Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ7004

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08/03750
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Alimentatie gewezen echtgenoten. Verlenging op de voet van art. 1:157 lid 5 BW. Maatstaf (vgl. HR 19 december 2008, NJ 2009, 136). Stelplicht. Bewijslast. Motivering. Terugval in inkomsten ingrijpend. Gewone motiveringseisen voor beoordeling verlengingsverzoek ex art. 1:157 lid 5 BW. Aan strekking art. 1:157 BW niet te ontlenen dat aan omstandigheden die geen verband houden met huwelijk elk belang moet worden ontzegd. Dat arbeidsongeschiktheid na echtscheiding is ontstaan, staat er niet aan in de weg die bij beoordeling verlengingsverzoek in aanmerking te nemen. Gewicht arbeidsongeschiktheid afhankelijk van omstandigheden, waaronder de mogelijkheden die de alimentatiegerechtigde, gelet op diens leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond redelijkerwijs heeft gehad zich in de periode van twaalf jaar een eigen inkomen te verwerven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/55 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
RFR 2010, 3
NJ 2010, 63
RvdW 2009, 1304
NJB 2009, 2084
JWB 2009/409

Conclusie

Zaaknr. 08/03750

mr. Rank-Berenschot

Parket, 4 september 2009

Conclusie inzake:

[De man],

verzoeker tot cassatie,

adv. mr. J. van Duijvendijk-Brand,

tegen

[De vrouw],

verweerster in cassatie,

adv. mr. R.F. Thunnissen.

Deze zaak betreft een verzoek van verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) om, na ommekomst van de in art. 1:157 lid 4 BW bedoelde termijn van twaalf jaren, alsnog een termijn vast te stellen gedurende welke verzoeker tot cassatie (hierna: de man) gehouden blijft bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw (art. 1:157 lid 5 BW).

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

(i) Partijen zijn in 1970 gehuwd. Uit het huwelijk zijn in 1972 en 1975 twee kinderen geboren.(2)

(ii) Het huwelijk is op 17 november 1994 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgelijke stand.(3)

(iii) De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1946, was ten tijde van de ontbinding van het huwelijk 48 jaar oud. De kinderen waren op dat moment meerderjarig(4).

(iv) Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 23 februari 1995 is de door de man met ingang van 17 november 1994 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald op f 1.500 per maand.

(v) Bij beschikking van 15 maart 2000 van de rechtbank Alkmaar is op verzoek van de vrouw voormelde beschikking van het hof gewijzigd in die zin dat de daarbij vastgestelde uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2000 nader werd vastgesteld op f 2.500 per maand. Krachtens wettelijke indexering bedroeg die uitkering per 1 januari 2006 € 1.332 bruto per maand (hetgeen voor de vrouw neerkomt op € 1.000 netto per maand).

(vi) De verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw is met het verstrijken van de twaalf jaren termijn als bedoeld in art. 1:157 lid 4 BW op 17 november 2006 van rechtswege geëindigd.

(vii) De vrouw is alleenstaand en ontvangt een bijstandsuitkering van € 870 netto per maand, waarin begrepen een bijdrage voor thuiszorg van € 17 per maand. Voorts ontvangt zij een zorgtoeslag van € 37 per maand. Aan huur betaalt zij, verminderd met huurtoeslag, € 244 per maand.

1.2 Bij een op 18 januari 2007 bij de rechtbank Alkmaar ingediend verzoekschrift tot voortzetting van de alimentatieverplichting na 12 jaar ex art. 1:157 lid 5 BW heeft de vrouw verzocht - samengevat - de vastgestelde uitkering tot haar levensonderhoud primair 1. te verlengen met een periode van 12 jaar, te weten tot en met 16 november 2018; subsidiair 2. te verlengen met een periode van 4,5 jaar tot de datum waarop de man 65 jaar wordt, te weten 22 april 2011; meer subsidiair 3. gefaseerd af te bouwen in een periode van 12 jaar; meer subsidiair 4. gefaseerd af te bouwen in een periode van 4,5 jaar, dan wel meer subsidiair 5. te verlengen met een door de rechtbank vast te stellen periode. Ter onderbouwing heeft de vrouw - samengevat - aangevoerd dat zij tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt, ten tijde van de echtscheiding 48 jaar oud was, daarna veelvuldig doch tevergeefs heeft gesolliciteerd, vanaf 2000 gezondsheidsklachten heeft gekregen waardoor zij niet meer in staat is door arbeid in haar levensonderhoud te voorzien, en na beëindiging van de alimentatie in een financiële noodsituatie verkeert.

1.3 Bij beschikking van 18 juli 2007 heeft de rechtbank Alkmaar overwogen dat voor het aannemen van onaanvaardbaarheid van de beëindiging in de zin van art. 1:157 lid 5 BW sprake dient te zijn van een ingrijpende terugval in inkomsten.(5) De rechtbank is van oordeel a) dat sprake is van een relatief onbetekenende terugval ad € 30 per maand. In een overweging ten overvloede oordeelt de rechtbank voorts dat de vrouw b) onvoldoende heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om werk in loondienst te verkijgen, en c) onvoldoende gegevens heeft overgelegd met betrekking tot haar mogelijke arbeidsongeschiktheid. De rechtbank komt ten slotte tot het oordeel dat de gevolgen van beëindiging van de uitkering niet van ingrijpende aard zijn en wijst het verzoek van de vrouw af.

1.4 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de ten overvloede gegeven beslissingen b) respectievelijk c). Grief 3 is gericht tegen beslissing a).

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 juni 2008 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en de termijn van de alimentatieverplichting aldus vastgesteld dat deze eindigt op 17 maart 2011 - de datum waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd bereikt - , met bepaling dat verlenging van die termijn na ommekomst daarvan mogelijk is.

