Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ6016

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08/03680
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ6016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Invordering. Versnelde invordering belastingschuld ex art. 10 Invorderingswet 1990 (81 RO).

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, geldigheid: 2009-10-09
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1163
JWB 2009/371

Conclusie

08/03680

mr J. Spier

Zitting 14 augustus 2009 (bij vervroeging)

Conclusie Inzake

[Eiseres]

tegen

Ontvanger van de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Gorinchem

(hierna: Ontvanger)

1. Inleiding

1.1 De onderhavige kwestie betreft de versnelde invordering van belastingschulden.

1.2 Belastingaanslagen zijn in de regel niet direct opeisbaar, maar kunnen door de belastingschuldige in één of meer termijnen worden voldaan (art. 9 Invorderingswet 1990 (Inv.Wet)). Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de belastingschuldige enige tijd gegund moet worden om liquide middelen vrij te maken om de belastingaanslag te kunnen betalen. Tegenover dit belang van de belastingschuldige staat het belang van de Staat om de vordering te incasseren. Onder omstandigheden kan het nadelig voor de schatkist zijn om het einde van een betalingstermijn af te wachten alvorens invorderingsmaatregelen te treffen ten aanzien van een belastingschuldige. Met het oog daarop heeft de wetgever in art. 10 Inv.Wet de mogelijkheid geopend om in bepaalde - limitatief in de wet opgesomde - gevallen direct (versneld) te kunnen invorderen. Blijkens de Parlementaire Geschiedenis dacht de wetgever hier aan situaties waarin moet worden aangenomen dat de belastingaanslag niet zal worden betaald, terwijl bovendien verhaalsobjecten dreigen te verdwijnen.(1) In dergelijke situaties kan de Ontvanger een belastingaanslag vóór het einde van een voor die aanslag geldende betalingstermijn terstond en tot het volle bedrag invorderen.

1.3 In de onderhavige kwestie is de Ontvanger overgegaan tot versnelde invordering van belastingaanslagen die aan een [eiseres] waren opgelegd. De Ontvanger besloot hiertoe (i) op grond van gegronde vrees voor verduistering (art. 10 eerste lid onderdeel b Inv.Wet) en (ii) vanwege het feit dat op goederen waarop de (nieuwe) belastingschulden van [eiseres] zouden kunnen worden verhaald, reeds beslag was gelegd voor bestaande belastingschulden (art. 10 eerste lid onderdeel e Inv.Wet).

2. Procesverloop

2.1 Op 10 en 17 april 2004 heeft [eiseres] verzet aangetekend tegen de aan haar betekende dwangbevelen, de Ontvanger gedagvaard voor de Rechtbank Dordrecht en gevorderd:

"1. opposante te verklaren goed opposante tegen bedoelde dwangbevelen;

2. gemelde dwangbevelen buiten effect te stellen;

3. te verklaren voor recht dat de Ontvanger onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld;

4. de Ontvanger te veroordelen tot vergoeding van de schade reeds door haar geleden of nog te lijden, op te maken bij staat (...)"

De Ontvanger heeft verweer gevoerd. De Rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis d.d. 8 december 2004 afgewezen. [Eiseres] is hiertegen in beroep gegaan.

2.2 Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - de standpunten van [eiseres] als volgt weergegeven (rov. 4):

"a. De rechtbank miskent dat de Ontvanger enkel met de invordering is belast en dat in een verzetprocedure enkel het invorderingsbeleid van de Ontvanger ter discussie staat. Hierbij is van belang dat de Ontvanger zeer terughoudend dient te zijn zolang de betrokken belastingaanslagen niet onherroepelijk vaststaan. Tegen de aanslagen waren ten tijde van de invordering reeds bezwaar- of beroepschriften ingediend.

b. De beoordeling van de aanslagen zelf is aan de belastingrechter opgedragen. Daarom is de ordner vol producties die de Ontvanger hierover in het geding heeft gebracht, in deze verzetprocedure niet aan de orde. Hierbij komt dat het controlerapport dat aan de aanslagen ten grondslag is gelegd, uiterst suggestief, laakbaar, gebrekkig of onvolledig is. Terecht heeft de belastingrechter de betrokken aanslagen dan ook voor veruit het grootste deel niet in stand gelaten.

