Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ3229

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
01974/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ3229
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. De bewezenverklaring kan niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsmiddelen. De uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1247

Conclusie

Nr. 01974/07

Mr. Knigge

Zitting: 7 juli 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 18 januari 2007 wegens "opzetheling" en "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en verdachte te dier zake een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, als nader in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel betwist de bewijsvoering van het Hof. Het klaagt dat de bewezenverklaring van diefstal niet geschraagd wordt door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel zijn die bewijsmiddelen weliswaar aanwijzingen waaruit enige betrokkenheid van verdachte kan worden afgeleid, maar volgt hieruit niet dat het verdachte is geweest die de diefstal heeft gepleegd.

4. Voor zover hier relevant heeft het Hof bewezenverklaard dat verdachte

"op of omstreeks 19 oktober 2005 in [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat]) heeft weggenomen een portemonnee met daarin ondermeer een bibliotheekpas en een creditcard en een of meer overige pasjes toebehorende aan [slachtoffer]."

Deze bewijsverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Team Apeldoorn Noord West, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/05-377347, gesloten en getekend op 19 oktober 2005 te Apeldoorn, als bijlage (p.34-36) gevoegd bij het stamproces-verbaal, inhoudende de aangifte van [slachtoffer] -zakelijk weergegeven-:

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Op woensdag 19 oktober 2005 ontdekte ik 's nachts dat onze achterdeur niet afgesloten was. Toen ik vanmorgen mijn tasje pakte bemerkte ik dat mijn telefoon en portemonnee ontvreemd waren uit mijn tasje. Een insluiper heeft dit de afgelopen nacht ontvreemd uit onze woning. In mijn portemonnee zaten (onder andere) de navolgende goederen: Creditcard ABN Mastercard, diverse pasjes.

Nadat ik de diefstal bemerkt had heb ik direkt contact opgenomen met het creditcardbedrijf. Ik kreeg te horen dat er een bedrag van 2429,50 euro was afgeschreven door een bedrijf uit Rotterdam. Vanochtend kreeg mijn man via zijn email-adres een orderbevestiging van elektronica-apparatuur ter waarde van 2429,50 euro. Deze bestelling was op 19 oktober 2005 om 05.20 uur gedaan bij de PDAshop.nl te Rotterdam.

2. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Team Apeldoorn Noord West, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/05-377347, gesloten en getekend op 25 oktober 2005 te Apeldoorn, als bijlage (p.46-48) gevoegd bij het stamproces-verbaal, inhoudende de verklaring van [betrokkene 1] -zakelijk weergegeven-:

In de nacht van dinsdag op woensdag (het hof begrijpt: woensdag 19 oktober 2005) hebben [betrokkene 2] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) bij mij op de computer gewerkt. Ik ben rond 1:00 uur gaan slapen. Ik ben nog wakker geworden en zag toen dat [betrokkene 2] nog alleen achter de computer zat. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat [verdachte] even weg was. Rond 2:30 uur ben ik wakker geworden van de deurbel. Ik zag dat [verdachte] voor de deur stond. Ik zag dat hij pasjes bij zich had. Ik zag dat hij deze uit een tas haalde. Ik herkende dat dat de tas van [verdachte] was. Ik zag dat hij uit deze tas onder andere een creditcard haalde. Ik zag dat hij vervolgens achter de computer ging zitten. In de ochtend, ik schat rond 7:00 uur, zag ik dat [verdachte] en [betrokkene 2] nog steeds achter de computer zaten. Ik vroeg hen wat ze aan het doen waren. Vervolgens hoorde ik dat ze spullen gingen bestellen door middel van een creditcard.

3. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Team Apeldoorn Noord West en [verbalisant 2], brigadier van politie Team Apeldoorn Noord West, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/05-377347, gesloten en getekend op 26 oktober 2005 te Apeldoorn, als bijlage (p.39) gevoegd bij het stamproces-verbaal, inhoudende het relaas van voornoemde verbalisanten -zakelijk weergegeven-:

Op 26 oktober 2005 werd verdachte [verdachte] aangehouden. Met toestemming van verdachte keken wij, verbalisanten, onder meer in zijn portemonnee. In de portemonnee werd onder meer een bibliotheekpas aangetroffen ten name van [slachtoffer]."

5. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie kan slechts worden onderzocht of het Hof het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.(1) Volgens de steller van het middel schiet de motivering van de bewezenverklaring in onderhavige zaak op dit punt tekort.

Het gaat hier om de vraag of uit de inhoud van de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, zoals hierboven onder 4 weergegeven, kan worden afgeleid dat verdachte op of omstreeks 19 oktober 2005 uit een woning aan de [a-straat] te [plaats] een portemonnee met verschillende passen, waaronder een creditcard, toebehorend aan [slachtoffer], heeft gestolen.

Er is de aangifte (bewijsmiddel 1) en de vaststelling dat de bibliotheekpas van [slachtoffer] zich een week na de diefstal in de portemonnee van verdachte bevond (bewijsmiddel 3). Voorts is er de verklaring van [betrokkene 1] dat verdachte in de nacht van 19 oktober 2005 bij hem thuis was, is vertrokken en niet veel later teruggekomen, waarna hij een creditcard en andere pasjes uit zijn tas heeft gehaald en met '[betrokkene 2]' op de computer met de creditcard spullen heeft besteld (bewijsmiddel 2). Uit de aangifte blijkt voorts dat op 19 oktober 2005 om 05.20 uur met de ontvreemde creditcard voor een fors bedrag elektronica-apparatuur was besteld bij de PDAshop.nl te Rotterdam.

6. Met betrekking tot de vraag hoe de bibliotheekpas van [slachtoffer] in de portemonnee van verdachte is gekomen, hebben verdachte en zijn raadsman aangevoerd dat verdachte de pas in de woning van [betrokkene 1] gebruikt heeft om drugs op een lijntje te leggen en vervolgens bij zich heeft gestoken, denkend dat het zijn eigen pas was. Het Hof heeft - in zijn vrije selectie en waardering van het bewijs - geoordeeld dat deze lezing wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen (arrest, p.3).

7. Uit de in de aanvulling op het verkort arrest vermelde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte toen hij in de nacht waarin de diefstal werd gepleegd, terugkeerde in de woning van [betrokkene 1] in het bezit was van de bij die diefstal weggenomen bibliotheekpas en creditcard. Hoe hij aan die passen is gekomen, blijkt uit de bewijsmiddelen evenwel niet. In het bijzonder kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte op of omstreeks 19 oktober 2005 in de bedoelde woning aan de [a-straat] is geweest en daar de portemonnee van [slachtoffer] heeft weggenomen.(2) Mijns inziens heeft het Hof zijn bewijsbeslissing inzake de tenlastegelegde diefstal onvoldoende met redenen omkleed.

8. Het middel is terecht voorgesteld.

9. Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 25 maart 2003, LJN AF5388

2 Vgl. HR 8 juni 1993, NJ 1993, 514.