Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ3279

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
07/11339
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ3279
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over voltooide diefstal, art. 310 Sr. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. S 07/11339

Mr Jörg

Zitting 30 juni 2009

Conclusie inzake:

[Verzoekster = verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft verzoekster bij arrest van 12 februari 2007 wegens diefstal, gevolgd van geweld, veroordeeld tot 100 uren werkstraf, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij à € 200,- toegewezen en in de gebruikelijke alternatieve modus aan verzoekster de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Ten slotte heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de aan verzoekster bij vonnis van de politierechter Zwolle-Lelystad d.d. 23 juli 2004 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een geldboete van € 110,-.

2. Namens verzoekster heeft mr. N.C. Milani, advocaat te Lelystad, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewezen verklaarde feiten voltooide diefstal opleveren.

4. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof ten laste van verzoekster bewezen verklaard dat:

"zij op 26 oktober 2004 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse kledingstukken toebehorende aan De Bijenkorf, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zij [slachtoffer] heeft geslagen en gekrabd in het gezicht en geschopt tegen het lichaam".

5. Aan deze bewezenverklaring gaat de volgende overweging met betrekking tot het bewijs - voor zover hier van belang - vooraf:

"[betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden medewerkers van het filiaal van De Bijenkorf in Lelystad, hebben verklaard op welke wijze de verdachte op 26 oktober 2004 in de winkel heeft gehandeld. Op grond van hun verklaringen komt het hof tot de navolgende vaststaande feiten.

Verdachte is regelmatig in de winkel geweest en heeft zich daarbij verdacht gedragen. Ze had die keren veelal grote tassen bij zich.

Op 26 oktober 2004 bevond verdachte zich omstreeks 15.15 uur in De Bijenkorf te Lelystad. Verdachte was in het bezit van een koffer op wieltjes. Zij ging met meerdere kledingstukken (onder andere vijf spijkerbroeken) de paskamer in. Kort daarna verliet zij met koffer de paskamer, doch zonder de eerder meegenomen kledingstukken, dan wel met minder kledingstukken dan zij eerder meenam. Deze gang van zaken herhaalde zich een aantal keren. Daarbij werd in één geval de betreffende paskamer gecontroleerd door een winkelmedewerker en werden de kledingstukken niet aangetroffen. Er is gezien dat de koffer na verloop van tijd bol stond.

Ook is gezien dat verdachte per GSM belde of werd gebeld. Na het telefonische contact ging verdachte wederom met koffer de paskamer in. Bij het verlaten ervan bleek dat de koffer minder bol was. In de betreffende paskamer is daarna een grote hoeveelheid kleding aangetroffen, waaronder een broek waarvan het alarmlabel was voorzien van zilverfolie.

Na het verlaten van de winkel is verdachte aangesproken. Zij verleende toestemming voor controle van haar koffer. Deze bleek aan de binnenzijde te zijn geprepareerd met aluminiumfolie. In de koffer bevonden zich geen Bijenkorf-kledingstukken.

Uit vorengaande leidt het hof af dat verdachte kledingstukken vanuit de winkel in de paskamer in haar koffer heeft gestopt met de kennelijke bedoeling om aldus de winkel te verlaten zonder de kledingstukken ter betaling aan te bieden.

Dat verdachte de kledingstukken niet zou betalen baseert het hof op de uitlating van verdachte dat zij forse schulden had en heeft, terwijl de waarde van de aangetroffen kledingstukken € 1.274,- bedroeg.

Het hof is van oordeel dat deze feiten een voltooide diefstal opleveren, nu de kledingstukken opgeborgen in de koffer door verdachte feitelijk aan de macht en heerschappij van de rechthebbende waren onttrokken.

Gelet hierop behoeft het beroep op vrijwillige terugtred geen nadere bespreking.

Het verweer dat door en namens de verdachte is gevoerd, dat er geen sprake is geweest van wegnemen in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, kan gelet op het bovenstaande geen doel treffen. Het hof verwerpt dat verweer."

6. Volgens de steller van het middel waren de kledingstukken niet aan de beschikkingsmacht van de rechthebbende onttrokken aangezien deze in het geheel niet buiten de winkel waren gebracht maar ten tijde van de aanhouding van verzoekster in de paskamer in de winkel lagen en zich niet meer in haar koffer bevonden, zodat geen sprake kon zijn van voltooide diefstal.

7. Deze stelling is onjuist. In 's hofs oordeel dat de bewezen verklaarde feiten voltooide diefstal opleveren, nu de kledingstukken opgeborgen in de koffer door verzoekster feitelijk aan de macht en heerschappij van de rechthebbende waren onttrokken, ligt besloten dat het goed werd weggenomen in de zin van art. 310 Sr. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk (vgl. HR 13 december 1977, NJ 1978, 593; HR 7 oktober 1980, NJ 1981, 80; HR 11 januari 2000, NJ 2000, 588). Diefstal is immers een formeel omschreven delict dat is voltooid wanneer de gedraging is verricht, ook al heeft deze binnen de winkel plaatsgevonden en is deze van tijdelijke aard geweest.

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Ambtshalve wijs ik nog op het feit dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Verzoekster heeft op 23 februari 2007 beroep in cassatie ingesteld. Het geding in cassatie behoort binnen twee jaren met een einduitspraak te zijn afgerond nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Op zijn vroegst zal Uw Raad in juli 2009 uitspraak kunnen doen in deze zaak, zodat genoemde termijn minstens met vijf maanden zal worden overschreden. Dit behoeft echter niet tot strafvermindering te leiden aangezien het hier gaat om een taakstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan honderd uren (zie HR 17 juni 2008, LJN BD2578, r.o. 3.6.2. onder A). Uw Raad kan dan ook volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in casu is overschreden.

10. Overige gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G