Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ1940

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
09/01346
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ1940
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Gedwongen ontheffing uit ouderlijk gezag (art. 1:268 lid sub a BW). Toekomst- perspectief kinderen. Ruimte voor beoordeling of horen kinderen noodzakelijk dan wel gewenst is. Art. 8 EVRM. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1216
JWB 2009/386

Conclusie

Zaaknr. 09/01346

Mr. Huydecoper

Parket, 3 juli 2009

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

verzoekster tot cassatie

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming

verweerder in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. Deze zaak gaat over een verzoek van de verweerder in cassatie, de Raad voor de Kinderbescherming, tot ontheffing van de verzoekster tot cassatie, [verzoekster], uit het ouderlijk gezag over twee van haar kinderen(2). Ter onderbouwing van het verzoek is, kort gezegd, aangevoerd dat [verzoekster] onmachtig is (en met het verloop van de tijd bestendig onmachtig blijkt te zijn) om in de opvoeding en verzorging van de twee kinderen waar het om gaat, te voorzien.

2. De twee kinderen waar het om gaat zijn [de dochter], geboren [geboortedatum] 1996 en [de zoon], geboren [geboortedatum] 1997. De kinderen zijn al in 1998 onder toezicht gesteld. In 2004 is besloten tot uithuisplaatsing. Sedertdien hebben de kinderen verbleven bij een pleeggezin (met dien verstande dat [de zoon] enige maanden voor de beslissing in hoger beroep werd geplaatst in een opvoedkundige instelling "De Bascule").

3. In de eerste aanleg heeft de rechtbank vastgesteld dat de in art. 1:268 lid 2 sub a BW omschreven situatie zich voordeed: na een ondertoezichtstelling van meer dan zes maanden en een uithuisplaatsing van meer dan anderhalf jaar blijkt dat de desbetreffende maatregelen, door ongeschiktheid of onmacht van de ouder(s), onvoldoende zijn om aan de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige(en) het hoofd te bieden.

Deze beslissing, waartegen namens [verzoekster] in hoger beroep werd opgekomen, is bij de thans in cassatie bestreden beschikking bekrachtigd.

4. [Verzoekster] heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep laten instellen(3). Van de kant van de Raad voor de Kinderbescherming is bericht dat geen verweer zou worden gevoerd. De (cassatie)advocaat van [verzoekster] heeft onlangs het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de eerste aanleg nagezonden; maar dat heeft geen aanleiding gevormd voor het aanvoeren van nadere klachten.

Bespreking van de cassatiemiddelen

5. Maatregelen die het ouderlijk gezag betreffen gaan naar hun aard over het "family life" dat onder andere door art. 8 EVRM wordt gewaarborgd. Voor de rechtsleer betreffende dergelijke maatregelen is de rechtspraak over dat verdragsartikel, en dan vooral de rechtspraak van het EHRM, dan ook van primerend belang.

Zoals bekend vertoont de rechtspraak van het EHRM een casuïstisch beeld: het EHRM benadrukt regelmatig dat hem voorgelegde zaken op de eigen merites, en met in aanmerking neming van alle bijzonderheden van de desbetreffende zaak, worden beoordeeld. Dat moeten wij in het oog houden als wij uit de rechtspraak van het EHRM "generaliserende" conclusies proberen te trekken.

6. Dat gezegd zijnde, lijkt mij uit de rechtspraak van het EHRM over dit onderwerp het volgende van direct belang:

- omdat bij het "onder hoede stellen" ("taking into care") van minderjarigen vaak onder moeilijke omstandigheden moet worden geoordeeld en een veelheid aan omstandigheden in aanmerking moet worden genomen die door plaatselijke autoriteiten beter kunnen worden beoordeeld dan door het Europese Hof, komt aan de bedoelde autoriteiten een beoordelingsmarge toe(4);

- maatregelen waardoor het gezag aan ouders wordt ontnomen (of ingrijpend beperkt) vormen een aanmerkelijke inbreuk op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht. Dergelijke maatregelen zijn daarom alleen te rechtvaardigen wanneer die "noodzakelijk" zijn op de in art. 8 lid 2 EVRM bedoelde voet. Dat impliceert dat de maatregelen door een "pressing social need" moeten worden ingegeven. (Het enkele feit) dat de minderjarige beter af is met de desbetreffende maatregel is op zichzelf niet voldoende om aan deze maatstaf te beantwoorden(5); al vormen de "best interests of the child" wel een zwaarwegende factor ("of crucial importance")(6).