1.5 Bij verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 2 september 2008, heeft de man tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Van de zijde van de vrouw is een verweerschrift ingediend.

2. Inleiding

2.1 De voorliggende zaak vereist kennisneming van de achtergronden en uitgangspunten van art. 1:157 lid 5 BW en van hetgeen daarvan volgens de wetgever het gevolg is voor de concrete toepassing van de regeling door de rechter. De parlementaire geschiedenis vermeldt ter zake onder meer het volgende:

"Na ontbinding van het huwelijk dient als nawerking van (de verantwoordelijkheid voor elkaars bestaan die men door het huwelijk op zich neemt, A-G) een billijke vereffening plaats te vinden van de economische nadelen die het gevolg zijn van het huwelijk of van de zorg voor de kinderen na de scheiding. (...) De verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen, houdt weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. Bij het antwoord op de vraag hoe ver deze onderhoudsverplichting zich moet uitstrekken is mede richtinggevend de duur van de door het huwelijk bepaalde behoeftigheid. Door de verdeling van de taken in het huwelijk kunnen verschillen ontstaan in de maatschappelijke mogelijkheden. Zo kan de rol van de vrouw in het huwelijk en de zorg die zij op zich heeft genomen voor de kinderen in en na de beëindiging van het huwelijk met zich brengen dat zij na het huwelijk is aangewezen op een bijdrage van de man. De huwelijksgerelateerde behoeftigheid zal vaak na zekere tijd zijn uitgewerkt. De omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde nog niet zelfstandig in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien, kan dan niet meer aan het huwelijk worden toegekend, maar kan voortvloeien uit andere maatschappelijke omstandigheden, bij voorbeeld de situatie op de arbeidsmarkt."(6)

"Hoewel de huwelijksgebonden behoeftigheid richtinggevend kan zijn voor de beslissing omtrent de alimentatieplicht, houdt de in dit wetsontwerp voorgestelde regeling zeker niet in dat de rechter in alle gevallen de causaliteit tussen huwelijk en behoeftigheid moet vaststellen, nog daargelaten of hij daartoe, gelet op de beschikbare gegevens, altijd wel in staat zou zijn."(7)

"Beëindiging van de uitkering als gevolg van het verstrijken van de termijn kan van zo ingrijpende aard zijn dat de onderhoudsplichtige in redelijkheid niet van zijn verplichting mag worden ontslagen. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn indien als gevolg van het huwelijk of de daaruit voortvloeiende verplichtingen de onderhoudsgerechtigde ondanks de termijn van 12 jaar onvoldoende mogelijkheden heeft gehad zijn leven zodanig in te richten dat deze in eigen levensonderhoud kan voorzien. Een dergelijke situatie zal zich bij voorbeeld kunnen voordoen indien de vrouw na de scheiding de zorg voor de nog jonge kinderen van partijen op zich heeft genomen. De rechter behoeft overigens niet na te gaan of de behoeftigheid huwelijksgerelateerd is. Bepalend blijven allereerst behoefte (hoe ook ontstaan) en draagkracht, zij het dat ook andere factoren, bijvoorbeeld de duur van het huwelijk (...) een rol kunnen spelen."(8)

"Van belang kan dan (bij beoordeling van het verlengingsverzoek, A-G) zijn de vraag in hoeverre de omstandigheden van de gerechtigde hun oorzaak vinden in het ontbonden huwelijk. De (...) regeling biedt ruimte om (...) tevens rekening te houden met de rolverdeling binnen het huwelijk en de mogelijkheden die bestonden om naar financiële onfhankelijkheid te streven."(9)

"Als voorbeeld kunnen worden genoemd de duur van het huwelijk, de leeftijd van de alimentatiegerechtigde en de eisen die aan de alimentatiegerechtigde in redelijkheid gesteld konden worden en dergelijke (...), zij het dat zij mede gewogen moeten worden tegen de achtergrond van de limiteringsgedachte (...). Duidelijk moge zijn dat het bij die benadering ook past dat, naarmate het huwelijk langer heeft geduurd en de vrouw door de in het huwelijk aangehouden werkverdeling in een ongunstiger positie is komen te verkeren op de arbeidsmarkt, voor verlenging eerder reden is."(10)

"Voorts menen wij dat bij de beoordeling van het voorstel niet kan worden voorbijgegaan aan de rechtsgrondslag van de alimentatie. Alimentatie is geen (...) verzekering tegen iedere tegenslag na verbreking van het huwelijk. Door de werkverdeling in het huwelijk kunnen kansen op de arbeidsmarkt worden geschaad. Voor dergelijke nadelen moet een billijke vereffening plaatsvinden."(11)

"Aan de hand van de concrete omstandigheden van partijen worden de mate waarin en de periode waarvoor dergelijke nadelen (economische nadelen als gevolg van het huwelijk, A-G) aan de kant van de ene echtgenoot redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de andere echtgenoot, bepaald. Daarmede wordt ook de grens aangegeven tussen de privaatrechtelijke verplichting en de publieke zorg. Een tekort aan werkgelegenheid als algemeen maatschappelijk probleem kan niet worden afgewenteld op een privaatrechtelijke onderhoudsplicht. Evenwel een minder goede positie op de arbeidsmarkt die (mede) voortvloeit uit het huwelijk of de daarin aangehouden werkverdeling kan wèl leiden tot een voortgezette onderhoudsplicht van een gewezen echtgenoot."(12)

2.2 Mede tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Uw Raad in een eerste richtinggevende uitspraak van 19 december 2008, NJ 2009, 136 m.nt. SFMW als volgt nader invulling gegeven aan de regeling van art. 1:157 lid 5 BW:

