Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ3537

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
08/00178
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ3537
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vraag of “misleiding” en “misbruik van een kwetsbare positie” feitelijk in de tll. moeten worden omschreven, art. 250a (oud) Sr (thans 273f Sr). HR verwerpt het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 426
RvdW 2009, 1017
NJB 2009, 1742
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00178

Zitting: 7 juli 2009 (bij vervroeging)(1)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1. "een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, meermalen gepleegd", "een ander door uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen, meermalen gepleegd" en "opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, meermalen gepleegd", 2. "mensenhandel, meermalen gepleegd", 3. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 4. "poging tot mensenhandel" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het Hof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen beslist op de wijze als in het bestreden arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 07/12272, 08/01992 en 08/00178. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant, is aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

"1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, te Hengelo, gemeente Hengelo (O) en/of te Amsterdam en/of te Deventer en/of te Arnhem en/althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

- door geweld of één of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die ander(en) zich daardoor tot het verrichten van die (seksuele) handelingen beschikbaar stelde(n), en/of

- door geweld of één of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met of voor een derde, en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit (een) seksuele handeling(en) van die vrouw(en)/ander(en) met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die vrouw(en)/ander(en) zich door geweld of één of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding beschikbaar heeft/hebben gesteld tot het plegen van die handeling(en),

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die (ondernomen) handeling(en) (telkens) hieruit dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- met die vrouw(en) een relatie is/zijn aangegaan, en/of

- die vrouw(en) (gratis) cocaïne heeft/hebben aangeboden en/of verstrekt en/of die vrouw(en) verslaafd aan/afhankelijk van cocaïne heeft/hebben gemaakt, en/of

- die vrouw(en) opdracht heeft/hebben gegeven en/of onder druk heeft/hebben gezet en/of ertoe heeft/hebben aangezet en/of gebracht om (een groot aantal dagen per week en/of een (groot) aantal uren per dag) als prostituee te werken, en/of

- een of meer kamer(s)/ruimte(s) in Amsterdam en/of in Deventer en/of in Arnhem en/althans (elders) in Nederland heeft/hebben geregeld, alwaar die vrouw(en) haar/hun prostitutiewerkzaamheden kon(den)/moest(en) verrichten en/of die vrouw(en) naar die plaats(en) heeft/hebben gebracht, alwaar zij als prostituee moest(en) en/of ging(en) werken, althans die vrouw(en) heeft/hebben doen en/of laten werken als prostituee, en/of

- heeft/hebben zorggedragen voor controle en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of de verdiensten (daaruit) van die vrouw(en) en/of het afdragen van de verdiensten door die vrouw(en) aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of heeft/hebben bepaald/gezegd tegen welke prijs die vrouw(en) haar/hun prostitutiewerkzaamheden moest(en) verrichten, en/of

- die vrouw(en) (een aanzienlijk deel van) haar/hun verdiensten, heeft/hebben afgenomen en/of laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- die vrouw(en) heeft/hebben bedreigd met een (vuur)wapen en/of met woorden en/althans heeft/hebben verhinderd dat die vrouw(en) uit eigen vrije wil haar/hun prostitutiewerkzaamheden zou(den) kunnen beëindigen, en/of

- die vrouw(en) heeft/hebben gestompt en/of geslagen, en/of

- die vrouw(en) in een door verdachte en/of zijn mededader(s) gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden, in elk geval een of meer (andere) handeling(en) heeft/hebben verricht, strekkende tot het brengen en/of houden van die vrouw(en) in een dwang- en/of uitbuitingssituatie, in elk geval in een van verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijke positie;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 januari 2006 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) en/ofte Amsterdam en/ofte Deventer en/of te Arnhem en/althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer ander(en), genaamd [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]

- door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en), en/of

- door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, dan wel onder genoemde omstandigheden enige handeling heeft/hebben ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die ander(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten, en/of