- De Overheid moet bij onttrekking van kinderen aan een gezin, hereniging als "guiding principle" hanteren(7).

- Bij de beoordeling komt mede gewicht toe aan de ruimte die aan de ouder is geboden om het "decision-making process" te beïnvloeden. Deze moet voldoende zijn. Achterwege blijven van het (mondeling) horen van betrokkenen kán onder omstandigheden opleveren dat er schending van art. 8 is(8). Hetzelfde geldt voor het achterwege laten van (deskundigen)onderzoek(9). Mondeling horen van de betrokken kinderen is echter niet altijd vereist(10).

- Dat geoordeeld is aan de hand van rapporten waarop de klaagster onvoldoende heeft kunnen reageren doet - allicht - afbreuk aan de kwaliteit van het "decision-making process"(11).

7. Het EHRM benadrukt steeds dat de verschillende aspecten van elk geval in hun onderling verband moeten worden beoordeeld: naarmate een maatregel dieper ingrijpt zijn zwaardere eisen aan het onderzoek en de afweging te stellen. Aan de mate waarin de ouder(s) die het aangaat bij de besluitvorming zijn betrokken én afdoende gelegenheid hebben gehad daarin te participeren, komt echter steeds een aanzienlijk gewicht toe.

8. Vervolgens wil ik even stilstaan bij de vraag of de toetsing die het EHRM toepast (niet) dieper op "feitelijke" waarderingen ingaat dan de toetsing die de Hoge Raad op de voet van art. 419 lid 3 (jo. art. 429 lid 2) Rv. uitvoert.

In alinea's 18 - 21 van de conclusie voor HR 9 december 2005, NJ 2006, 205 m.nt. Wortmann, is betoogd dat de "EHRM-toetsing" inderdaad ruimer is dan de toetsing in cassatie; en tevens, dat desondanks de Hoge Raad bij de beoordeling van hem voorgelegde zaken de grenzen die art. 419 lid 3 Rv. stelt moet respecteren, ook al is denkbaar dat bij eventueel voorleggen van dezelfde zaak aan het EHRM, in die instantie weer verdergaande herbeoordeling van de feiten zal plaatsvinden.

Ik denk (nog steeds) dat het zo is als daar werd betoogd; en ik zal daar dus bij de verdere bespreking van deze zaak van uit gaan. Ik teken echter aan dat de Hoge Raad, blijkens rov. 6.3 van de hier aangehaalde beschikking, bij zijn toetsing van de motivering van een in cassatie bestreden oordeel, wel rekening houdt met de uit de uit art. 8 EVRM voortvloeiende eisen. Die eisen blijken in belangrijke mate uit de rechtspraak van het EHRM.

9. Wat betreft de grond die (ook) het hof bij zijn oordeel over de hem voorgelegde vraag in deze zaak kennelijk heeft onderzocht, namelijk de grond bedoeld in art. 1:268 lid 2 onder a BW, is nog van delang dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 april 2008, NJ 2008, 506 m.nt. De Boer, rov. 3.4, afstand heeft genomen van zijn tot dusverre gevolgde rechtspraak, en heeft geoordeeld dat het hof op grond van de vastgestelde omstandigheden tot ontheffing uit het ouderlijke gezag tegen de wil van de desbetreffende ouder kon besluiten. Cruciaal voor het in die zaak in cassatie bestreden besluit was met name, dat er (dringend) behoefte bestond aan duidelijkheid over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief (ook in die zaak: in een pleeggezin-situatie); en dat jaarlijkse verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing een bron van onzekerheid daarover opleverden. De cassatieklachten strekten er (vooral) toe dat dit geen toereikende basis voor een besluit tot (gedwongen) ontheffing kon opleveren zo lang niet was gebleken dat de ouder in kwestie zich niet bij de opvoedingssituatie wenste neer te leggen; maar daarover oordeelde de Hoge Raad (dus) anders(12).