"3.3.1 (...) De met ingang van 1 juli 1994 als gevolg van het in werking treden van de Wet limitering alimentatie na scheiding (Stb. 1994, 324 en 325); hierna: WLA) in het Burgerlijk Wetboek opgenomen limiteringsregeling bepaalt in art. 1:157 lid 4 BW dat de verplichting tot levensonderhoud na echtscheiding van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit eindigen van de alimentatieplicht na ommekomst van voormelde termijn heeft een in beginsel definitief karakter, en vindt plaats ongeacht de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van deze termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter evenwel ingevolge lid 5 van art. 1:157 op verzoek van de tot uitkering gerechtigde een nieuwe termijn vaststellen. Voor deze verlenging zijn bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde nodig, en deze draagt ook de stelplicht en bewijslast terzake. In de parlementaire geschiedenis is het uitzonderingskarakter van deze verlengingsmogelijkheid benadrukt. Zie onder meer de passages uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel, weergegeven in punt 3.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. "De grondgedachte van het ontwerp", aldus de staatssecretaris van Justitie bij de mondelige behandeling van het wetsvoorstel, "is dat, wanneer tussen twee personen de band van het huwelijk wordt geslaakt, ook aan de financiële banden op termijn een eind moet kunnen komen" (Handelingen II, 1986-1987, blz. 101-5207). Het uitzonderingskarakter van de regeling is ook benadrukt in de memorie van antwoord, Kamerstukken II, 1986-1987, 19 295, nr. 6, blz. 5, waar werd opgemerkt:

"Indien men op ondersteuning blijft aangewezen door omstandigheden buiten het huwelijk, rechtvaardigt dat niet dat gewezen echtgenoten door alimentatie levenslang aan elkaar gebonden blijven. Men mag naar onze mening niet via de burgerrechtelijke onderhoudsverplichting een gewezen echtgenoot eindeloos verantwoordelijk houden voor een bepaalde maatschappelijke situatie."

De wetgever is voorts ervan uitgegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, ook wanneer dit moet gebeuren naast de zorg voor minderjarige kinderen uit het huwelijk, en dat dit ook in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden.

3.3.2 Of er grond bestaat voor verlenging zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Het gaat in de eerste plaats erom of aan de zijde van de alimentatiegerechtigde bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die, gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre zijn of haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk, en of hij of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

Indien de rechter de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde in beginsel zwaarwegend genoeg acht, zal hij vervolgens ook omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder zijn of haar draagkracht, in zijn beoordeling moeten betrekken.

(...)

3.5 Het middel betoogt met een beroep op de in punt 3.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven beschikkingen van de Hoge Raad (uitgesproken op 26 maart 1999, NJ 1999, 653, 654 en 655 m.nt. SFMW, A-G), dat voor het afwijzen van een verlengingsverzoek even hoge motiveringseisen gelden als voor de in die beschikkingen aan de orde zijnde beëindigingsverzoeken (ex art. II lid 2 WLA ter zake van 'oude gevallen', A-G). Dit is echter niet het geval. (...) Er is geen reden om aan een afwijzing van een op art. 1:157 lid 5 BW gebaseerd verlengingsverzoek andere dan de gewone motiveringseisen te stellen."

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen het oordeel van het hof dat van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de alimentatieverplichting op grond van art. 1:157 lid 4 BW wordt beëindigd (rov. 4.7) zodat de alimentatieduur met toepassing van art. 1:157 lid 5 BW dient te worden verlengd. Het middel valt uiteen in vier onderdelen.

3.2 Onderdeel 1 heeft betrekking op de rov. 4.5 en 4.6 waarin het hof kennelijk oordeelt over grief 3, gericht tegen het oordeel van de rechtbank - die daarbij uitging van een netto alimentatie van € 900 - dat sprake is van een relatief onbetekenende terugval in inkomsten. Na in rov. 4.4 de regel van art. 1:157 lid 5 BW te hebben weergegeven overweegt het hof:

"4.5 De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake is van een ingrijpende inkomstenterugval, nu beëindiging van de uitkering tot haar levensonderhoud van ongeveer € 1.000,- netto per maand ten opzichte van een bijstandsuitkering van € 870,- netto per maand leidt tot een inkomensachteruitgang van € 130,- per maand. Een dergelijke vermindering acht de vrouw, gezien het geringe inkomen, een zeer ingrijpende inkomensterugval. De man heeft hiertegen opgeworpen dat de vrouw naast haar bijstandsuitkering recht heeft op toeslagen en kwijtscheldingen van het betalen van rioolrechten, verontreinigingsheffing en onroerend zaak belasting van in totaal € 85,- per maand, zodat geen sprake is van een achteruitgang in inkomen van € 130,- per maand, zoals de vrouw heeft gesteld, maar van € 45,- per maand. In aanmerking genomen dat de vrouw haar behoefte zelf heeft berekend op een bedrag van € 931,- per maand is niet aannemelijk geworden, aldus de man, dat de vrouw door het wegvallen van de alimentatie in een noodtoestand is komen te verkeren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vrouw - onbetwist - gesteld dat zij voor deze door de man genoemde financiële toeslagen en kwijtscheldingen ook in aanmerking komt bij een alimentatie van € 1.000,- netto per maand, zodat er verder van moet worden uitgegaan dat de terugval in inkomsten € 130,- per maand blijft.

4.6 Bij de beantwoording van de vraag of beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de 12-jaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden komt dus verder geen betekenis toe aan de door de man genoemde voordelen.

4.7 Op grond van het vorenstaande en rekening houdende met de duur van het huwelijk, de omstandigheid dat de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk en de verzorging en opvoeding van de kinderen negatief is beïnvloed, het door partijen gekozen traditionele rolpatroon en in aanmerking genomen dat bij beëindiging van de alimentatie de vrouw voor haar levensonderhoud aangewezen zal zijn op een inkomen op bijstandniveau, is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de alimentatieverplichting wordt beëindigd."