- door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar/hun seksuele handeling(en) met of voor een derde,

bestaande die dwang en/of dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die afpersing en/of die misleiding en/of dat misbruik (telkens) hieruit dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- met die vrouw(en) een relatie is/zijn aangegaan, en/of

- die vrouw(en) (gratis) cocaïne heeft/hebben aangeboden en/of verstrekt en/of die vrouw(en) verslaafd aan/afhankelijk van cocaïne heeft/hebben gemaakt, en/of

- die vrouw(en) opdracht heeft/hebben gegeven en/of onder druk heeft/hebben gezet en/of ertoe heeft/hebben aangezet en/of gebracht om (een groot aantal dagen per week en/of een (groot) aantal uren per dag) als prostituee te werken, en/of

- een of meer kamer(s)/ruimte(s) in Amsterdam en/of in Deventer en/of in Arnhem en/althans (elders) in Nederland heeft/hebben geregeld, alwaar die vrouw(en) haar/hun prostitutiewerkzaamheden kon(den)/moest(en) verrichten en/of die vrouw(en) naar die plaats(en) heeft/hebben gebracht, alwaar zij als prostituee moest(en) en/of ging(en) werken, althans die vrouw(en) heeft/hebben doen en/of laten werken als prostituee, en/of

- heeft/hebben zorggedragen voor controle en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of de verdiensten (daaruit) van die vrouw(en) en/of het afdragen van de verdiensten door die vrouw(en) aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of heeft/hebben bepaald/gezegd tegen welke prijs die vrouw(en) haar/hun prostitutiewerkzaamheden moest(en) verrichten, en/of

- die vrouw(en) (een aanzienlijk deel van) haar/hun verdiensten, heeft/hebben afgenomen en/of laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- die vrouw(en) heeft/hebben bedreigd met een (vuur)wapen en/of met woorden en/althans heeft/hebben verhinderd dat die vrouw(en) uit eigen vrije wil haar/hun prostitutiewerkzaamheden zou(den) kunnen beëindigen, en/of

- die vrouw(en) heeft/hebben gestompt en/of geslagen, en/of

- die vrouw(en) in een door verdachte en/of zijn mededader(s) gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden, in elk geval een of meer (andere) handeling(en) heeft/hebben verricht, strekkende tot het brengen en/of houden van die vrouw(en) in een dwang- en/of uitbuitingssituatie, in elk geval in een van verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijke positie".

5. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, te Hengelo, gemeente Hengelo (O) en/ofte Amsterdam, een ander, genaamd [slachtoffer 1],

- door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en

- door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde, bestaande die handelingen hieruit dat verdachte

- die vrouw gratis cocaïne heeft verstrekt en die vrouw afhankelijk van cocaïne heeft gemaakt, en

- die vrouw onder druk heeft aangezet en gebracht om een aantal uren per dag als prostituee te werken, en

- een kamer in Amsterdam heeft geregeld, alwaar die vrouw haar prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en die vrouw naar die plaats heeft gebracht, alwaar zij als prostituee ging werken, en heeft zorggedragen voor controle op de prostitutiewerkzaamheden en heeft bepaald tegen welke prijs die vrouw haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten, en die vrouw een aanzienlijk deel van haar verdiensten, heeft laten afgeven aan verdachte.

en

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, te Amsterdam en te Deventer, althans (elders) in Nederland, meermalen, telkens een ander, genaamd [slachtoffer 2],

- door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en

- door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde en

- die vrouw ertoe heeft aangezet als prostituee te werken, en

- een kamer in Amsterdam en/of in Deventer en/of elders in Nederland heeft geregeld, alwaar die vrouw haar prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en die vrouw naar die plaatsen heeft gebracht, alwaar zij als prostituee ging werken, en heeft zorggedragen voor controle van die vrouw en die vrouw een aanzienlijk deel van haar verdiensten heeft laten afgeven aan verdachte.