10. In de hier in cassatie bestreden beschikking heeft het hof in rov. 4.3 eveneens gewicht toegekend - volgens mij: doorslaggevend gewicht - aan (de behoefte aan) duidelijkheid omtrent de het toekomstperspectief van de kinderen(13).

Tegen deze beoordeling komt Middel II op. De kern van het daarin betoogde lijkt mij te vinden in onderdelen 8.3 - 8.5, en wel in de daar geopperde suggestie dat [verzoekster] de opvoedingssituatie in het pleeggezin niet zou accepteren maar wel aanvaarden(14); en dat (daarom aangenomen zou moeten worden dat) er duidelijkheid over het toekomstperstectief van de kinderen bestaat.

11. Deze klachten stuiten er op af dat het hof de houding en gesties van [verzoekster] kennelijk heeft beoordeeld als gericht op beëindiging van de opvoedingssituatie in het pleeggezin, en wel in dier voege dat dit een bedreiging vormde voor de (dringend) gewenste duidelijkheid daarover(15).

Als men dat oordeel tot uitgangspunt neemt, mist alles wat in deze klachten wordt aangevoerd een deugdelijke grondslag.

Ik meen dat de onderdelen 8.2, 8.6 en 8.7 geen zelfstandige klachten inhouden (en ook niet bijdragen tot onderbouwing van de klachten van de onderdelen 8.3 - 8.5).

Volledigheidshalve merk ik op dat onderdeel 8.2 uitgaat van veronderstellingen waarvoor in de bestreden beschikking iedere steun ontbreekt.

12. Blijft Middel I te bespreken. Dat klaagt er, in essentie, over dat op ontoereikende gronden zou zijn voorbijgegaan aan [verzoekster]' verzoek dat beide kinderen "als getuige" zouden worden gehoord; en dat een slechts mondeling op de zitting van het hof voorgedragen brief van de [de dochter] bij de beoordeling is betrokken, terwijl onvoldoende zou blijken dat [verzoekster] in de gelegenheid is gesteld, het hare daarover in het midden te brengen.

13. Nu van de kant van [verzoekster] geen feiten waren gesteld die zich leenden voor bewijs door verhoor van de kinderen als getuige, neem ik aan dat het hof haar verzoek niet heeft opgevat als een verzoek op de voet van art. 166 (jo. art. 284 lid 1) Rv., maar als een verzoek dat ertoe strekte dat de rechter op een bepaalde manier gebruik zou maken van de hem in art. 809 Rv. opgedragen bevoegdheden.

Ik kan daarom in het midden laten of art. 166 Rv. in de familierechtelijke procedure(s) waarop de art. 798 - 813 Rv. betrekking hebben, van (overeenkomstige) toepassing is. Ik denk overigens dat dat wél het geval is; maar dat, als het om het horen van minderjarigen en handelingsonbekwamen gaat, art. 809 Rv. als "lex specialis" voor de daar beoogde gevallen eraan in de weg staat dat men de daar gegeven regeling "doorkruist" door een beroep op art. 166 Rv. te doen(16).

14. De Nederlandse wet biedt geen steun voor de eerste klacht(en) van dit middel, op het thema dat niet reglementair op het verzoek van [verzoekster] om het horen van de kinderen zou zijn gerespondeerd. Die wet laat, met name in art. 809 Rv., de rechter in ruime mate vrij bij de beoordeling of horen noodzakelijk dan wel gewenst is (behalve bij minderjarigen van 12 jaar en ouder). Daarbij heeft de rechter ook een aanzienlijke beoordelingsmarge als het erom gaat, hoe de betrokkene zal worden gehoord. "Horen" langs de weg van het verzoek om per brief zijn mening te geven (erin uitmondend dat inderdaad per brief wordt gereageerd), zoals dat in de onderhavige zaak ten opzichte van de [de dochter] is gebeurd, valt binnen die marge(17).