3.3 Geklaagd wordt dat het hof in rov. 4.6 ten onrechte niet, althans niet kenbaar, de vraag heeft beantwoord of de door hem veronderstelde financiële terugval van € 130 op een alimentatie van € 1.000 als substantieel, althans niet als relatief onbetekenend is aan te merken.(13) Daartoe wordt in subonderdeel 1.1, onder verwijzing naar het verweerschrift van de man in hoger beroep, de reactie op grief 3, aangevoerd dat de vraag of de terugval al dan niet ingrijpend is, tussen partijen voorwerp van debat is geweest.

Het subonderdeel moet mijns inziens falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Grief 3 strekt, als gezegd, tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake is van een ingrijpende inkomensterugval. Het hof heeft de inhoud van deze grief weergegeven in rov. 4.5, daaronder begrepen de stelling van de vrouw dat een inkomensachteruitgang van € 130 per maand bij een netto alimentatie van € 1.000 per maand zeer ingrijpend is. In zijn verweerschrift heeft de man zich, zoals het subonderdeel stelt, primair op het standpunt gesteld dat, ook zonder rekening te houden met de aan de vrouw toekomende financiële voordelen, een terugval van € 130 op een alimentatie van € 1.000 relatief onbetekenend is. In het licht van deze stellingen van partijen moeten de overwegingen van het hof, mede gelet op zijn verwijzing naar "het vorenstaande" en zijn overweging dat de vrouw aangewezen zal zijn op een inkomen op bijstandsniveau (beide in rov. 4.7), kennelijk aldus worden verstaan dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een ingrijpende inkomensterugval.

De aan het slot van het subonderdeel tegen dit oordeel gerichte rechtsklacht faalt. Het oordeel dat een terugval met € 130 bij een alimentatie van € 1.000 ingrijpend is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.(14)

3.4 Subonderdeel 1.2 richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof (rov. 4.5 slot en rov. 4.6) dat bij de beoordeling geen betekenis toekomt aan de door de man genoemde voordelen en dat moet worden uitgegaan van een terugval in inkomsten van € 130 per maand.

Deze klacht slaagt. De man heeft reeds in eerste aanleg het verweer gevoerd dat de vrouw als bijstandsgerechtigde in aanmerking kan komen voor een hogere huurtoeslag en vrijstelling van gemeentelijke heffingen (verweerschrift sub 10 en proces-verbaal mondelinge behandeling, p. 2 en 3), zodat de netto inkomensachteruitgang van € 130 per maand voor een deel wordt opgevangen. Dit is in eerste aanleg niet door de vrouw betwist, terwijl uit de door haar bij brief van 18 juni 2007 overgelegde brief van 31 mei 2006 van de gemeente blijkt dat haar verzoek tot kwijtschelding van gemeentelijke belastingen voor het jaar 2006 - toen zij nog alimentatie ontving - is afgewezen. In haar appelschrift weerspreekt de vrouw voornoemde stellingen van de man niet. Bij zijn verweer tegen grief 3 herhaalt de man zijn stellingen, onderbouwd met cijfers en met verwijzingen naar stukken zoals de behoefteberekening van de vrouw - hierin worden bedragen opgevoerd ter zake van rioolrechten, verontreinigingsheffingen, OZB en huishoudelijke hulp - en de door haar overgelegde uitkeringsspecificaties, waaruit blijkt dat de vrouw voor kosten van huishoudelijke hulp een bijzondere bijstand ontvangt.(15) Ter zitting van het hof heeft de man deze stellingen herhaald. In het licht van de met cijfers en stukken gestaafde stellingen van de man is onbegrijpelijk dat het hof tot voornoemd oordeel komt op grond van de enkele verwijzing naar de blote stelling namens de vrouw - op wie de bewijslast rust - dat zij de door de man genoemde toeslagen destijds ook al ontving (proces-verbaal p. 2). Dit oordeel kan dan ook geen stand houden. Na verwijzing zal de omvang van de inkomensterugval opnieuw moeten worden beoordeeld.

3.5 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.3 van de bestreden beschikking, waarin het hof de grieven 1 en 2 gezamenlijk beoordeelt. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:

"4.3 Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

Partijen zijn 24 jaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De vrouw heeft een opleiding tot kleuterleidster gevolgd en werkte als zodanig vóór en tijdens het huwelijk tot de geboorte van de kinderen. Gedurende het huwelijk heeft de vrouw geen betaalde werkzaamheden verricht en had zij de zorg voor de kinderen van partijen. De man was kostwinner. Na de echtscheiding in 1994 - de vrouw was toen 48 jaar oud - heeft zij vergeefs vele malen gesolliciteerd. In 1993 werd bij haar borstkanker geconstateerd en heeft zij een operatie ondergaan. Na de echtscheiding heeft de vrouw ingeschreven gestaan bij het arbeidsbureau. Voorts heeft zij van 1996 tot 1999 een aantal cursussen gevolgd, waaronder een beroepenoriëntatiecursus, een sollicitatiecursus en diverse computercursussen, zonder dat dit heeft geresulteerd in een betaalde baan. In het jaar 2000 is bij haar fibromyalgie geconstateerd. In 2005 waren de klachten van dusdanige aard dat zij via thuiszorg hulp in de huishouding heeft gekregen. Blijkens een indicatiebesluit van 12 april 2005, geldig tot 14 april 2010, komt de vrouw in aanmerking voor huishoudelijke verzorging en zorg in natura omdat bij haar sprake is van zodanige fysieke en conditionele beperkingen dat zij niet in staat is tot het uitvoeren van zwaardere huishoudelijke activiteiten.