c. Aan de dwangbevelen kleeft het formele gebrek dat niet concreet de grondslag is vermeld waarop de Ontvanger de versnelde invordering heeft gebaseerd, maar dat is volstaan met een stempel op de dwangbevelen. Eerst nadien is de grondslag in een afzonderlijke brief door [eiseres] ontvangen. Dit is in strijd met de in de IW of de Leidraad Invordering (LI) gelegen waarborgnormen.

d. De Ontvanger moet zelfstandig onderzoek doen en vaststellen of zich vrees voor verduistering voordoet om tot versnelde invordering te kunnen overgaan. Hierbij kan hij zich niet baseren op de gegevens die voortvloeien uit een onderzoek dat de Inspecteur heeft gedaan met het oog op de vaststelling van de materiële verschuldigdheid van de betrokken belastingaanslagen. Onvoldoende hiertoe is dat de Ontvanger de vraag naar de materiële verschuldigdheid van de aanslagen vooraf ter toetsing aan een fiscaal jurist van de belastingdienst heeft voorgelegd. Dit blijkt ook wel uit de uitspraken die de belastingrechter inmiddels over de betrokken aanslagen heeft gedaan en waarbij de aanslagen nog slechts voor een relatief klein deel in stand zijn gelaten.

e. Een versnelde invordering zonder deugdelijk onderzoek, van aanslagen die nog niet onherroepelijk vaststaan en die nadien nog slechts voor een relatief klein deel in stand zijn gelaten, is een vorm van knevelarij in de zin van artikel 3 EVRM. Bovendien blijkt uit de processtukken, in het bijzonder uit de "Motivatie" van het administratiekantoor [A] van 12 januari 2005 (het rapport [A]), pagina 24 en 25, dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door zonder deugdelijke grondslag tot versnelde invordering over te gaan.

f. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Inspecteur zijn geheimhoudingplicht heeft geschonden door informatie uit de belastingaangiften van [eiseres] aan de curator in het faillissement van haar levenspartner [betrokkene 1] te doen toekomen. Gelet op deze schending had zij het recht om haar medewerking aan het boekenonderzoek en haar verplichtingen ingevolge artikel 47 AWR op te schorten. Niettemin zijn alle gevraagde gegevens uiteindelijk verstrekt, vrijwillig of door de inbeslagneming van haar computer en bestanden. Deze bestanden waren voldoende voor de Inspecteur om de betrokken aanslagen te kunnen vaststellen. Hierbij is nog van belang dat zij zich niet over de bestanden kon uitlaten nadat deze in beslag waren genomen. Slechts van een deel van deze bestanden heeft zij een kopie kunnen maken.

g. De rechtbank heeft niet kunnen oordelen dat het redelijkerwijs was te verwachten dat verhaal op een aantal goederen van [eiseres] onmogelijk zou worden gemaakt waardoor de verhaalbaarheid van haar belastingschulden ernstig in gevaar kwam en dat aldus sprake was van gegronde vrees voor verduistering. Hetgeen de Ontvanger ter ondersteuning van zijn hierop betrekking hebbende stellingen naar voren heeft gebracht, in het bijzonder de gegevens uit het controlerapport, heeft voornamelijk op de vaststelling van de betrokken aanslagen betrekking. Deze stellingen en argumenten dienen echter in de belastingprocedure over deze aanslagen door de Inspecteur aan de orde te worden gesteld en hebben niets van doen met het verhaal van deze aanslagen door de Ontvanger. Zodanig verhaal dient niet plaats te vinden zolang de betrokken aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan, tenzij zich in de invorderingssfeer bijzondere feiten en omstandigheden voordoen. Deze feiten en omstandigheden zijn door de Ontvanger niet gesteld of aannemelijk gemaakt.

h. Voor de eerste serie dwangbevelen van 27 maart 2003 bestond geen deugdelijke grondslag. Dit gebrek werkt door naar de tweede serie dwangbevelen van 1 april 2003 die weliswaar formeel en direct op artikel 10, eerste lid, onderdeel e IW zijn gegrond, maar indirect eveneens op artikel 10, eerste lid, onderdeel b (vrees voor verduistering).

i. De fiscale beroepen tegen de aanslagen zijn vrijwel alle gegrond verklaard en vernietigd of aanmerkelijk verminderd, zodat sprake is van een onrechtmatige daad waarvoor ook de Ontvanger aansprakelijk is, nu hij op grond van deze ondeugdelijke aanslagen dwangbevelen heeft uitgevaardigd en terstond en voor het volle bedrag invorderbaar heeft verklaard."