15. Het onderhavige dossier bevat sterke aanwijzingen voor de vaststellingen die het hof in rov. 4.1 - 4.3 heeft gedaan; en uit die aanwijzingen en vaststellingen kan men zeer wel de gevolgtrekking maken dat de kinderen op goede gronden de bejegening van de kant van [verzoekster] als bedreigend ervaren(18); en dat mondeling ter zitting horen van de kinderen (en zeker als dat in het bijzijn van hun moeder zou moeten gebeuren) niets relevants aan de beschikbare informatie zal toevoegen, terwijl het wél een onverantwoorde belasting voor de betrokkenen zou betekenen.

Met die gegevens "voorhanden" kon het hof ook oordelen dat er geen termen waren voor het nader horen van de jongste zoon, en dat het "horen" van de [de dochter] per brief in de gegeven omstandigheden de voorkeur had. Dat blijft binnen de marges die de wet de rechter laat, en dat was in dit geval goed te begrijpen.

16. Een andere vraag is, of deze aanpak ook spoort met de uit art. 8 EVRM af te leiden waarborgen voor de processuele rechten van, o.a., ouders die met kinderbeschermingsmaatregelen geconfronteerd worden. Zoals in alinea 6, vierde en vijfde "gedachtestreepjes" hiervóór werd aangestipt, heeft het EHRM dit aspect de nodige nadruk gegeven.

17. Ik denk intussen dat de hier door het hof gekozen koers ook met de uit de rechtspraak van het EHRM blijkende lijn verenigbaar is. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het EHRM bij zijn beoordeling gewicht lijkt toe te kennen aan de uitkomst die de desbetreffende zaak per saldo te zien geeft. Wanneer uit het dossier blijkt(19), of wanneer zich in meerdere of mindere mate opdringt, dat in de nationale rechterlijke instanties een inhoudelijk onjuiste beslissing kan zijn genomen, vindt een kritischer beoordeling van de procedure die tot de aangevochten beslissing heeft geleid plaats; en omgekeerd, wanneer aan te nemen valt of zelfs onmiskenbaar is dat per saldo een juiste beslissing is genomen, worden oneffenheden in de voorafgaande procesgang minder zwaar gewaardeerd.

18. Om de in alinea 15 hiervóór aangestipte redenen denk ik dat zich in de onderhavige zaak opdringt dat het hof de voor zijn beoordeling relevante factoren op aannemelijke wijze heeft gewaardeerd; en zelfs, dat die factoren nauwelijks ruimte laten voor een andere waardering.

Als de feiten zo duidelijk liggen, kan de rechter eerder besluiten dat verdergaand onderzoek in het desbetreffende geval (ook met het oog op de belasting die dat voor andere betrokkenen zou betekenen) niet verantwoord is; en kon hij, daarop voortbouwend, afzien van stappen die in een wat minder gepronoceerde context wél als aangewezen zouden zijn aan te merken.

Dat bevestigt mij in het al eerder uitgesproken oordeel: de in dit geval gegeven beslissingen over het horen van de kinderen kunnen ook de toets aan art. 8 EVRM doorstaan(20).

19. Ik kan dan voorbijgaan aan het in alinea 8 hiervóór gesignaleerde probleem: de ruimere marge voor feitelijke (her)waardering die op Europees niveau wordt toegepast, vergeleken met de cassatietoetsing zoals die aan de hand van art. 419 lid 3 Rv. moet worden uitgevoerd. In dit geval komt men, volgens mij, ook bij de door het EHRM toegepaste toetsing tot de hiervóór besproken uitkomsten. Als men, zoals ik doe, aanvaardt dat art. 419 lid 3 Rv. de cassatierechter een wat krappere beoordelingsmarge toewijst dan de marge die het EHRM hanteert geldt voor de "gewone" toetsing in cassatie allicht, dat die tot dezelfde uitkomsten leidt.