Bij voormelde beschikking van het hof van 23 februari 1995 is reeds overwogen dat niet voorzien kon worden of de vrouw, mede gelet op haar leeftijd, haar gezondheid en de situatie op de arbeidsmarkt, in staat zou zijn om op termijn door arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien. Bij voormelde beschikking van 15 maart 2000 heeft de rechtbank Alkmaar overwogen dat door de man niet aannemelijk is gemaakt dat de vrouw in de toekomst betaalde werkzaamheden zou kunnen vinden, waardoor zij volledig in eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Die situatie is, gelet op hetgeen hiervoor omtrent de gezondheid van de vrouw is vermeld, na 2000 verslechterd. Het hof is dan ook van oordeel dat de mogelijkheden van de vrouw om na 2000 betaalde werkzaamheden te vinden, gelet op haar leeftijd en haar gezondheid, gering waren en dat in die situatie sedertdien geen verbetering is gekomen. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, mede op grond van haar gezondheid, niet [in] staat is geweest en ook thans niet in staat is door arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien."

3.6 In subonderdeel 2.1, verder uitgewerkt onder 2.2, wordt geklaagd dat het hof door in de tweede alinea van rov. 4.3 te verwijzen naar de beschikking van het hof van 23 februari 1995 en naar de beschikking van de rechtbank van 15 maart 2000 en (mede) daarop zijn in de slotzin van de overweging vervatte oordeel te baseren, de regels inzake stelplicht en bewijslast heeft miskend en voor zijn beoordeling een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Daartoe wordt aangevoerd dat de oordelen waarnaar het hof verwijst zijn gegeven in eerdere procedures waarin de man, tegenover het verzoek van de vrouw tot (verhoging van de) alimentatie, heeft verzocht de alimentatietermijn te limiteren voordat de termijn van twaalf jaren was verstreken. In die procedures rustten de stelplicht en de bewijslast op de man. Volgens het subonderdeel mag het hof de eerdere oordelen van het hof en de rechtbank, die er op neerkomen dat de man niet aan zijn stelplicht en bewijslast heeft voldaan, niet (mede) ten grondslag leggen aan zijn oordeel in het kader van de onderhavige procedure ex art. 1:157 lid 5 BW, waarin de stelplicht en de bewijslast op de vrouw rusten. Althans mocht het hof deze oordelen niet overnemen zonder zich zelfstandig een oordeel te hebben gevormd over de feiten en omstandigheden in de periode waarop deze beschikkingen van hof en rechtbank betrekking hadden, aldus het subonderdeel.

3.7.1 Het subonderdeel merkt terecht op dat de inhoud van de beschikking van het hof van 23 februari 1995(16) niet correct is weergegeven. In die beschikking heeft het hof bij de beoordeling van het verzoek van de man om de onderhoudsplicht jegens de vrouw tot twee jaar te beperken, "omdat, gelet op onder meer haar opleiding, de diverse cursussen die zij tijdens het huwelijk van partijen gevolgd heeft en de kansen en ontplooiings-mogelijkheden die zij toentertijd heeft gekregen, te verwachten is dat zij binnen twee jaar een baan kan krijgen, waarmee zij in eigen levensonderhoud kan voorzien", als volgt geoordeeld:

"Dienaangaande wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat de uitkering te beperken tot de duur van twee jaar, omdat niet is te voorzien of de vrouw, mede gelet op haar leeftijd, haar gezondheidstoestand, de situatie op de arbeidsmarkt en het feit dat zij zich gedurende het huwelijk grotendeels met het huishouden heeft beziggehouden op een thans te bepalen tijdstip in staat zal zijn door arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien."

Het hof heeft dan ook niet geoordeeld dat niet voorzien kon worden of de vrouw in staat zou zijn om op termijn in eigen levensonderhoud te voorzien, doch of zij daartoe in staat zou zijn op een op dat moment te bepalen tijdstip.

In de door het hof aangehaalde beschikking van 15 maart 2000(17) heeft de rechtbank op het verzoek van de man de alimentatieduur te limiteren tot 17 november 2000 als volgt geoordeeld:

"De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de uitkering te beperken tot 17 november 2000. Met betrekking tot een beperking van de alimentatieduur, zoals door de man voorgesteld, rust op de man een zware stelplicht. Hetgeen de man daartoe thans aanvoert is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De door de man in zijn pleitnota genoemde regelingen, die allen uitgaan van de situatie, dat de vrouw een bijstandsuitkering geniet, zijn voorshands niet van toepassing op de situatie van de vrouw. Door de man is voorts niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw, op de door hem voorgestelde beëindigingsdatum een baan zou kunnen hebben, waardoor zij volledig in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien, indien de vrouw wel van de voor haar bestaande mogelijkheden binnen de grenzen van wat van haar gevergd kon worden, gebruik had gemaakt.

De rechtbank merkt op dat van de vrouw wel gevergd kan worden dat zij zich blijft inzetten om betaalde werkzaamheden te vinden."

3.7.2 Het subonderdeel is terecht voorgesteld. Zoals in de onder 2.2 aangehaalde beschikking van 19 december 2008 is benadrukt, draagt de alimentatiegerechtigde die een beroep doet op art. 1:157 lid 5 BW de stelplicht en bewijslast van bijzondere omstandigheden aan zijn/haar zijde - zoals de omstandigheid dat hij of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze kan worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken -, die meebrengen dat handhaving van de twaalf jaren termijn niet kan worden gevergd. Ter zake van het herhaald verzoek tot limitering rustte de stelplicht omtrent de arbeidscapaciteit van de vrouw echter bij de man. Het in de beslissingen van 1995 en 2000 vervatte oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw wel in staat zou zijn respectievelijk zou moeten zijn geweest om in november 1996 respectievelijk november 2000 in eigen levensonderhoud te voorzien, is echter een wezenlijk ander oordeel dan het thans bestreden oordeel van het hof dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is geweest in de bewuste periode in eigen levensonderhoud te voorzien. Het laatste vloeit niet rechtstreeks uit het eerste voort. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden geoordeeld over de arbeidscapaciteit van de vrouw in de periode 1994-2000.