2. hij in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 17 januari 2006 te Amsterdam en elders in Nederland [slachtoffer 4]

- door feitelijkheden, door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten; en

- door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde, bestaande die feitelijkheden hieruit dat verdachte

- met [slachtoffer 4] een relatie is aangegaan;

- haar gratis cocaïne heeft aangeboden en verstrekt;

- een kamer in Amsterdam en elders in Nederland heeft geregeld, alwaar zij haar prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en haar daarheen heeft gebracht, alwaar zij als prostituee ging werken;

- heeft bepaald/gezegd tegen welke prijs zij haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en

- [slachtoffer 4] een aanzienlijk deel van haar verdiensten heeft laten afgeven aan de verdachte.

en

hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 6 december 2005 te Amsterdam en elders in Nederland [slachtoffer 5]

- door feitelijkheden, door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten; en

- door feitelijkheden, door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde,

bestaande die feitelijkheden hieruit dat verdachte

- haar gratis cocaïne heeft aangeboden en verstrekt;

- haar heeft aangezet om als prostituee te werken;

- een kamer in Amsterdam en elders in Nederland heeft geregeld, alwaar zij haar prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en haar daarheen heeft gebracht, alwaar zij als prostituee ging werken;

- heeft zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten van haar en het afdragen van die verdiensten door haar aan verdachte en heeft bepaald/gezegd tegen welke prijs zij haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en

- haar een aanzienlijk deel van haar verdiensten heeft afgenomen of laten afgeven aan de verdachte.

en

hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 6 december 2005 te Amsterdam [slachtoffer 3]

- door feitelijkheden, door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten; en

- door feitelijkheden en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde,

bestaande die feitelijkheden hieruit dat verdachte

- haar gratis cocaïne heeft aangeboden en verstrekt;

- een kamer in Amsterdam heeft geregeld, alwaar zij haar prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en haar daarheen heeft gebracht, alwaar zij als prostituee ging werken;

- heeft zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten van haar en het afdragen van die verdiensten door haar aan verdachte en heeft bepaald/gezegd tegen welke prijs zij haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en

- haar een aanzienlijk deel van haar verdiensten heeft afgenomen of laten afgeven aan de verdachte".

6. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte voor de beoordeling van de vraag of de term "misleiding" in de tenlastelegging voldoende feitelijk is omschreven van (doorslaggevend) belang heeft geacht of de verdachte en zijn raadsman hebben begrepen wat er met deze term werd bedoeld, althans dat het Hof zijn beslissing in zoverre nader had moeten motiveren. Het Hof had, volgens het middel, de tenlastelegging (partieel) nietig moeten verklaren.

7. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest in:

"Het hof heeft met betrekking tot feit 1 geconstateerd dat de misleiding niet nader is geconcretiseerd in de tenlastelegging en met betrekking tot feit 2 dat de misleiding en het misbruik van een kwetsbare positie niet nader zijn geconcretiseerd, maar gaat er van uit dat de verdachte - die daar geen punt van heeft gemaakt - niet in zijn belangen is geschaad. Noch expliciet, noch impliciet is gebleken dat de verdachte en zijn raadsman niet hebben begrepen wat er in deze zaak met deze termen werd bedoeld."

8. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld volgt uit de hiervoor aangehaalde passage niet dat het Hof zich bij de beantwoording van de vraag of de tenlastelegging is gesteld in termen die voldoende feitelijke betekenis hebben, uitsluitend heeft laten leiden door de vraag of de tenlastelegging voor de verdachte duidelijk was. Bedoelde passage moet kennelijk aldus worden begrepen dat het Hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de tenlastelegging de rechter op zichzelf een toereikende grondslag voor het geding bood, doch dat het Hof daarnaast de vraag onder ogen heeft gezien of deze de verdachte toereikende mogelijkheden bood zich te verdedigen.

9. Voor zover wordt geklaagd over de overweging dat noch expliciet, noch impliciet is gebleken dat de verdachte en zijn raadsman niet hebben begrepen wat er in deze zaak met de term "misleiding" werd bedoeld diene het volgende.

10. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 20 augustus 2007 gehechte pleitnotitie heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer aangevoerd:

"Van misleiding is sprake, wanneer aangeefsters dusdanig verkeerde informatie hebben gekregen over de verdiensten en omstandigheden waarin zij als prostituee kwamen te werken dat zij, indien de werkelijke omstandigheden bekend waren, niet hadden gekozen om als prostituee te gaan werken.

> Hiervan is geen sprake geweest. Weliswaar is verklaard dat cliënt in een aantal gevallen had gevraagd of de meisjes wilden gaan "dansen", maar uiteindelijk wisten aangeefsters waar ze aan begonnen voordat ze achter het raam gingen zitten en daartoe zelf de beslissing hadden genomen."

11. In aanmerking genomen dat uit 's Hofs arrest niet valt op te maken dat het Hof van een ander begrip "misleiding" is uitgegaan dan verdachtes raadsman, is het aangevallen oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk.

12. Ook overigens geeft het in het arrest van het Hof besloten oordeel dat het begrip "misleiding", dat in de tenlastelegging in dezelfde betekenis is gebezigd als in art. 250a (oud) Sr, voldoende feitelijke betekenis heeft, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Nog daargelaten dat dat begrip in het onderhavige geval voor de verdediging voldoende duidelijk was(2), zou het eisen van een nadere feitelijke omschrijving van dat begrip uit een oogpunt van effectieve handhaving van de in art. 250a (oud) Sr vervatte strafbaarstellingen een te hoge eis aan de tenlastelegging stellen.(3) Misleiding, door middel waarvan iemand wordt bewogen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling pleegt immers te bestaan in een diffuus complex van in onderlinge samenhang te beschouwen gedragingen, feiten en omstandigheden, valt daarom moeilijk sluitend en in een voor een tenlastelegging nog hanteerbare omvang te beschrijven en leent zich daarom niet voor een nadere concretisering in de tenlastelegging zonder wezenlijk tekort te doen aan effectieve strafrechtelijke handhaving. De discussie of van misleiding sprake is geweest, zal zich dus dienen af te spelen rond de vraag of misleiding bewezen is en niet rond de vraag of misleiding in de tenlastelegging deugdelijk is omschreven.

13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

14. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte voor de beoordeling van de vraag of de term "misbruik van een kwetsbare positie" in de tenlastelegging voldoende feitelijk is omschreven van (doorslaggevend) belang heeft geacht of de verdachte en zijn raadsman hebben begrepen wat er met deze term werd bedoeld, althans dat het Hof zijn beslissing in zoverre nader had dienen te motiveren. Het Hof had de tenlastelegging (partieel) nietig moeten verklaren.

15. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen ik naar hetgeen ik ten aanzien van het eerste middel heb uiteengezet, met dien verstande dat de in het middel bedoelde term is ontleend aan art. 273a (oud) Sr.

16. Het middel faalt in zoverre.

17. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof ten aanzien van [slachtoffer 3] heeft aangenomen dat sprake was van misbruik van een kwetsbare positie.(4)

18. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt 's Hofs arrest in:

"Het hof acht niet bewezen dat de verdachte [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen om zich te prostitueren en hun verdiensten aan verdachte af te dragen. Wel blijkt dat zij door de verdachte zijn bewogen tot prostitutie en tot afdracht van hun verdiensten. Verdachte ging daarbij in grote lijnen als volgt te werk. Op het moment dat hij contact had met een kwetsbaar en daardoor beïnvloedbare jonge vrouw probeerde hij die vrouw in te palmen met attenties en complimenten. Na enige tijd begon hij te praten over de voordelen (met name de verdiensten) van prostitutie en schilderde een beeld dat niet overeenkwam met de werkelijkheid, welk beeld evenwel de vrouwen er (mede) toe bracht om zich te prostitueren. Vervolgens lieten de vrouwen zich een groot deel van hun verdiensten afnemen als gevolg van het feit dat zij in de veronderstelling verkeerden dat het geld voor een gezamenlijke toekomst werd gebruikt of als gevolg van het feit dat ze waren ingepalmd en/of ze daarnaast door de kwetsbare positie waarin zij zich bevonden weinig weerbaar waren. (...)