20. Er is iets meer ruimte voor twijfel als het om het tweede in alinea 12 hiervóór aangestipte gegeven gaat: het gebruik van de slechts mondeling ter zitting voorgelezen brief van [de dochter] als (belangrijke) factor in de gegeven beoordeling. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof blijkt dat de raadsman van [verzoekster] er toen bezwaar tegen heeft gemaakt dat er geen kopie van deze brief aan hem en zijn cliënte was verstrekt (en ook, blijkbaar, niet ter zitting is verstrekt).

21. Maar per saldo lijkt mij ook de klacht op dit thema ongegrond. Het middel weerspreekt niet 's hofs vaststelling dat de brief in kwestie ter zitting in zijn geheel is voorgelezen (men mag overigens, alleen al gezien de leeftijd van [de dochter] (zij is, zoals al even bleek, geboren in september 1996) veronderstellen dat het niet om een heel uitvoerig document gaat); en dat de brief niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Met die gegevens voor ogen lijkt mij dat het hof kon aannemen dat [verzoekster] en haar raadsman voldoende in de gelegenheid waren gesteld om van de brief in kwestie kennis te nemen en om daarop te reageren: het gaat klaarblijkelijk niet om een brief die veel studie of analyse behoeft, als het er om gaat, daarop te reageren.

22. Wat betreft het in onderdelen 7.3 en 7.4 van Middel I vermelde gegeven dat de brief niet in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen of daaraan is gehecht (over het feit dat de brief niet in kopie aan [verzoekster] en haar raadsman is overhandigd is blijkens het proces-verbaal wel ter zitting geklaagd, maar het middel maakt daar geen punt van): het is aan mondelinge behandelingen eigen dat daar mondeling informatie wordt gevraagd en verstrekt, en dat ook mondelinge reactie op aldus ter tafel gekomen informatie kan worden verlangd.

23. De wet neemt wel tot uitgangspunt dat de op een mondelinge behandeling uitgewisselde informatie tot op zekere hoogte schriftelijk wordt vastgelegd. Die schrijft immers voor(21) dat van een mondelinge behandeling proces-verbaal wordt opgemaakt (maar dat gebeurt natuurlijk achteraf, zodat men op de zitting zelf van het proces-verbaal geen gebruik van kan maken).

Bovendien eist de wet niet dat het besprokene in extenso wordt opgenomen: de zakelijke inhoud van afgelegde verklaringen volstaat. Aan die eis voldoet het proces-verbaal dat in deze zaak is opgemaakt (het middel voert ook niet aan dat dat niet zo zou zijn).

[In de praktijk wordt overigens het opmaken van proces-verbaal vaak achterwege gelaten. Dat is vanzelfsprekend te betreuren. Wanneer dat gebeurt brengt dat echter niet zonder meer nietigheid van de vervolgens genomen beslissing met zich mee(22). Dat geeft nader reliëf aan de betrekkelijkheid van het onderhavige voorschrift.]

24. De gang van zaken waar het middel hier over klaagt is dus niet in strijd met het Nederlandse procesrecht. Ik zie ook geen aanleiding om onverenigbaarheid met de maatstaven van processuele zorgvuldigheid die het EHRM uit art. 8 EVRM (en art. 6 EVRM) heeft afgeleid, aan te nemen. Voorlezing in extenso van een brief van beperkte omvang zal de ter zitting aanwezigen in het algemeen voldoende houvast geven om daar adequaat op te kunnen reageren - zoals dat bij de mondelinge voordracht van een schriftelijke pleitnota ook pleegt te worden aangenomen.

(Uitvoerig) mondeling debat - uiteraard: met inbegrip van de mogelijkheid dat de rechter zich in het debat mengt, én dat de rechter het besprokene vervolgens in zijn oordeel betrekt - is in het algemeen bevorderlijk voor een kwalitatief deugdelijke en eerlijke procesvoering. Het is dus onaannemelijk dat dat met art. 8 of art. 6 EVRM onverenigbaar zou zijn.

25. Op de hiervóór gemaakte bedenkingen stuiten de klachten van Middel I volgens mij alle af.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan het inleidende verzoekschrift en de beschikkingen in beide feitelijke instanties.

2 Aanvankelijk betrof de zaak ook een derde kind dat inmiddels meerderjarig is. Dit verzoek speelt in cassatie geen rol meer.