2.3 De door de Ontvanger betrokken stellingen heeft het Hof als volgt samengevat (rov. 5):

"a. [Eiseres] heeft geen belang bij haar vorderingen nu de betalingstermijn van de aanslagen op 27 april 2003 is verstreken en de Ontvanger nadien de bevoegdheid heeft om nieuwe dwangbevelen uit te vaardigen en beslagen te leggen zonder dat hierbij aan de vereisten die ingevolge artikel 10 IW voor een versnelde invordering gelden, behoeft te worden voldaan.

b. Ingevolge artikel 17, derde lid IW kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de betrokken belastingaanslagen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Hiertegen kan bij de belastingrechter worden opgekomen, zodat de civiele rechter in het kader van een verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging in beginsel niet bevoegd is om de juistheid van de aanslagen te toetsen. Dit ligt alleen anders in het geval de verschuldigdheid van de aanslagen zo twijfelachtig is dat de Ontvanger in redelijkheid niet tot de beslissing tot versnelde invordering en tenuitvoerlegging had kunnen komen.

c. Ook een eventuele vermindering brengt niet mee dat er sprake is van onrechtmatigheid van de executiemaatregelen. Mochten de aanslagen waarvoor de dwangbevelen zijn uitgevaardigd niet volledig overeind blijven na de bezwaar- en beroepsprocedures, dan betekent dit nog niet dat de executiemaatregelen op de verminderde aanslagen onrechtmatig zijn.

d. Op grond van het controlerapport en de toetsing vooraf door een fiscaal jurist van de belastingdienst, mocht de Ontvanger ervan uitgaan dat de aanslagen niet zonder grond of willekeurig waren opgelegd. De rechtmatigheid van de aanslagen is later ook door de belastingrechter in de uitspraak van 11 september 2006 bevestigd. Dat daarbij de aanslagen en boetes niet volledig in stand zijn gebleven, is toe te schrijven aan het gebrek aan medewerking van [eiseres] en haar levens- en zakenpartner [betrokkene 1].

e. Voor de vrees voor verduistering waardoor het verhaal op een aantal goederen van [eiseres] onmogelijk kan worden gemaakt, bestonden concrete en voldoende aanwijzingen in het controlerapport. Uit het rapport blijkt de problematische wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden, het niet nakomen van [eiseres] van haar informatieverplichting, de twijfelachtige financiële voorgeschiedenis van [betrokkene 1], het gebruik van een buitenlandse bankrekening en de onttrekkingen door [eiseres] aan het vermogen van de door haar bestuurde vennootschap die mede tot de navorderingsaanslagen hebben geleid.

f. Bij de versnelde invordering is de Ontvanger zorgvuldig te werk gegaan en is niet in strijd met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of anderszins onrechtmatig gehandeld. De Ontvanger heeft hierbij gebruik gemaakt van de bevoegdheden die de IW hem toekent. Van een handelen in strijd met artikel 3 EVRM is geen sprake. Hierbij komt dat door de schorsende werking van het verzet materieel gezien slechts sprake is van een conserverende maatregel.

