Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ3502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
07/13383 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ3502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Strafmotivering. Het Hof heeft meegewogen “de omstandigheden dat de verdachte op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om op een dergelijke wijze zijn gram te halen” terwijl het Hof verdachte heeft vrijgesproken van handelen met voorbedachten rade. HR: De klacht berust op een onjuiste lezing van de overweging van het Hof omdat het Hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat verdachte gedurende enige tijd het voornemen heeft gehad om zijn gram te halen over een kort daarvoor ontstane aanrijding met het slachtoffer zonder dat toen ook al een specifiek voornemen tot levensberoving bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1230
NJ 2009, 530
NJB 2009, 1947

Conclusie

Nr. 07/13383 A

Mr. Knigge

Zitting: 7 juli 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij vonnis van 23 mei 2007 verdachte voor "doodslag" en "overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren en tien maanden. Voorts heeft het Hof gelast dat twee wapens en zes patronen aan het verkeer worden onttrokken, een en ander zoals nader bepaald in het vonnis.

2. Tegen deze uitspraak heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de strafoplegging niet op begrijpelijke wijze is gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het Hof tegenstrijdig beslist door enerzijds verdachte vrij te spreken van handelen met voorbedachte raad c.q. van moord en anderzijds bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om met doodslag zijn gram te halen. Met deze overweging zou het Hof verkapt voorbedachte raad als strafverzwaringsgrond hebben toegepast.

4. In de onderhavige zaak is, voor zover hier van belang, aan de verdachte tenlastegelegd:

"1. dat hij, op of omstreeks 13 mei 2006, op het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland St. Maarten, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen (telkens), althans eenmaal, met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) afgevuurd in/op het lichaam van [slachtoffer], althans in de richting van [slachtoffer], daarbij/daarmee treffend/verwondend [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden"

5. Blijkens de bewezenverklaring heeft het Hof dit - terecht - zo opgevat dat verdachte onder 1 impliciet primair moord en impliciet subsidiair doodslag is tenlastegelegd. De delictsomschrijving van moord verschilt van die van doodslag enkel door het kwalificerende bestanddeel voorbedachte raad.(1) Voor bewezenverklaring van voorbedachte rade is voldoende dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, oftewel dat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.(2) Dat tijdsverloop hoeft niet lang te zijn en evenmin is vereist dat de verdachte zich daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad.(3)

6. Betreffende deel 1 van de tenlastelegging heeft het Hof bewezenverklaard het impliciet subsidiair tenlastegelegde, met dien verstande dat verdachte:

"op 13 mei 2006 op het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland St. Maarten opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel afgevuurd in de richting van [slachtoffer], daarmee treffend [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden"

Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, waaronder dus voorbedachte raad, is volgens het Hof niet wettig en overtuigend bewezen.

7. Omtrent de op te leggen straf heeft het Hof, voor zover hier relevant, als volgt overwogen.

"Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

De verdachte heeft bij een uit de hand gelopen ruzie na een aanrijding zijn slachtoffer, na een achtervolging, doodgeschoten. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer beroofd van het kostbaarste goed dat de mens bezit, te weten het leven. Hij heeft daardoor tevens onpeilbaar verdriet veroorzaakt bij de nabestaanden, die voor de schier onmogelijke taak staan het gebeurde een plaats te geven in hun leven. De verdachte versterkt met zijn handelen de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Doodslag behoort tot de categorie delicten die de wetgever, samenloop daargelaten, met levenslange en de maximale tijdelijke gevangenisstraf (van vierentwintig jaar) heeft bedreigd.

Het voorgaande rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf. In het nadeel van de verdachte houdt het Hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om op een dergelijke wijze zijn gram te halen. Bijvoorbeeld op het moment dat het latere slachtoffer tegen een muur aan was gereden en zijn auto uitvluchtte. Voorts houdt het Hof rekening met het feit dat de verdachte eerder voor misdrijven is veroordeeld. In verband met de grote mate van agressie die de verdachte ten toon heeft gespreid en de dramatische afloop van dit schietincident, is het Hof van oordeel dat aan de ernst van de feiten en de generaal preventieve werking onvoldoende recht is gedaan door de in eerste aanleg opgelegde straf. Om die reden acht het Hof een, hogere, gevangenisstraf van 15 jaren op zijn plaats."

8. Ik stel voorop dat zich in casu niet de situatie voordoet dat na een onherroepelijke vrijspraak alsnog verdachtmakingen worden geuit jegens een gewezen-verdachte (hetgeen in strijd zou zijn met art. 6 lid 2 EVRM(4)). Van een onherroepelijke vrijspraak en een gewezen verdachte is immers (nog) geen sprake.