3 De beschikking van het hof is van 30 december 2008. Het cassatierekest is op 30 maart van dit jaar ingekomen.

4 Deze gedachte wordt door het EHRM met regelmaat, in enigszins wisselende bewoordingen, herhaald; zie bijvoorbeeld EHRM 17 juli 2008, Appl. nr. 11223/04, X/Kroatië, rov. 47; EHRM 21 december 2006, Appl. nr. 12643/02, Moser/Oostenrijk, rov. 66; EHRM 30 augustus 2006, Appl. nr. 34141/96, R./Finland, rov. 90; EHRM 8 juli 2003 (Grote Kamer), Appl. nr. 30943/96, Sahin/Duitsland, rov. 65; EHRM 12 juli 2001 (Grote Kamer), Appl. nr. 25702/94. K en T./Finland, rov. 154 -155 en 166; EHRM 10 mei 2001 (Grote Kamer), Appl. nr. 28945/95, T.P en K.M./Ver. Koninkrijk, rov. 70 en 71; EHRM 13 juli 2000 (Grote Kamer), Appl. nr. 25735/94, Elsholz/Duitsland, rov. 48 - 49.

5 EHRM 8 april 2004, Appl. nr. 11057/02, Haase/Duitsland, rov. 88 en 95; EHRM 26 februari 2002, Appl. nr. 46544/99, Kutzner/Duitsland, rov. 60 en 69; EHRM 12 juli 2001, Appl. nr. 25702/94, K. en T./Finland, rov. 173.

6 EHRM 8 juli 2003 (Grote Kamer), Appl. nr. 30943/96, Sahin/Duitsland, rov. 65; EHRM 13 juli 2000 (Grote Kamer), Appl. nr. 25735/94, Elsholz/Duitsland, rov. 48RM 13 juli 2000 ; zie bijvoorbeeld ook EHRM 25 januari 2007, Appl. nr. 21949/03, Eski/Oostenrijk, rov. 35 (slot); EHRM 20 december 2001, Appl. nr. 32899/96, Buchberger/Oostenrijk, rov. 38 en 40.

7 EHRM 30 augustus 2006, Appl. nr. 34141/96, R./Finland, rov. 89; EHRM 26 februari 2002, Appl. nr. 46544/99, Kutzner/Duitsland, rov. 65; EHRM 12 juli 2001 (Grote Kamer), Appl. nr. 25702/94, K. en T./Finland, rov. 178 - 179.

8 EHRM 25 februari 2009, Appl. nr. 14414/03, Jucius c.s./Litouwen, rov. 33; EHRM 17 juli 2008, Appl. nr. 11223/04, X/Kroatië, rov. 48; EHRM 21 december 2006, Appl. nr. 12643/02, Moser/Oostenrijk, rov. 67 en 72; EHRM 9 mei 2006, Appl. nr. 18249/02, C./Finland, rov. 56 en 58; EHRM 8 juli 2003 (Grote Kamer), Appl. nr. 30943/96, Sahin/Duitsland, rov. 68 e.v.; EHRM 17 december 2002, Appl. nr. 35731/97, Venema/Nederland, rov. 91.

9 EHRM 13 juli 2000 (Grote Kamer), Appl. nr. 25735/94, Elsholz/Duitsland, rov. 52.

10 EHRM 8 juli 2003 (Grote Kamer), Appl. nr. 30943/96, Sahin/Duitsland, rov. 73 - 77; zie ook EHRM 5 december 2002, Appl. nr. 28422/95, Hoppe/Duitsland, rov. 52.

11 EHRM 21 december 2006, Appl. nr. 12643/02, Moser/Oostenrijk, rov. 72; EHRM 20 december 2001, Appl. nr. 32899/96, Buchberger/Oostenrijk, rov. 43 - 44; EHRM 10 mei 2001 (Grote Kamer), Appl. nr. 28945/95, T.P en K.M./Ver. Koninkrijk, rov. 73, maar zie ook rov. 81 - 83.

