verdachte verklaarde ter terechtzitting van het hof dat andere van belang zijnde zichtbelemmerende omstandigheden zich voor de verdachte niet hebben voorgedaan8. Bovendien verklaarde verdachte tijdens de terechtzitting van de rechtbank: 'ik had het jacht moeten zien'9. Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat verdachte, ondanks de bedoelde dode hoek van de [A], de [B] vanaf de sluis Heumen gedurende langere tijd, heeft kunnen en moeten waarnemen.

Voorts geldt dat verdachte10 het op de oostelijke oever van het kanaal ter hoogte van kilometerraai 3.5 toen aanwezige bord B.8 (met onderbord: "roeiers") van de Bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement heeft gezien en daarop volgend niet bijzonder oplettend is geweest in verband met de daar mogelijk aanwezige vaartuigen, waaronder roeivaartuigen. Verdachte verklaarde ter terechtzitting bij het hof dat hij tijdens het varen in algemene zin altijd oplettend is en dat hij dat niet extra was naar aanleiding van het in zicht krijgen en het passeren van bedoeld bord. Gelet op het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte op aanmerkelijk onachtzame wijze11 met de [A] heeft gevaren met het eerder genoemde fatale gevolg voor de opvarenden van de [B]. Gelet op de overige bewijsmiddelen acht het hof het primair tenlastegelegde zoals hieronder weergegeven wettig en overtuigend bewezen.

voetnoten

4. De raadsman gaat in zijn pleitnota ten onrechte slechts uit van de situatie na de Maldense brug.

5. Verklaring van de deskundige getuige [getuige 1] d.d. 26-04-2006, proces-verbaal nr. 2006010244-28, bijlage 32, blz. 1 t/m 3.

6. Kaarten van Rijkswaterstaat, schaal 25000 en 500, proces-verbaal nr. 2006010244-28, bijlage 29.

7. Proces-verbaal nr. 2006010244-28, blz. 16 onder 7 sub 1. De raadsman heeft op grond van het deskundigenrapport van 19 september 2007gesteld dat de dode hoek van de [A] niet op juiste wijze door de politie zou zijn berekend, doch heeft niet het standpunt onderbouwd dat de [A] niet aan genoemde Regelingseisen voldoet.

8. Zie het relaas van de politie, proces-verbaal 2006010244-28, blz. 16 onder 7 sub 2 en bijlage 27.

9. Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Arnhem van 10 november 2006.

10. Zie verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof van 9 oktober 2007.

11. en daarmee met de in artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht vereiste schuld."

8. Gezien het feit dat het Hof, op basis van de door hem gebezigde bewijsmiddelen, heeft vastgesteld dat de verdachte de boot had kunnen en moeten waarnemen en dat verdachte, terwijl hij naar aanleiding van het daar aanwezige verkeersbord, dat door hem is waargenomen, niet extra oplettend is geweest, acht ik de vaststelling van het Hof dat de verdachte op aanmerkelijk onachtzame wijze heeft gevaren en dat er dus sprake is van schuld, niet onbegrijpelijk.

9. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het Hof had moeten aangeven welke concrete gedragingen van de verdachte tot het grove gebrek aan oplettendheid hebben geleid, faalt het middel omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Ik merk daarbij op dat van 'momentane' onoplettendheid geen sprake was. Vergelijk HR 17 februari 2009, LJN BH1442.

10. Het middel faalt.

11. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Er zijn twee faxen uitgegaan. De tweede keer is op het voorblad de vermelding "eerste twee pagina's" doorgestreept en vervangen door "alle even pagina's". Het aantal verzonden pagina's bleef steeds gelijk, namelijk, inclusief voorblad, drie.

2 Bij brief van 31 maart 2008 namens de Griffier van de Hoge Raad aan Sjöcrona Van Stigt Advocaten t.a.v. (...) mevrouw mr. C.W. Noorduyn. In deze brief is de passage opgenomen: "Indien naar uw oordeel afschriften van processtukken ontbreken en u wilt deze ontvangen, dient u dit- gelet op de wettelijke termijn voor het indienen van de cassatieschriftuur- zo spoedig mogelijk na ontvangst van deze brief kenbaar te maken. Een schriftelijk verzoek om toezending van ontbrekende stukken of nadere stukken kunt u richten aan de Hoge Raad, Strafgriffie, t.a.v. de Rolrechter op bovenvermeld faxnummer."

3 Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 17 juni 2008, NJ 2008, 360.