9. In HR 5 januari 1988, NJ 1988, 761 was de verdachte om technische redenen van een aantal van de tenlastegelegde helingshandelingen vrijgesproken. Toch hield het Hof met deze feiten rekening bij de strafoplegging. De Hoge Raad zag daarin geen bezwaar. Hij wees erop dat de verdachte niet opnieuw voor deze feiten kon worden vervolgd en dat de verdachte erkend had dat hij de feiten had gepleegd. In dezelfde lijn ligt HR 8 september 1998, LJN ZD1128. Hier nam het Hof bij de straftoemeting ter zake van de sub 1 bewezenverklaarde ontucht met een minderjarige in aanmerking dat de ontucht mede had bestaan uit geslachtsgemeenschap, hoewel verdachte niet veroordeeld werd voor het sub 2 tenlastegelegde feit, dat blijkens de overwegingen van het Hof betrekking had op vleselijke gemeenschap met die minderjarige (art. 245 oud Sr).(5) De Hoge Raad oordeelde dat het daartegen gerichte middel faalde en nam daarbij, onder verwijzing naar NJ 1988, 761, in aanmerking dat de verdachte de geslachtsgemeenschap had erkend.

10. Het eerst genoemde arrest (NJ 1988, 761) sloot nauw aan bij de vaste rechtspraak inzake ad informandum gevoegde feiten. In het tweede arrest was de situatie in zoverre anders dat het Hof de verdachte het strafbare feit waarvan hij was vrijgesproken (verkrachting) alsnog aanrekende, maar alleen rekening hield met een op zich niet als zelfstandig delict strafbaar gestelde omstandigheid die onderdeel vormde van het tenlastegelegde feit. Aannemelijk is dat als rekening wordt gehouden met strafbare feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken (het eerste geval), steeds vereist is dat de verdachte de desbetreffende feiten heeft erkend. Wat voor ad informandum gevoegde feiten geldt, zal ook hebben te gelden voor feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken.(6) Hoe dat zit in het tweede geval, waarin het gaat om een onderdeel van het feitencomplex waarvan de verdachte is vrijgesproken, is niet helemaal duidelijk.(7) Evenmin duidelijk is hoe het zit in gevallen waarin de verdachte is vrijgesproken van een wettelijke strafverzwaringsgrond of van een gekwalificeerde variant van het bewezenverklaarde feit. Dat laatste doet zich in casu voor.

11. Ik meen dat de vraag of erkenning door de verdachte een noodzakelijke voorwaarde is om bij de strafoplegging met de niet bewezen voorbedachte raad rekening te mogen houden, hier geen beantwoording behoeft. Aandacht verdient dat de besproken jurisprudentie betrekking heeft op bestreden uitspraken die niet inconsistent waren. In NJ 1988, 761 kon het Hof oordelen dat aannemelijk was dat de verdachte de desbetreffende feiten had gepleegd zonder in strijd te komen met de - immers op technische gronden gegeven - vrijspraak. In LJN ZD1128 is weliswaar onduidelijk wat de reden voor de gegeven vrijspraak was, maar gelet op de erkenning van de verdachte lijkt het oordeel dat sprake was geweest van geslachtsgemeenschap ook hier te verenigen met de gegeven vrijspraak, zodat het Hof niet terug kwam op de (reden voor) die vrijspraak.(8)

12. In de onderhavige zaak heeft het Hof onder meer rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op verschillende momenten tijdens de achtervolging, die werd ingezet na een uit de hand gelopen ruzie na een aanrijding, op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om zijn gram te halen door het slachtoffer van het leven te beroven. Die vaststelling valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - mijns inziens - gezien de "hedendaagse, vrij marginale invulling" (9) van voorbedachte raad, zoals die onder 5 is weergegeven - niet te rijmen met de vrijspraak van het primair tenlastgelegde.

13. Deze innerlijke tegenstrijdigheid raakt uit de aard der zaak niet alleen de strafoplegging, maar ook de gegeven vrijspraak. De vernietiging van de bestreden uitspraak zal daarom niet beperkt kunnen blijven tot de strafoplegging.

14. Het middel slaagt.

15. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis ten aanzien van de beslissingen gegeven met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit en ten aanzien van de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 oktober 1999, NJ 2000, 109 m.nt. JdH. Zie ook de Jonge, D.H. 'Moord, doodslag, verkrachting en aanranding: enkele technisch-juridische notities'. DD 30 (2000), afl. 4, pp, 305-310.

2 HR 11 juni 2002, LJN AE1743; HR 22 februari 2005, LJN AR5714; HR 10 februari 2009, LJN: BG2195

3 De Hullu, J. (2006), Materieel strafrecht, p. 242 met verwijzing naar o.m. HR 7 december 1999, NJ 2000, 263

4 Zie o.m. EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349 m.nt. Borgers (Geerings tegen Nederland).

5 Uit het arrest van de Hoge Raad noch de conclusie van de AG wordt duidelijk om welke reden verdachte door het Hof was vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

6 Al is de vraag of HR 31 mei 1994, LJN ZC9745 in deze lijn past.

7 Zie in dit verband ook HR 1 december 1998, NJ 1999, 222, waarin het Hof vrijsprak van moord/doodslag (de opzet kon niet bewezen worden), maar bij de strafoplegging ter zake van het verboden vuurwapenbezit de gevolgen in aanmerking nam waartoe dat bezit had geleid.

8 Dat was evenmin het geval in de in de beide vorige noten genoemde arresten.

9 De Hullu, J. (2006), p. 242