Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ3297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
07/13675
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ3297
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opgave van bewijsmiddelen bij bekennende verdachte, art. 359.3 Sv. Uit de bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt dat de bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden, indien door of namens de verdachte ttz vrijspraak is bepleit. Het oordeel van het Hof dat i.c. kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv is, nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit, derhalve onjuist (vgl. HR NJ 2009, 260).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1192
NJB 2009, 1940

Conclusie

Nr. 07/13675

Mr. Vellinga

Zitting: 30 juni 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1 "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zestig uren subsidiair dertig dagen hechtenis en wegens 2 "overtreding van artikel 21, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" tot een geldboete van € 480,- subsidiair negen dagen hechtenis, te betalen in twee opéénvolgende termijnen van één maand van telkens € 240,-.

2. Namens verdachte heeft mr. A.R. Kellermann, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 26 augustus 2006 te Noordwijk aan Zee, gemeente Noordwijk, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Provincialeweg N206, als bestuurder een motorrijtuig (auto) van die categorie heeft bestuurd."

5. In zijn arrest heeft het Hof met betrekking tot de bewijsvoering het volgende overwogen, voor zover hier van belang:

"Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Het hof is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan, nu de verdachte bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend.

Feiten 1 + 2:

1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2007 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik heb op 26 augustus 2006 te Noordwijk aan Zee ondanks de ongeldigverklaring van mijn rijbewijs in mijn auto gereden. [...]

2. Het proces-verbaal van de Politie Hollands Midden, nr. PL1600/06-165653 d.d. 12 september 2006, inhoudende de constatering op 26 augustus 2006 van de snelheidsovertreding en het ongeldig verklaarde rijbewijs, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van politie.

3. Het proces-verbaal van de Politie Hollands Midden, als bijlage bij het proces-verbaal van de (Politie Hollands Midden, nr. PL1600/06-165653 d.d. 12 september 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van politie Hollands Midden, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

4. Een geschrift, zijnde een kopie brief van het CBR d.d. 19 augustus 2003, inhoudende de ongeldigverklaring van het rijbewijs vanaf 26 augustus 2003."

6. De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal in hoger beroep het volgende aangevoerd, voor zover hier van belang:

"Mijn rijbewijs is in beslag genomen door een feit van 3 november 2001 dat mij ten onrechte is aangerekend."

7. De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd, voor zover hier van belang:

"[...] Subsidiair verzoek ik u verdachte vrij te spreken, nu het rijbewijs zonder wettelijke basis ongeldig is verklaard. De verdachte is niet aangehouden op 3 november 2001, terwijl dit feit wel is meegenomen in de vorderingsprocedure. Een kennis van de verdachte was toen aangehouden. Daar zit de pijn voor de verdachte. De verdachte is drie keer in plaats van vier keer aangehouden. In de justitiële documentatie is ook geen melding gemaakt van dit feit. Ik verwijs ook naar de brief die door het CBR is verzonden naar de kennis van de verdachte die op 3 november 2001 is aangehouden waarbij precies dezelfde hoeveelheid promillage staat vermeld. De ongeldigverklaring is derhalve onrechtmatig tot stand gekomen en de verdachte is op 14 april 2006 door de politierechter ten aanzien van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 min of meer ten onrechte veroordeeld."

8. De toelichting op het middel stelt dat, aangezien enerzijds de verdachte niet duidelijk en ondubbelzinnig het hem tenlastegelegde heeft bekend en anderzijds de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit, het Hof niet kon volstaan met een opgave van bewijsmiddelen en het arrest derhalve nietig is.

9. Art. 359, derde lid, Sv bepaalt dat voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit. Dienovereenkomstig heeft de Hoge Raad bij herhaling overwogen dat uit deze bepaling volgt dat deze in ieder geval geen toepassing vindt indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit (o.a. HR 15 mei 2007, LJN BA0492, NJ 2007, 314). Nu verdachtes raadsman vrijspraak heeft bepleit, betekent dit dat het Hof niet had kunnen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

10. Het middel slaagt.

11. Ik heb mij afgevraagd of moet worden onderzocht of van vernietiging van het arrest dient te worden afgezien wanneer verdachtes raadsman aan zijn betoog ten onrechte de conclusie "vrijspraak" heeft verbonden zoals het Hof kennelijk in het onderhavige geval heeft geoordeeld. Daar ben ik geen voorstander van. Het gaat hier om een ondubbelzinnig geformuleerde maatregel van doelmatigheid(1) die, wil deze in feitelijke aanleg en/of cassatie geen werk oproepen, eenvoudig toepasbaar moet zijn. Daarmee is niet verenigbaar dat in feitelijke aanleg en/of in cassatie nog weer zou moeten worden onderzocht of aan een verweer terecht de conclusie "vrijspraak" is verbonden.

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof het beroep op afwezigheid van alle schuld op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

13. De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal in hoger beroep het volgende aangevoerd, voor zover hier van belang:

"[...] Meer subsidiair doe ik een beroep op afwezigheid van alle schuld bij de verdachte en verzoek ik u de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de verdachte deze gang van zaken niet valt te verwijten, aangezien door het CBR een fout is gemaakt. [...]"

14. Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte het verweer gevoerd - voor zover het hof begrijpt - dat de beslissing van het CBR van 2 juli 2002 om de verdachte te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid onrechtmatig is genomen, nu de verdachte ten onrechte het feit van 3 november 2001 is aangerekend. Hij is derhalve niet viermaal, maar driemaal op verdenking van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 aangehouden in een periode van vijf jaar. Naar aanleiding van die administratieve fout door het CBR is ten aanzien van de verdachte een onjuiste beslissing genomen door zijn rijbewijs ongeldig te verklaren. Deze beslissing kan niet aan de verdachte worden toegerekend en de verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld bij verdachte.

Het hof verwerpt dit verweer, reeds nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte bewust met zijn auto is gaan rijden, terwijl hij wist dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. Voorts blijkt uit het besluit van het CBR d.d. 23 augustus 2007 dat zelfs zonder de bewuste aanhouding van 3 november 2001 er niettemin grond bestond voor een onderzoek naar de geschiktheid, gelet op artikel 8, tweede lid van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, zodat niet aannemelijk is geworden dat de beslissing ten aanzien van de verdachte ten onrechte is genomen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar."

15. De toelichting op het middel betoogt dat de stelling van het Hof dat ook zonder de bestreden aanhouding van 3 november 2001 grond bestond voor een onderzoek naar de geschiktheid motorrijtuigen te besturen, onjuist is.

16. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof het verweer van de raadsman verworpen, reeds nu is gebleken dat de verdachte bewust een auto heeft bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Deze overweging van het Hof, waartegen in het middel niet wordt opgekomen, draagt de verwerping van het gevoerde verweer zelfstandig. Hetgeen het Hof overigens heeft overwogen kan derhalve buiten beschouwing blijven.

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, alsmede tot verwerping van het beroep voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, 2003-2004, 29255, nr. 3 en 5