g. Van een formeel gebrek of van enig ander gebrek dat aan de dwangbevelen zou kleven omdat hierop een stempel was geplaatst met de vermelding dat op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b en e IW versnelde invordering plaatsvond, is evenmin sprake. Bovendien zijn aan [eiseres] per brief van gelijke datum de concrete feiten en omstandigheden meegedeeld waarop de versnelde invordering was gebaseerd. Er is geen rechtsregel die de Ontvanger verplicht deze brief formeel met de dwangbevelen aan [eiseres] te betekenen. Hierbij komt dat een formeel gebrek nog geen nietigheid tot gevolg behoeft te hebben. Dit is alleen het geval als [eiseres] hierdoor in haar verdediging is benadeeld. Dit is hier niet het geval. Bovendien had [eiseres] zich voor nadere informatie over de getroffen maatregelen tot de Ontvanger kunnen wenden.

h. Vanwege de verwevenheid tussen [eiseres], [B] en [betrokkene 1], is het boekenonderzoek naar [eiseres] uitgebreid. Het boekenonderzoek is uiterst problematisch verlopen door het gebrek aan medewerking door [eiseres] (en [betrokkene 1]), hoewel zij meermalen op haar verplichting ingevolge artikel 47 AWR is gewezen. Nadat [eiseres] op 24 januari 2003 een laatste, vruchteloze, kans was geboden, is het onderzoek eind februari 2003 afgerond. Zelfs als de Inspecteur zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden, dan nog gaf dat [eiseres] niet de bevoegdheid om haar informatieplicht ingevolge artikel 47 AWR op te schorten. Dit valt ook uit de uitspraak van de belastingrechter van 11 september 2006 over de betrokken navorderingsaanslagen op te maken.

i. De door [eiseres] eerst in hoger beroep in het geding gebrachte producties vormen geen of onvoldoende bewijs of ondersteuning van haar verweer dat van vrees voor verduistering geen sprake was. De brief van haar accountant [betrokkene 2] is grotendeels aan te merken als een "verklaring van horen zeggen", nu de accountant slechts voor een gering deel bij het onderzoek aanwezig is geweest. Voor zover de brief in strijd met hoofdstuk 7 van het controlerapport is, wordt de brief betwist. De overgelegde processen-verbaal van de Fiod en een verslag van [eiseres] van haar bezoek aan de belastingdienst op 27 februari 2003 doen niets af aan de feiten en omstandigheden waarop de Ontvanger zijn vrees voor verduistering heeft gebaseerd. De door [eiseres] overgelegde uitspraak van de belastingrechter van 11 augustus 2005 heeft betrekking op een aan [B] opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting. Deze aanslag is door de belastingrechter voor een groot deel in stand gelaten. Bovendien is daarbij door het hof vastgesteld dat [B] het met haar verplichtingen jegens de belastingdienst niet al te nauw neemt.

j. Het rapport [A] is opgesteld ter bestrijding van de aan [B] en [eiseres] opgelegde aanslagen en is in de betrokken fiscale procedures overgelegd. Niettemin heeft de belastingrechter inmiddels de meeste van de betrokken aanslagen voor een groot deel gehandhaafd en het controlerapport als grondslag hiervoor aanvaard. Bovendien geeft de in het rapport vermelde buitenlandse bankrekening waarover [eiseres] kon beschikken juist grond voor de stelling van de Ontvanger dat te dezen sprake van vrees voor verduistering was. Verder staat het rapport vol met onjuistheden. De Ontvanger bestrijdt de in het rapport vermelde aantijgingen.

k. De Ontvanger is terecht en op goede gronden tot versnelde invordering van de op 27 maart 2003 opgelegde en betekende aanslagen overgegaan en hij was op de voet van artikel 10, eerste lid, onderdeel e IW eveneens gerechtigd tot versnelde invordering van de dwangbevelen van 14 april 2003, gelet op de eerdere beslaglegging op goederen van [eiseres] waarop de betrokken belastingschuld kan worden verhaald."

