Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ2851

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
09/01496 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ2851
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering. In de bestreden uitspraak is ten onrechte art. 47 Sr niet vermeld als i.c. mede toepasselijke wetsbepaling. De HR herstelt het verzuim. Overige middelen (gericht tegen de toelaatbaarverklaring en over schending art. 3 EVRM): 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1117
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01496 U

Mr. Machielse

Zitting 23 juni 2009

Conclusie inzake:

[De opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank Haarlem heeft op 31 maart 2009 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar verklaard.

2. Mr. A. Bateburg de Jong, advocaat te Hoofddorp, heeft cassatie ingesteld., Mr. D.W.H.M. Wolters, eveneens advocaat te Hoofddorp, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam waren om te kunnen beslissen over de toelaatbaarheid van de uitlevering en dat de door de verdediging overgelegde stukken een ontoereikende grondslag bieden voor de stelling dat aan de opgeëiste persoon na uitlevering in de Verenigde Staten een onaantastbare levenslange gevangenisstraf (mandatory life sentence) zal worden opgelegd. Het stelt de vraag welke officiële stukken de opgeëiste persoon dan had moeten overleggen. Subsidiair had de rechtbank moet beslissen dat de stukken ongenoegzaam zijn en dat daarom de uitlevering ontoelaatbaar diende te worden verklaard.

Het tweede middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering van de opgeëiste persoon niet leidt tot een onmenselijke of vernederende behandeling in de Verenigde Staten, nu de opgeëiste persoon onontkoombaar zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating, hetgeen een onmenselijke bestraffing is. Daarom had de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar moeten verklaren.

Het eerste en tweede middel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

"2.2. De genoegzaamheid van de stukken.

De rechtbank constateert -even als de raadsman en de officier van justitie- dat het verzoek tot uitlevering slechts ziet op het onder 'Count l' opgenomen feit in de eerste vervangende akte van beschuldiging (first superseding indictment, bewijsstuk A) en het aanhoudingsbevel (warrant for arrest, bewijsstuk B). De rechtbank zal de genoegzaamheid van de stukken en de overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering alsmede het vermoeden van schuld, dan ook alleen met betrekking tot dat feit beoordelen.

De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen ook overigens aan de daaraan ingevolge het toepasselijk verdrag te stellen eisen. Met name is in het hiervoor onder 5 genoemde aanhoudingsbevel voldoende duidelijk omschreven ter zake van welk feit de uitlevering wordt verzocht, en staat in de hiervoor onder 4 genoemde eerste akte van beschuldiging een voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd.

Derhalve is voldaan aan de in art. art. 9 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederland en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111, hierna: Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS) gestelde eisen.

2.3. De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering.

2.3.1. Dubbele strafbaarheid.

Van toepassing is het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS.

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, staat vermeld in de Bijlage bij het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS onder nummer 28.

Ook naar Nederlands recht is het feit strafbaar. Het feit levert naar Nederlands recht op:

deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een grote hoeveelheid hasjiesj (artikel l la Opiumwet), dan wel; deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140 Wetboek van Strafrecht), dan wel; het tesamen en in vereniging binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een grote hoeveelheid hasjiesj (artikel 3 onder A/B Opiumwet).

Daarvoor kan eveneens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Derhalve is voldaan aan de in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

2.3.2. Vermoeden van schuld.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting niet gesteld onverwijld te kunnen aantonen onschuldig te zijn aan het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd. Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd.

2.3.3. Bijzondere omstandigheden.

De raadsman heeft -zakelijk weergegeven- betoogd dat uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika een schending van artikel 3 EVRM oplevert. De raadsman heeft daartoe stukken overgelegd waaruit zou blijken dat in het geval van [de opgeëiste persoon] de Amerikaanse rechter verplicht is een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Bovendien zou [de opgeëiste persoon] in een zwaar of extra beveiligde inrichting terecht komen. Blootstelling van [de opgeëiste persoon] aan een dergelijke bestraffing is naar het oordeel van de raadsman inhumaan en in strijd met artikel 3 EVRM.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

De door de raadsman overgelegde stukken, die ten grondslag liggen aan zijn stelling dat aan [de opgeëiste persoon] een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd, zijn opgesteld door een Amerikaanse advocaat. Naar het oordeel van de rechtbank, is bij afwezigheid van officiële stukken terzake, onvoldoende gebleken dat na uitlevering, aan [de opgeëiste persoon] geen andere straf dan een levenslange gevangenisstraf zal worden opgelegd. Voorts overweegt de rechtbank dat, indien de stelling van de raadsman juist zou zijn, de levenslange gevangenisstraf niet onder de in artikel 7 lid l van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS opgenomen beperking op een op zich toelaatbare uitlevering wordt genoemd.