12 De conclusie van A - G Wuisman voor deze beslissing gaat uitgebreid in op de nieuwe ontwikkelingen en de in verband daarmee gewijzigde inzichten, die tot de hier inderdaad gevolgde wijziging van de rechtspraak aanleiding gaven. Ik vermeld dat het in deze conclusie genoemde voornemen tot nieuwe wetgeving inmiddels vorm heeft gekregen in een concept-wetsvoorstel dat ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd. In dat voorstel worden vergaande aanpassingen van het kinderbeschermingsrecht voorzien. De voor de onderhavige zaak relevante wijzigingsvoorstellen worden beschreven in par. 4.2 van de concept-Memorie van Toelichting (Bron: www.justitie.nl/onderwerpen/jeugd/jeugdbescherming/beter beschermd/wetgeving).

13 Overigens: na vaststellingen die ertoe strekken dat [verzoekster] zich niet bij de situatie wil neerleggen en (daardoor) een bron van dreiging vormt voor de duurzaamheid van die situatie - gegevens die er ook onder de rechtspraak van de Hoge Raad vóór de beschikking van 4 april 2008 toe konden leiden (en in de praktijk er ook meer dan eens toe leidden) dat wél grond voor gedwongen ontheffing werd aangenomen.

14 Ik wijs er op dat in de feitelijke instanties geen beroep op dit gegeven is gedaan. De grootheden "aanvaarden" en "accepteren" lijken mij overigens, voor zover men deze woorden al niet als synoniemen van elkaar beschouwt, voor de praktijk niet van elkaar te onderscheiden.

15 Daarbij zal het hof, naar ik aanneem, vooral het oog gehad hebben op de perceptie van de kinderen zelf: wanneer deze de houding en gesties van hun moeder als bedreigend voor hun toekomstperspectief ervaren is dat een zwaarwegende reden om in dit opzicht (meer) duidelijkheid te bieden, ook al zou het zo zijn dat van de houding en gesties in kwestie geen werkelijke bedreiging voor de stabiliteit van de opvoedingssituatie te verwachten zou zijn. Overigens; de met de beschikking van de Hoge Raad van 4 april 2008 gevestigde rechtspraak strekt er nu juist toe dat ook bij een opvoedingssituatie die objectief als stabiel is te beoordelen, de druk van telkens herhaalde verlengingsprocedures de betrokkenen met een als (zeer) ongewenst te beoordelen gevoel van onzekerheid kan belasten; en dat dat grond voor ontheffing kan opleveren. Ik verwijs opnieuw naar de beschouwingen in (alinea's 2.3 - 2.7 van) de conclusie van A - G Wuisman voor deze beschikking. 16 Zie per analogie Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Schaafsma-Beversluis, art. 279, aant. 12.

17 Zie bijvoorbeeld Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Doek, art. 809, aant. 2 en aant 7.

18 Men begrijpe mij niet verkeerd: ik bedoel dan dat de kinderen de gesties etc. van [verzoekster] die de bestendigheid van hun opvoedingssituatie aan twijfel blootstellen als (sterk) negatief ervaren. Dat sluit allerminst uit dat de kinderen het contact met hun moeder (overigens) willen behouden, of dat de kinderen dat contact als positief beleven.

19 Bijvoorbeeld: omdat dat in latere fases van de "nationale" procedure is vastgesteld.

20 Ik vind voor deze beoordeling steun in beslissingen als EHRM 8 juli 2003 (Grote Kamer), Appl. nr. 31871/96, Sommerfeld/Duitsland, rov. 66 - 74; EHRM 5 december 2002, Appl. nr. 28422/95, Hoppe/Duitsland, rov. 52 - 55; maar zie ook EHRM 12 februari 2008, Appl. nr. 34499/04, Haase/Duitsland, p. 25 ("The Law", hfdst. C, par 2.c.iii); EHRM 29 januari 2008, Appl. Nr. 42402/05 e.a., Wildgruber/Duitsland, p. 12 - 13 ("The Law", hfdst A, par. 1).

21 Art. 279 lid 4 Rv.

22 Ik leid dat af uit HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Ma, rov. 3.27. Zie ook de alinea's 4.6 - 4.10 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent voor deze beslissing.