2.4 Het Hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd en daartoe in rov. 6 overwogen:

"Het hiervoor onder 5 vermelde verweer van de Ontvanger is gegrond, met inachtneming van de volgende overwegingen:

a. Alleen al haar kostenveroordeling in eerste aanleg brengt mee dat [eiseres] belang bij een nieuwe toetsing van haar vorderingen in hoger beroep heeft. In eerste aanleg had [eiseres] reeds belang bij haar vorderingen met het oog op de schorsende werking die op de voet van artikel 17, derde lid IW van een verzetprocedure uitgaat.

b. Bij de beoordeling van het geschil geldt als uitgangspunt dat de burgerlijke rechter in beginsel geen rechtsmacht heeft in geschillen waarvoor de wetgever een bestuursrechter heeft aangewezen. De in de AWR en de Awb geregelde rechtsgang dient als een bijzondere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang te worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat de burgerlijke rechter in dit geval niet bevoegd is om een geschil over de betrokken aanslagen te beslechten. De burgerlijke rechter is aan de uitspraak van de belastingrechter hierover gebonden. Beide rechters hebben deze keuze en verdeling van bevoegdheden van de wetgever te respecteren. Dit is ook de grondslag en strekking van artikel 17, derde lid IW dat het verzet niet kan zijn gegrond op de stelling dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

c. Verder geldt als uitgangspunt dat de Ontvanger zijn beslissing om tot versnelde invordering over te gaan, dient te nemen op grond van de gegevens die hem op dat moment bekend zijn of redelijkerwijs bekend kunnen zijn. Uit de stukken van het geding blijkt dat de Ontvanger zich hierbij in dit geval hoofdzakelijk door het controlerapport moest laten leiden. Dit betekent dat de Ontvanger bij de beoordeling van de inhoud van dit rapport geen rekening heeft kunnen houden met de door [eiseres] nadien in het geding gebrachte stukken, in het bijzonder de brief van de accountant [betrokkene 2] aan [eiseres] van 14 februari 2005 en het rapport [A], die beide van ver na de beslissing tot versnelde invordering van 27 maart en 14 april 2003 dateren.

d. Hierbij tekent het hof aan - het hof vermeldt dit ten overvloede - dat de inhoud van het rapport [A] op onderdelen op gespannen voet staat met voormelde brief van de accountant [betrokkene 2]. Het hof verwijst hierbij in het bijzonder naar pagina 9 en pagina 10 van het rapport waar onder meer gewag wordt gemaakt van de moeilijkheden bij de verstrekking van digitale gegevens aan de belastingdienst, van de aanvankelijke weigering van de accountant [betrokkene 2] om de verlangde dossiers ter beschikking van de belastingdienst te stellen, en van de opschorting door [eiseres] van haar medewerking aan het boekenonderzoek tot naar haar tevredenheid op haar vragen omtrent de verstrekking van gegevens door de Inspecteur aan de curator in het faillissement van haar levens- en zakenpartner [betrokkene 1], zou worden gereageerd. Als de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag of in de aanloop daartoe zijn geheimhoudingsplicht schendt, zijn er andere wegen te volgen om hiertegen op te treden dan de opschorting van de informatieplicht ingevolge artikel 47 IW. Dat [eiseres] deze wegen in dit geval ook heeft gevolgd blijkt uit de schadevorderingen die zij bij dagvaarding van 28 februari 2003 tegen de Staat der Nederlanden en tegen de Ontvanger bij de rechtbank 's-Gravenhage aanhangig heeft gemaakt.

e. Het controlerapport kon voor de Ontvanger een voldoende grondslag voor de versnelde invordering vormen. Het hof verwijst hierbij in het bij-zonder naar de hoofdstukken 2, 4, 5 en 7, alsmede naar de hoofdstukken 13 tot en met 17. Hieruit blijkt de problematische wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden, het niet nakomen door [eiseres] van haar informatieverplichting, de problematische financiële voorgeschiedenis van haar levens- en zakenpartner [betrokkene 1], het gebruik van een buitenlandse bankrekening en de onttrekkingen door [eiseres] aan het vermogen van de door haar bestuurde [B]. Dat het controlerapport hiervoor een voldoende deugdelijke grondslag kon bieden wordt ook bevestigd door de hiervoor onder 2 b vermelde uitspraak van de belastingrechter over de aan de dwangbevelen van 27 maart 2003 ten grondslag gelegde belastingaanslagen.

f. Dat de Ontvanger hierbij zorgvuldig te werk is gegaan kan verder worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ontvanger de betrokken aanslagen door een fiscaal jurist heeft laten beoordelen, alvorens tot een versnelde invordering over te gaan.