Ook overigens kan een levenslange gevangenisstraf, ervan uitgaande dat deze, zoals ook door de raadsman is gesteld, een punitief karakter heeft, op zichzelf niet per definitie onmenselijk dan wel in strijd met artikel 3 EVRM geacht worden te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ook onvoldoende omstandigheden gebleken om tot een ander oordeel te komen.

Op grond van het vorengaande acht de rechtbank de uitlevering van [de opgeëiste persoon] dan ook niet onverenigbaar met humanitaire overwegingen en oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken van een situatie zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS."

3.3. De Verenigde Staten zijn partij bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (verdrag van 10 december 1984, besloten te New York). Artikel 16 van dat Verdrag heeft de volgende inhoud:

" 1. Iedere Staat die Partij is, verbindt zich ertoe in alle gebieden onder zijn rechtsmacht andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die geen foltering inhouden zoals omschreven in artikel 1, te voorkomen, wanneer zulke handelingen worden gepleegd door of op aanstichten van dan wel met instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Inzonderheid zijn de verplichtingen vervat in de artikelen 10, 11, 12 en 13 van toepassing, met vervanging van de verwijzingen naar foltering door verwijzingen naar andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

2. De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de bepalingen van andere internationale verdragen of van nationale wetten, waarin wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing zijn verboden, of die betrekking hebben op uitlevering of uitzetting."

De Verenigde Staten hebben een aantal voorbehouden gemaakt bij het Verdrag, waaronder het volgende:

"(1) That the United States considers itself bound by the obligation under article 16 to prevent `cruel, inhuman or degrading treatment or punishment', only insofar as the term `cruel, inhuman or degrading treatment or punishment' means the cruel, unusual and inhumane treatment or punishment prohibited by the Fifth, Eighth, and/or Fourteenth Amendments to the Constitution of the United States."

Het Achtste Amendement lijkt hier het meest relevant. Het luidt aldus:

"Excessive bail shall not be required, nor excessive fines imposed, nor cruel and unusual punishments inflicted."

In de zaak Harmelin v. Michigan(1) besliste het Supreme Court dat een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling wegens het bezit van meer dan 650 gram cocaïne niet in strijd kwam met het Achtste Amendement.

3.4. Mijn indruk is dat het EHRM over de vraag of een levenslange gevangenisstraf in strijd komt met art. 3 EVRM, dat ook foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffing verbiedt, wat genuanceerder denkt dat het Amerikaanse Supreme Court. Ik maak dat op uit de beslissing van het EHRM in de zaak Kafkaris.(2) Ook daarin was sprake van een zgn. mandatory life imprisonment. Het EHRM oordeelde dat een levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM, mits er enigerlei mogelijkheid is voor invrijheidstelling:

"98. In determining whether a life sentence in a given case can be regarded as irreducible the Court has sought to ascertain whether a life prisoner can be said to have any prospect of release. An analysis of the Court's case-law on the subject discloses that where national law affords the possibility of review of a life sentence with a view to its commutation, remission, termination or the conditional release of the prisoner, this will be sufficient to satisfy Article 3. The Court has held, for instance, in a number of cases that where detention was subject to review for the purposes of parole after the expiry of the minimum term for serving the life sentence, that it could not be said that the life prisoners in question had been deprived of any hope of release (see, for example, Stanford, cited above; Hill v. the United Kingdom (dec.), no. 19365/02, 18 March 2003; and Wynne, cited above). The Court has found that this is the case even in the absence of a minimum term of unconditional imprisonment and even when the possibility of parole for prisoners serving a life sentence is limited (see for example, Einhorn (cited above, §§ 27 and 28). It follows that a life sentence does not become "irreducible" by the mere fact that in practice it may be served in full. It is enough for the purposes of Article 3 that a life sentence is de jure and de facto reducible."

3.5. Maar deze beschouwingen leiden niet tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Het is immers vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de uitleveringsrechter alleen als is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren en dat de beslissing of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende staat aan foltering zullen worden onderworpen - waarom de uitlevering geweigerd zou moeten worden - aan de Minister is voorbehouden.(3)

Wat er dus ook zij van de motivering van de verwerping van het beroep op het ongenoegzaam zijn der stukken en van de overweging van de rechtbank over de verhouding tussen een in de Verenigde Staten op te leggen levenslange gevangenisstraf en art. 3 EVRM, de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een en ander aan de beslissing om de uitlevering toelaatbaar te verklaren niet in de weg staat.

4. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Beslissing van 27 juni 1991, 501 U.S. 957 (1991).

2 EHRM 12 februari 2008, nr. 21906/04. Zie voorts over dit thema de uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot mr. Knigge van 30 september 2008, LJN BF3741 .

3 HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533; HR 21 maart 2000, NJ 2000, 240 m.nt. Schalken; HR 19 september 2000, LJN AA7138; HR 26 juni 2007, LJN BA0875.