3.8 Subonderdeel 2.5 - het middel onder 2.3 en 2.4 bevat geen zelfstandige klacht - klaagt dat het hof in rov. 4.7 aan zijn beslissing mede ten grondslag legt (i) de vaststelling dat de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk en de verzorging en opvoeding van de kinderen negatief is beïnvloed en (ii) het door partijen gekozen traditionele rolpatroon. Deze kennelijk op rov. 4.3(18) gebaseerde oordelen zijn, aldus het middel, onbegrijpelijk en berusten op een ongeoorloofde aanvulling van de feiten.

Het onderdeel faalt. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw vroeg in het huwelijk van partijen is gestopt met werken om voor de kinderen te gaan zorgen en dat vervolgens ook is blijven doen (zie bijv. het inleidend verzoekschrift onder 5 en de reactie daarop in het verweerschrift onder 4 en voorts de op dit punt onbestreden toelichting op grief 1 in het appelschrift van de vrouw). Het hof mocht hieruit afleiden dat partijen hebben gekozen voor het traditionele rolpatroon en dat de verdiencapaciteit van de vrouw hierdoor negatief is beïnvloed. Dat, zoals de man heeft gesteld, de vrouw tijdens haar huwelijk cursussen heeft gevolgd, de man er bij haar op heeft aangedrongen om, nadat het jongste kind naar de basisschool ging, weer te gaan werken en de vrouw zelf heeft aangegeven daartoe regelmatig maar tevergeefs te hebben gesolliciteerd, maakt dit oordeel niet onbegrijpelijk.

3.9 De subonderdelen 2.6-2.9 zijn met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen de vaststelling van het hof in rov. 4.3 dat de vrouw na de echtscheiding in 1994 tevergeefs vele malen heeft gesolliciteerd. Deze klachten slagen.

Op de vrouw rust de stelplicht en eventuele bewijslast van haar inspanningen om in eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft de door de vrouw gestelde (vele) sollicitaties betwist en daarbij gewezen op het ontbreken van zowel bewijsstukken als enig gespecificeerd sollicitatieoverzicht (verweerschrift eerste aanleg onder 9). De vrouw heeft, door de rechtbank verzocht(19) om overlegging van bewijsstukken van sollicitatiepogingen, volstaan met het overleggen van twee bewijzen van inschrijving bij het CWI voor 16 uur per week.(20) Ter terechtzitting heeft zij aangegeven alle bewijsstukken ter zake van sollicitaties in 2005 te hebben weggegooid.(21) De man heeft in hoger beroep gesteld dat niet aannemelijk is dat de vrouw alle bewijsstukken van sollicitatieactiviteiten heeft weggegooid omdat zij moest begrijpen dat zij deze nodig zou hebben voor verlenging van de alimentatie, waarbij hij er - onweersproken - op heeft gewezen dat dit aspect bij de eerdere alimentieprocedures nu juist een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Voorts heeft hij gesteld dat de vrouw geen aantoonbare pogingen heeft gedaan om alsnog bewijzen van haar sollicitatieactiviteiten te leveren (verweerschrift in appel n.a.v. grief 1; pleitnota sub 4). Ten slotte heeft de man onweersproken gesteld dat hij de vrouw in zijn hoedanigheid van gemeentelijk coördinator werkgelegen-heidsbevordering zeer veel vacatures heeft aangereikt, waarop hij van de vrouw nooit enige reactie heeft ontvangen (proces-verbaal 19 juni 2007, p. 2; verweerschrift in appel n.a.v. grief 1). In het licht van het vorenstaande is het bestreden oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat de vrouw is ontheven van haar verplichting bewijs te leveren van haar sollicitaties omdat zij de bewijzen van haar sollicitaties heeft weggegooid, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. De gevolgen van een dergelijke handelwijze komen, zoals de rechtbank terecht - in appel onbestreden - heeft overwogen, voor eigen risico.

3.10 Subonderdeel 2.10 behelst motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in de tweede alinea van rov. 4.3 dat (i) de situatie van de vrouw, gelet op hetgeen het hof eerder (kennelijk in de eerste alinea van rov. 4.3) had overwogen omtrent de gezondheid van de vrouw, na 2000 is verslechterd, (ii) de mogelijkheden van de vrouw om na 2000 betaalde werkzaamheden te vinden, gelet op haar leeftijd en haar gezondheid, dan ook gering waren en dat in die situatie sedertdien geen verbetering is gekomen, en (iii) de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, mede op grond van haar gezondheid, niet in staat is geweest en ook thans niet in staat is door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

In dit verband wordt in de eerste plaats geklaagd dat 's hofs vaststelling dat in het jaar 2000 bij de vrouw fibromyalgie is geconstateerd (rov. 4.3, eerste alinea) onbegrijpelijk is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, die er op gewezen heeft dat volgens het overzicht van de huisarts, overgelegd als productie 8 bij het inleidend verzoekschrift, pas in augustus 2006 van die aandoening melding is gemaakt.(22) Deze klacht faalt. Uit de bij brief van 7 juni 2007 door de vrouw achter het blad "gegevens fibromyalgie" overgelegde producties - een afsprakenkaart en een verwijsformulier - blijkt dat deze aandoening ook in 2004 en 2005 al bekend was, zodat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de desbetreffende stelling van de vrouw onvoldoende was betwist.