Slotsom

7. De voorgaande overwegingen en oordelen brengen het hof tot de volgende slotsom. De grieven van [eiseres] tegen het bestreden vonnis kunnen door en in het licht van het daartegen door de Ontvanger gevoerde gemotiveerde verweer, niet tot een vernietiging hiervan leiden. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

8. Het hof passeert het (voorwaardelijk) bewijsaanbod van [eiseres] aan het slot van haar memorie van grieven. Ten eerste omdat de door haar vermelde primaire situatie zich hier voordoet. Ten tweede omdat de door haar gestelde feiten, indien bewezen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden, gelet op de beperkte taak van en toetsing door de burgerlijke rechter in deze verzetprocedure."

2.5 [Eiseres] is van dit arrest tijdig in cassatie gekomen. Dat beroep is door de Ontvanger bestreden. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna aan de zijde van [eiseres] nog is gerepliceerd.

3. Bespreking van het middel

3.1 Voorop moet worden gesteld dat het middel niet klaagt over de gegrondbevinding in de aanhef van rov. 6 van het in rov. 5 weergegeven verweer van de Ontvanger. Alleen al daarop lopen de klachten m.i. stuk. Ten overvloede ga ik nog in op de verschillende onderdelen, die blijkens de onderdelen 1.1 en 2.1 slechts rechtsklachten behelzen. Weliswaar wordt ook nog gerept van vormverzuimen, maar niet wordt aangegeven waarin deze zouden zijn gelegen.

3.2.1 Onderdeel 1.2 - onderdeel 1.1 bevat slechts een inleiding - komt op tegen de overweging van het Hof in rov. 6 onderdeel c dat de Ontvanger zijn beslissing om tot versnelde invordering over te gaan, diende te nemen op grond van de gegevens die hem op dat moment bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn. Het onderdeel betoogt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen dat de Ontvanger "een feitenonderzoek verricht dat volledig is en op de juiste feiten is gebaseerd en op basis van hoor en wederhoor is tot stand gekomen" en dat de Ontvanger in zijn beslissing om (al dan niet) tot versnelde invordering over te gaan, bewijsmateriaal had moeten betrekken dat "aanstonds beschikbaar" was.

3.2.2 Het onderdeel faalt reeds omdat het niet aangeeft waar [eiseres] in de gedingstukken in feitelijke aanleg de hier geponeerde stellingen heeft betrokken. Bovendien wordt zelfs niet globaal aangegeven waarop de in het onderdeel verwoorde juridische stelling is gegrond. Het voldoet derhalve niet aan de eisen van art. 407 tweede lid Rv.

3.2.3 Ten overvloede teken ik aan dat de Ontvanger (slechts) de bevoegdheid heeft om versneld in te vorderen in situaties waarin de kans om de belastingschuld te innen illusoir dreigt te worden. In casu is de Ontvanger, als gezegd, overgegaan tot versnelde invordering op grond van gegronde vrees voor verduistering (art. 10 lid 1 onder b Inv.Wet) en het feit dat op goederen waarop (nieuwe) belastingschulden van [eiseres] konden worden verhaald, reeds beslag was gelegd voor haar (bestaande) belastingschulden (art. 10 lid 1 onder e Inv.Wet). Wat de eerste grond betreft, wordt in de MvT opgemerkt dat de Ontvanger ingeval van gegronde vrees van verduistering snel moet handelen om - dat spreekt n.m.m. voor zich - te voorkomen dat zijn verhaalsmogelijkheden verdwijnen.(2) Met betrekking tot de tweede grond wordt in de MvT aangetekend dat beslaglegging doorgaans duidt "op een situatie waarin de belastingschuldige in betalingsmoeilijkheden verkeert, die als regel niet beperkt zijn tot de belastingaanslag waarvoor het beslag is gelegd. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de Ontvanger in een dergelijke situatie de invordering voor die nieuwe belastingaanslagen onmiddellijk moet kunnen aanvangen teneinde zijn verhaalsmogelijkheden voor die nieuwe belastingaanslagen zeker te stellen."(3)

