Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI9326

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08/00076 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI9326
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Economische zaak. Grondslagverlating. Zich ontdoen van een afvalstof a.b.i. art. 10.2 Wm. ’s Hofs oordeel dat van het “zich ontdoen van” afvalstoffen geen sprake kan zijn in een geval als i.c., waarin verdachte door hem betrokken afvalstoffen door de leveranciers daarvan buiten een inrichting heeft laten storten zonder dat hij zelf daartoe nog een nadere handeling heeft verricht, is onjuist omdat het van een te beperkte betekenis van het bestanddeel "zich ontdoen van" in de zin van art.10.2.1 Wm getuigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00076 E

Mr. Vegter

Zitting: 16 juni 2009

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, heeft de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.

2. Namens het Openbaar Ministerie (OM) heeft mr. W.M. van Schuijlenburg, Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof te Leeuwarden, cassatieberoep ingesteld. Mr. L. Plas, Plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij dit Hof, heeft een schriftuur, houdende één middel van cassatie ingezonden.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de in de tenlastelegging voorkomende, aan art. 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) ontleende, woorden "zich van afvalstoffen (...) heeft ontdaan door deze (...) buiten een inrichting te storten (of, PV) anderszins op of in de bodem te brengen (...)". Aldus zou het Hof de grondslag van de tenlastelegging hebben verlaten en de verdachte van iets anders hebben vrijgesproken dan aan hem was tenlastegelegd.

4. Aan de verdachte is, na wijziging, tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 25 februari 2005, althans in de periode van 1 december 2004 tot en met 25 februari 2005, te of bij Oosterzee, (althans) in de gemeente Lemsterland, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen, te weten een (grote) hoeveelheid uien en/of schillen van uien en/of wortels en/of bollen van lelies heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden".

5. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Vrijspraak

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet opzettelijk, heeft ontdaan van afvalstoffen (te weten uien, schillen van uien, wortels en bollen van lelies), door deze buiten een inrichting te storten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat verdachte genoemde stoffen heeft betrokken van een tweetal bedrijven die deze op verdachtes land heeft gestort. Afgezien van een beperkt deel dat door verdachte is gebruikt in zijn bedrijfsgebouwen (en dus binnen de inrichting) zijn er met betrekking tot die stoffen door of namens verdachte geen handelingen verricht. Nog daargelaten of met betrekking tot die stoffen kan worden gesproken van afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer, heeft naar het oordeel van het hof verdachte niet te gelden als normadressaat van de overtreden bepaling. Weliswaar heeft verdachte toegestaan dat de in de tenlastelegging genoemde stoffen op zijn land werden gestort, doch dat maakt hem nog geen pleger van het strafbare feit zoals is ten laste gelegd. Daarvan kan naar het oordeel van het hof pas worden gesproken als verdachte ten aanzien van die stoffen een handeling heeft verricht die is gericht op het zich ontdoen daarvan, zoals bijvoorbeeld het onderwerken. Nu zulks hier niet is gebleken acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken."

6. Het middel klaagt niet over de begrijpelijkheid van de vaststellingen van het Hof dat verdachte de desbetreffende stoffen van een tweetal bedrijven heeft betrokken, dat die bedrijven de desbetreffende stoffen op verdachtes land hebben gestort, dat de verdachte met betrekking tot het leeuwendeel van die stoffen geen (daadwerkelijke) handelingen heeft verricht en dat hij heeft "toegestaan dat de in de tenlastelegging genoemde stoffen op zijn land werden gestort".(1) In cassatie zal daarom van deze vaststellingen moeten worden uitgegaan.

7. In de toelichting op het middel wordt de gegeven vrijspraak bestreden met als primair standpunt dat "het 'toestaan' om afvalstoffen te storten op een land waarvan hij eigenaar is, moet worden aangemerkt als een handeling die gericht is op het ontdoen daarvan." Het subsidiaire standpunt van het OM luidt volgens de schriftuur als volgt. De wetsgeschiedenis houdt in dat de wetgever met (thans) art. 10.2 Wm een "algemeen verbod tot het storten voor(2) afvalstoffen buiten inrichtingen [heeft] geïntroduceerd". Daaruit volgt dat de wetgever onder storten al dat handelen of nalaten heeft willen brengen dat tot gevolg heeft dat afvalstoffen buiten een inrichting worden gestort. Met die ruime uitleg strookt volgens de steller van het middel dat ook strafbaar is de eigenaar van een stuk land die enkel en alleen toestaat dat daarop door een bedrijf afvalstoffen worden gestort en derhalve ten aanzien van die afvalstoffen zelf geen (andere) handelingen verricht die gericht zijn op "het ontdoen daarvan". Van "het ontdoen" van de afvalstoffen is immers reeds sprake op het moment dat deze - met verdachtes instemming - op diens land worden gestort, aldus nog steeds de steller van het middel.