Ten aanzien van [slachtoffer 3] geldt het volgende:

Zij heeft borderline en gebruikt vanaf haar veertiende drugs. Zij leerde de verdachte kennen in een koffieshop. Zij kreeg wel eens gratis coke van hem (p. 3444 en 3445 van het dossier). Op een gegeven moment is zij met verdachte mee naar Amsterdam geweest. Verdachte had haar gezegd dat zij daar met dansen veel geld kon verdienen. Toen zij in Amsterdam kwam, bleek dat het de bedoeling was dat zij achter het raam ging zitten. De eerste keer heeft zij 200 euro verdiend. Daarvan heeft zij 100 euro aan de verdachte gegeven. Zij moest hem wel wat geven, omdat [betrokkene 1] langs de ramen liep en haar op die manier controleerde (p. 3446 van het dossier).

Namens de verdediging is aangevoerd - kort samengevat - dat de verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde voor zover dat betrekking heeft op [slachtoffer 3] moet worden vrijgesproken, omdat [slachtoffer 3] vrijwillig de prostitutiewerkzaamheden zou hebben verricht. Dit zou (voor wat betreft de eerste keer in Amsterdam) blijken uit haar verklaring bij de rechter-commissaris, waar zij zou hebben gezegd 'dat ze niet heeft gezegd dat ze niet wilde, want anders had ze het niet gedaan'. Daarnaast zou uit verklaringen blijken dat [slachtoffer 3] voordat zij met verdachte naar Amsterdam ging, reeds eerder in de prostitutie had gewerkt.

Het hof verwerpt dit verweer. In de eerste plaats lijkt de raadsman de verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris verkeerd weer te geven. Er staat namelijk: 'nee ik heb niet (...) gezegd dat ik het niet zou doen, anders had ik het niet gedaan.' Deze zin betekent wat anders dan de zin zoals weergegeven door de raadsman. Hoewel het jammer is dat bij de ondervraging bij de rechter-commissaris niet explicieter op de vraag naar de vrijwilligheid is ingegaan, acht het hof uit de verklaring voldoende naar voren komen dat [slachtoffer 3] met name door misleiding van de verdachte is bewogen zich te prostitueren. De reden dat zij met verdachte naar Amsterdam ging was haar veronderstelling dat ze daar zou gaan dansen. Pas toen zij de ramen zag, was het haar duidelijk wat de bedoeling was. Zij was toen heel erg geschrokken, maar heeft vervolgens de knop omgezet, zo heeft zij bij de rechter-commissaris verklaard. Uit het feit dat ze schrok, leidt het hof af dat het niet haar wens was om in Amsterdam als prostituee te gaan werken. Dat ze het toch heeft gedaan, lijkt dan voort te komen uit het feit dat ze zich geconfronteerd voelde met een voldongen feit; dat ze het gevoel had niet meer terug te kunnen.

Zelfs als het zo is dat [slachtoffer 3] eerder in de prostitutie heeft gewerkt, staat dat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het feit dat iemand eerder in de prostitutie heeft gewerkt, betekent namelijk niet dat die persoon in het vervolg altijd en onder alle omstandigheden in de prostitutie wil werken. Ook zo'n persoon kan nadien (door misleiding etc.) bewogen worden om (opnieuw) in de prostitutie te gaan werken.