Voorts wordt geklaagd dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de stellingen van de man(23) waarmee hij betwist dat de vrouw vanaf 2000 vanwege lichamelijke klachten in het geheel geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten, daaronder begrepen zijn stelling dat ter zake geen bewijsstukken zijn overgelegd en dat zulks ook niet blijkt uit het in rov. 4.3, eerste alinea vermelde indicatiebesluit(24) waarop het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd. Deze klacht ziet eraan voorbij dat het hof niet oordeelt dat de vrouw vanaf 2000 volledig arbeidsongeschikt was, maar dat zijn oordeel er kennelijk op neer komt dat vanaf 2000 sprake was van gezondsheidsklachten die - naast de leeftijd van de vrouw - een negatieve invloed hadden op de kansen van de vrouw op de arbeidsmarkt. Mede in het licht van de stelling van de vrouw dat zij nog tot 2005 heeft gesolliciteerd(25), is dit oordeel niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.

Het subonderdeel faalt derhalve.

3.11 Onderdeel 3 klaagt, onder verwijzing naar HR 28 januari 2000, NJ 2000, 391, dat het hof in zijn rov. 4.7 heeft miskend dat de omstandigheid dat de vrouw bij beëindiging van de alimentatie op een inkomen op grond van de Wet werk en bijstand zal zijn aangewezen niet van bijzonder gewicht is voor verlenging van de alimentatietermijn. In bedoelde beschikking is, naar aanleiding van de klacht dat beëindiging van een onderhoudsverplichting op grond van art. II, tweede lid WLA met als reden dat de alimentatiegerechtigde kan terugvallen op een bijstandsuitkering in strijd is met de complementaire strekking van de Algemene Bijstandwet, beslist dat het feit dat de alimentatiegerechtigde bij beëindiging van de alimentatieplicht zal zijn aangewezen op een bijstandsuitkering in beginsel niet aan beëindiging in de weg staat.

De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel niet mede gebaseerd op de omstandigheid dat de vrouw zal zijn aangewezen op een bijstandsuitkering als zodanig, doch op de omstandigheid dat zij zal zijn aangewezen op een inkomen op bijstandsniveau, waarmee het kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat sprake is van een relevante inkomensterugval. Ik verwijs in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 3.3 is betoogd.

Het onderdeel bevat ook nog de rechtsklacht dat het hof in rov. 4.7 heeft miskend dat slechts relevant kan zijn of sprake is van een substantiële althans niet onbetekenende inkomensterugval. Ten slotte wordt, onder verwijzing naar de (sub)onderdelen 1 tot en met 1.2, met een subsidiaire motiveringsklacht betoogd dat van zodanige relevante inkomensterugval geen sprake is. Het falen van de (sub)onderdelen 1 tot en met 1.2 brengt mee dat ook deze klachten falen.

3.12 Onderdeel 4 bevat in de eerste plaats een rechtsklacht, uitgewerkt in subonderdeel 4.1, inhoudende dat het hof voor zijn oordeel dat de vrouw niet in staat is (geweest) in eigen levensonderhoud te voorzien (rov. 3.4, slot) en zijn mede daarop voortbouwende oordeel dat beëindiging van de alimentatieverplichting in redelijkheid niet kan worden gevergd (rov. 4.7) ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gezondsheidstoestand van de vrouw. Betoogd wordt, samengevat, dat haar gezondheidstoestand geen grondslag kan vormen voor een verlenging van de alimentatietermijn, omdat de gezond-heidstoestand van de vrouw niet als een gevolg van het huwelijk kan worden aangemerkt waarvoor de man meer dan twaalf jaren na de scheiding nog verantwoordelijk kan worden gehouden.(26) Het middel wijst er in dit verband op dat alimentatie in de visie van de wetgever strekt tot vereffening van de na de scheiding voortdurende economische nadelen die door het huwelijk zijn veroorzaakt.

Het middel kan worden toegegeven dat verschillende passages uit de parlementaire geschiedenis als hiervoor onder 2.1 aangehaald steun geven aan de gedachte dat, gelet op de rechtsgrondslag van alimentatie, bij de beoordeling van het verlengingsverzoek slechts omstandigheden in aanmerking mogen worden genomen die in causaal verband staan met het huwelijk. Daarbij sluit aan de overweging in de onder 2.2 aangehaalde beschikking van Uw Raad dat bij de beoordeling van belang zal kunnen zijn in hoeverre de behoefte van de alimentatiegerechtigde nog verband houdt met het huwelijk (rov. 3.3.2). Daar staat echter tegenover dat tezelfdertijd in andere passages de betekenis van het causaal verband herhaaldelijk wordt gerelativeerd. Voorts is in de parlementaire geschiedenis met betrekking tot art. 1:157 lid 5 BW de betekenis van de gezondheidstoestand van de alimentatiegerechtigde met zoveel woorden aan de orde gesteld. Op een vraag uit de Vaste Commissie uit de Eerste Kamer of tot de relevante factoren ook behoort de gezondheidstoestand of de arbeidsongeschiktheid van de alimentatiegerechtigde(27) heeft de staatssecretaris geantwoord dat het duidelijk moge zijn dat de rechter deze omstandigheden bij zijn beoordeling kan betrekken.(28) Dezelfde vraag is gesteld naar aanleiding van art. II, tweede lid WLA. Ook die vraag is door de staatssecretaris positief beantwoord.(29) Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat tot de door de rechter in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde ook zijn of haar gezondheid of arbeidsongeschiktheid kan behoren. Daarbij gaat het dan met name om de mogelijkheden van de alimentatiegerechtigde, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achter-grond in aanmerking genomen, om zich in twaalf jaar een eigen inkomen te verwerven.(30) In de beschikking van Uw Raad van 26 maart 1999, NJ 1999, 655 m.nt. SFMW wordt eveneens met zoveel woorden betekenis gehecht aan de gezondheidstoestand van de alimentatiegerechtigde.(31) Ik zou menen dat na de scheiding opkomende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid slechts geacht zou moeten worden het causaal verband tussen behoeftigheid en huwelijk te verbreken indien de alimentatiegerechtigde, ondanks het huwelijk, ten tijde van de beëindiging daarvan niet in een achterstandspositie op de arbeidsmarkt verkeerde, bijvoorbeeld indien zij/hij een ononderbroken arbeidsverleden heeft.(32)

3.13 Subonderdeel 4.2 bevat een motiveringsklacht, uitgewerkt onder 4.3 en 4.4. Anders dan het middel ben ik van mening dat het hof uit de stellingen van de man waarnaar wordt verwezen(33) niet had behoeven afleiden dat de man zich op het standpunt stelde dat de gezondheidstoestand van de vrouw geen grondslag kan vormen voor verlenging van de alimentatieplicht. Hierop stuit het subonderdeel af.