3.2.4 Anders dan het onderdeel betoogt, zal het de Ontvanger in de (nood)situaties die de wetgever op het oog had veelal - zoal niet: altijd - aan tijd voor diepgravend feitenonderzoek en hoor- en wederhoor ontbreken. Zou de Ontvanger daar immers wel tijd voor hebben, dan zou hij even goed de betalingstermijn kunnen afwachten en zou er geen reden zijn om tot versnelde invordering over te gaan. Bovendien loopt de Ontvanger bij het toepassen van hoor- en wederhoor ingeval van gegronde vrees voor verduistering het risico de poten onder zijn eigen stoel weg te zagen.

3.2.5 Bovendien wordt niet bestreden 's Hofs oordeel dat de stukken waarop [eiseres] (mogelijk; het onderdeel munt uit door vaagheid) beroep doet eerst later beschikbaar waren.

3.3 Voor zover onderdeel 1.3 al begrijpelijk is (het is m.i. innerlijk tegenstrijdig) voldoet het bij gebrek aan verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Dit klemt temeer nu door de Ontvanger in de s.t. onder 2.4 is aangevoerd dat het een novum betrekt; daarop is door [eiseres] bij repliek in het geheel niet gerespondeerd.

3.4 Onderdeel 1.4 komt op tegen de overweging ten overvloede in rov. 6 onderdeel d en behoeft alleen al daarom geen bespreking. Bovendien sluit het niet of nauwelijks aan bij hetgeen het Hof in rov. 6 onder d overweegt. Een begrijpelijke klacht kan ik er in elk geval niet in lezen.

3.5 Aan onderdeel 1.5 is geen touw vast te knopen, nog daargelaten dat het eveneens opkomt tegen een overweging ten overvloede.

3.6 Onderdeel 1.6 behelst een voortbouwende klacht ("dan ook"). Het is daarom gedoemd het lot van zijn voorgangers te delen. Het mislukt voorts omdat a) de daarin vertolkte rechtsklacht (gebaseerd op schending van "deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur in algemene zin en meer speciaal de regelgeving vervat in de IW 90 en LI 90" in genen dele voldoet aan de ook aan een rechtsklacht te stellen eisen van duidelijkheid en precisie, b) niet wordt aangegeven waar deze stellingen in de gedingstukken in feitelijke aanleg zijn betrokken en c) de meeste door het Hof in rov. 6 sub e genoemde - voor [eiseres] bepaaldelijk belastende - feiten en omstandigheden niet worden bestreden.

3.7 Onderdeel 1.7 gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest. Het Hof overweegt in rov. 6 onderdeel f niet dat de betrokkenheid van een fiscaal jurist de Ontvanger disculpeert, maar dat de zorgvuldigheid die de Ontvanger in deze heeft betracht "verder [kan] worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ontvanger de betrokken aanslagen door een fiscaal jurist heeft laten beoordelen, alvorens tot versnelde invordering over te gaan". Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ware dat anders, dan heeft het Hof voldoende feiten en omstandigheden bijgebracht die zijn oordeel zelfstandig kunnen dragen.

3.8 Onderdeel 1.8 behoeft geen zelfstandige bespreking. Het faalt eveneens.

3.9.1 De onderdelen 2.2-2.5 - onderdeel 2.1 bevat geen klacht - lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij nemen tot uitgangspunt dat 's Hofs oordeel voorbijgaat aan het betoog dat de aan [eiseres] betekende dwangbevelen nietig zijn, omdat alleen de rechtsgronden - en niet de concrete feiten en omstandigheden - op grond waarvan de Ontvanger was overgegaan tot versnelde invordering (bovendien) met een stempel op het dwangbevel waren aangebracht.

3.9.2 De onderdelen miskennen dat het Hof in de aanhef van rov. 6 het verweer van de Ontvanger als weergegeven in rov. 5 onderdeel g gegrond heeft verklaard en dat het Hof - kennelijk en niet onbegrijpelijk - geen aanleiding zag om hier nader op in te gaan. Daarom is niet juist de stelling van onderdeel 2.2 dat het Hof niet op deze kwestie is ingegaan.