Hoewel [slachtoffer 3] na de eerste keer nog een aantal malen met verdachte is mee geweest naar Amsterdam, kan het hof niet uit de bewijsmiddelen halen dat zij daartoe door in de tenlastelegging genoemde middelen is bewogen en/of dat zij door de verdachte is bewogen het door haar verdiende geld af te geven. Hoewel zij, gelet op het feit dat ze borderline heeft, beschouwd kan worden als een kwetsbare vrouw, blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat die kwetsbaarheid zodanig was dat zij eenvoudig te dirigeren was. Bij de rechter-commissaris verklaart zij onder meer dat verdachte had gezegd dat zij hem al haar verdiende geld moest geven, maar dat zij dat niet deed. Voorts blijkt niet dat verdachte haar na de eerste keer misleidende informatie heeft verstrekt. Na de eerste keer wist zij dat zij naar Amsterdam ging om als prostituee te werken. Hoewel verdachte haar heeft aangemoedigd (door te zeggen dat ze vast meer zou verdienen dan de vorige keer), kan dat niet als misleiding worden beschouwd. Voorts is het zo dat verdachte de prostitutiewerkzaamheden gefaciliteerd heeft door [slachtoffer 3] naar Amsterdam te brengen en een kamer te regelen, maar het hof vindt onvoldoende vaststaan dat [slachtoffer 3] door die feitelijkheden bewogen is zich te prostitueren."

19. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft het Hof bewezenverklaard dat de verdachte [slachtoffer 3] (onder meer) door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten en tot het hem bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen. Gelet echter op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen (in het bijzonder de bewijsmiddelen 11-16) alsmede de omstandigheid dat het Hof vaststelt dat [slachtoffer 3] niet zo kwetsbaar was dat zij eenvoudig te dirigeren was, heeft het Hof kennelijk echter bij vergissing bewezenverklaard dat misbruik is gemaakt van haar kwetsbare positie. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring in zoverre verbeterd lezen. Deze lezing tast de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan. Daarom behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.(5) Daarbij teken ik aan dat het Hof blijkens hetgeen hij heeft overwogen alleen ten aanzien van de eerste keer dat [slachtoffer 3] naar Amsterdam werd gebracht mensenhandel bewezen heeft geacht.

20. Het derde middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte mede heeft gekwalificeerd als "opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, meermalen gepleegd".

21. In aanmerking genomen dat het Hof de verdachte heeft vrijgesproken van het opzettelijk voordeel trekken uit - kort gezegd - gedwongen seksuele handelingen, lijkt het in het middel bedoelde gedeelte van de kwalificatie kennelijk bij vergissing te zijn opgenomen. De Hoge Raad kan de kwalificatie verbeteren. Aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd zijn hierbij niet in het geding.(6)

22. Het middel slaagt.

23. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 12 september 2007 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen, kan dit punt evenwel onbesproken blijven.

24. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde, tot verbetering van de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde als hiervoor uiteengezet en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het cassatieberoep is ingesteld op 12 september 2007.

2 Het begrip "misleiding" kwam reeds ten tijde van de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht voor in art. 47 Sr; zie voorts art. 248a en 328bis Sr.

3 Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 13, punt 3, op art. 261 (bijgewerkt tot 1 februari 2006).

4 In de wetgeschiedenis wordt - afgezien van de opmerking dat een slachtoffer onder de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid in ieder geval als bijzonder kwetsbaar wordt beschouwd - geen nadere omschrijving gegeven van "misbruik van een kwetsbare positie" (Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nr. 3, p.12). Zie in dat verband voorts Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 273f, aant. 3 (bijgewerkt tot 1 november 2006 door A.J. Machielse).

5 O.a. HR 18 maart 2003, 02507/01, rov. 5.2, HR 15 april 2003, LJN AF5257 (geheel feit viel weg), HR 7 oktober 2003, NS 2003, 413, HR 11 januari 2005, LJN AR5101, HR 20 juni 2006, NJ 2006, 380, HR 17 oktober 2006, LJN AY7770.

6 Uit HR18 maart 2003, 02507/01, rov. 5.2. Zie voorts. HR 17 oktober 2006, LJN AY7770, HR 20 juni 2006, NJ 2006, 380, HR 11 januari 2005, LJN AR5101, HR 7 oktober 2003, NS 2003, 413 en HR 15 april 2003, LJN AF5257 (geheel feit viel weg).