3.14 Uit het vorenstaande onder 3.4, 3.7.2 en 3.9 vloeit voort dat de beschikking van het hof geen stand kan houden.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Beschikking van het hof, rov. 2.1-2.6; 4.4.

2 Zie het op dit punt onweersproken verweerschrift in eerste aanleg onder 4.

3 Zie ook inleidend verzoekschrift onder 2, onder verwijzing naar prod. 3.

4 Volgens rov. 3.1 van de beschikking van het hof Amsterdam van 23 februari 1995 waren zij ten tijde van die beschikking 22 respectievelijk 19 jaar oud.

5 Tegen deze overweging is geen grief gericht.

6 MvT, TK 1985-1986, 19 295, nr. 3, p. 6. Zie over het tot een einde komen van de verantwoordelijkheid als rechtvaardiging voor de limitering in oude gevallen (art. II lid 2 WLA) ook MvT, TK 1990-1991, 22 170, nr. 3, p. 2, 4; Nota, TK 1991- 1992, 22 170, nr. 6, p. 2.

7 MvT, TK 1985-1986, 19 295, nr. 3, p. 11.

8 MvT, TK 1985-1986, 19 295, nr. 3, p. 18, 19.

9 MvA, TK 1986-1987, 19 295, nr. 6, p. 5.

10 MvA, EK 1988-1989, 19 295, nr. 70, p. 5, 6.

11 Nadere MvA, EK 1988-1989, 19 295, nr. 70b, p. 6.

12 MvA, EK 1993-1994, 22 170, nr. 109a, p. 2.

13 Verwezen wordt naar HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654.

14 Zie ter illustratie het rechtspraakoverzicht van A. Heida, EB Tijdschrift voor scheidingsrecht 2008, p. 97 e.v. waarin terugvalpercentages vanaf 15% als ingrijpend worden beoordeeld.

15 Behoefteberekening en uitkeringsspecificaties zijn overgelegd bij brief van 7 juni 2007.

16 Inleidend verzoekschrift, prod. 4.

17 Inleidend verzoekschrift, prod. 5.

18 Te weten de overwegingen dat de vrouw een opleiding tot kleuterleidster had gevolgd en als zodanig heeft gewerkt voor en tijdens het huwelijk tot de geboorte van de kinderen, dat zij tijdens het huwelijk geen betaalde werkzaamheden heeft verricht en de zorg voor de kinderen had, en dat de man kostwinner was.

19 Brief van 2 april 2007.

20 Overgelegd bij brief van 7 juni 2007. Het inschrijvingsbewijs betreffende de periode 1993-2005 bevat de aantekening "onbemiddelbaar".

21 Proces-verbaal 19 juni 2007, p. 3.

22 Verwezen wordt naar verweerschrift in eerste aanleg, onder 10; verweerschrift in hoger beroep n.a.v. grief 2.

23 Verwezen wordt naar verweerschrift in eerste aanleg, onder 10; verweerschrift in hoger beroep n.a.v. grief 2.

24 Inleidend verzoekschrift, prod. 7.

25 Proces-verbaal van 19 juni 2007, p. 3.

26 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. P. van Lingen, onder 3 en 5.

27 Nader voorlopig verslag, EK 1988-1989, 19 295, nr. 70a, p. 4-5. De vraag is herhaald in Verslag, EK 1988-1989, 19 295, nr. 70c, p. 3.

28 Nota n.a.v. verslag, EK 1993-1994, 19 295, nr. 272, p. 2.

29 Voorlopig Verslag, EK 1993-1994, 22 170, nr. 109, p. 3 resp. MvA, EK 1993-1994, 22 170, nr. 109a, p. 5.

30 Zie Asser-de Boer (2006), nr. 633; J. de Boer, noot onder HR 19 april 1996, NJ 1997, 57; B.M. Mens, EB Tijdschrift voor scheidingsrecht 2006, p. 17; M.A. Zon, EB Tijdschrift voor scheidingsrecht 2006, p. 136; Heida, EB Tijdschrift voor scheidingsrecht 2008, p. 103. Zie ook conclusie A-G Wuisman vóór HR 19 december 2008, NJ 2009, 136 m.nt. SFMW.

31 Vgl., in de context van de behoeftebepaling (art. 1:157 lid 1 BW), HR 19 juni 1981, NJ 1981, 457: de beslissing van het hof is onvoldoende gemotiveerd nu het hof geen feiten of omstandigheden heeft vastgesteld die de slotsom kunnen rechtvaardigen dat de minder goede gezondsheidstoestand van de vrouw voor haar verantwoording moet worden gebracht.

32 Vgl. de casus beschreven door Heida, EB Tijdschrift voor scheidingrecht 2008, p. 97 r.k.-98.

33 In het subonderdeel wordt, zonder vermelding van de vindplaats, kennelijk verwezen naar de pleitnota van mr. P. van Lingen onder 3, laatste twee alinea's. Deze strekken, mede gelet op hetgeen volgt onder 4 en 5, vooral tot betoog dat de vrouw geen bewijs heeft geleverd van haar sollicitaties en van haar arbeidsongeschiktheid.