3.10.1 De onderdelen voldoen daarenboven niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.. Immers wordt niet duidelijk gemaakt welke rechtsregel(s) de Ontvanger zou hebben geschonden en waarom. Evenmin komt uit de verf waarom sprake zou zijn van nietigheid.

3.10.2 Voor zover het betoog ertoe bedoelt te strekken dat [eiseres] is benadeeld, behoeft dat veel nadere toelichting, die evenwel geheel achterwege blijft, nu zij - naar onderdeel 2.3 aanvoert - de gegevens één dag na de dwangbevelen heeft ontvangen. Het beroep op equality of arms mislukt reeds omdat dit buiten procedures, waarop art. 6 EVRM ziet, niet geldt. Het ziet dus niet op invordering.

3.10.3 De Ontvanger heeft [eiseres] ampel geïnformeerd over de redenen die hebben geleid tot de vervroegde invordering; zie rov. 8 van het vonnis van de Rechtbank Dordrecht van 8 december 2004, overgenomen door het Hof blijkens rov. 1.

3.11 Ten overvloede: daargelaten dat uit de Parlementaire Geschiedenis volgt dat bij versnelde invordering - in elk geval bij gegronde vrees voor verduistering - enkel de "in de wet genoemde situatie" hoeft te worden vermeld en de belastingschuldige nadere informatie zelf bij de Ontvanger moet opvragen,(4) gaan de onderdelen niet op omdat er - ik zou menen uiteraard - geen rechtsregel is die de Ontvanger verbiedt de gronden voor de versnelde invordering op het dwangbevel met een stempel aan te brengen.

3.12 Volledigheidshalve stip ik nog aan dat de Ontvanger ten verwere mede heeft gewezen op "de twijfelachtige financiële voorgeschiedenis van [betrokkene 1]", de levens- en zakenpartner van [eiseres].(5) Als gezegd heeft het Hof zijn oordeel - in cassatie niet bestreden - mede gebaseerd op het verweer van de Ontvanger dat blijkens rov. 6 eerste alinea wordt overgenomen.(6) Dat dit verweer feitelijk niet uit de lucht is gegrepen, lijkt te volgen uit HR 27 februari 2009, JOR 2009, 104 J.S. Kortmann. Ik voeg hier uitdrukkelijk aan toe dat dit voor mij geen dragend of zelfs maar steun verlenend argument is. Maar - zeker in samenhang met de overige door het Hof genoemde - niet of tevergeefs bestreden - gronden illustreert het de kansloosheid van deze (cassatie)-procedure.

3.13 In het beoogde nieuwe stelsel zal Uw Raad, naar valt aan te nemen, worden verlost van dit soort zaken. Mogelijk zou daarop in zoverre reeds een voorschot kunnen worden genomen dat in zaken die zich daartoe lenen gedeeltelijk een niet-ontvankelijkverklaring wordt uitgesproken voor klachten die onbegrijpelijk zijn, zijn gekant tegen obiter dicta of die niet aan de (minimale) daaraan te stellen eisen voldoen. Voor het geval Uw Raad deze suggestie zou willen overwegen: de onderdelen 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6 en 2.2-2.5 komen m.i. in aanmerking voor een niet-ontvankelijkverklaring.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot:

* niet-ontvankelijkverklaring wegens onbegrijpelijkheid of omdat ze niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. van de onderdelen 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6 en 2.2 - 2.5 en

* verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 TK, 1987-1988, 20 588, nr. 3 blz. 20.

2 TK, 1987-1988, 20 588, nr. 3 blz. 38. Verduisteren moet daarbij niet worden opgevat in strafrechtelijke zin, maar in de zin van art. 727 (oud) Rv.

3 TK, 1987-1988, 20 588, nr. 3 blz. 39/40.

4 EK, 1989-1990, 20 588, nr. 88b blz. 7.

5 Aldus rov. 2 sub a van 's Hofs arrest waarin het standpunt van [eiseres] wordt weergegeven. De ontkenning in de repliek onder 1 stuit daarop af.

6 De repliek onder 3 ziet dat kennelijk over het hoofd.