8. Welk verschil er bestaat tussen het primaire en het subsidiaire standpunt van het OM is mij niet duidelijk. Beide komen er op neer dat ook het enkele toelaten dat anderen afvalstoffen storten op land dat men bezit oplevert het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te storten of anderszins op of in de bodem te brengen als bedoeld in art. 10.2 Wm.

9. Artikel 10.2 Wm luidt en luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

"Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden."

Artikel 1.1. Wm hield ten tijde van het tenlastegelegde feit onder meer de volgende begripsomschrijving in:

"Afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen."

Artikel 1.1. Wm houdt thans onder meer de volgende begripsomschrijving in:

"Afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij de richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of moet ontdoen."

10. Het middel stelt dat de grondslag van de tenlastelegging is verlaten. Volgens de toelichting moet 'toestaan' om afvalstoffen (ik begrijp de door verdachte betrokken afvalstoffen) te storten op een land waarvan hij eigenaar is, worden aangemerkt als een handeling die gericht is op het ontdoen daarvan. Daarmee wordt naar ik aanneem gedoeld op twee vaststellingen van het hof te weten dat de verdachte geen normadressant van de overtreden bepaling is en dat geen sprake is van enige gedraging. Ik zal de vraag of verdachte normadressant is en of er sprake is van enige gedraging nu achtereenvolgens bespreken. Wil men "zich"(3) van bepaalde stoffen of voorwerpen ontdoen (door deze te storten, etc), dan is een taalkundig vereiste dat men enige zeggenschap over de stoffen heeft. Men kan "zich" immers niet ontdoen van het afval van de buurman dat deze op diens terrein heeft liggen. Dat het taalkundig ook mogelijk is om iemand anders van diens afval te ontdoen is hier dus niet van belang. In lijn met de tekst van art. 10.2 Wm is immers tenlastegelegd dat de verdachte "zich" van meergenoemde stoffen heeft ontdaan, en wel door deze te storten of op of in de bodem te brengen. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte de stoffen van een tweetal bedrijven heeft betrokken. Het begrip 'betrekken 'is ruim. Het heeft ondermeer de volgende betekenissen: ontbieden, laten komen uit, kopen bij. Daarmee heeft het hof vastgesteld dat er enige betrekking was tussen verdachte en die stoffen. Welke betrekking of relatie dat precies was, blijft in de motivering van de vrijspraak buiten beschouwing. De definitie uit artikel 1.1 Wm hield en houdt in dat het bij afvalstoffen moet gaan om een houder die zich van die stoffen ontdoet. De norm van artikel 10.2 Wm richt zich dus tot de houder van afvalstoffen. De door het hof vastgestelde betrekking tussen verdachte en de stoffen sluit geenszins uit dat verdachte houder van de stoffen was. In zoverre heeft verdachte dus mogelijk ook te gelden als de normadressant van de overtreden bepaling. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het die mogelijkheid uitsluit. Zelfs als vast komt te staan dat verdachte slechts voor de twee bedrijven heeft bewaard, kan hij nog wel als houder gelden en richt de norm zich tot hem.

11. Kan een verdachte zich ontdoen van stoffen door toe te staan dat een ander de stoffen waarvan die verdachte (mogelijk) houder is, stort op het land waarvan verdachte eigenaar is? Ik begrijp de redenering van het hof aldus dat verdachte door alleen maar toe te staan geen gedraging heeft verricht en daarom niet kan worden aangemerkt als normadressant en pleger van het delict. Het lijkt er op dat de twee onderscheiden vragen te weten of verdachte normadressant is en of hij pleger is in een adem worden beantwoord. Ik laat dat nu maar voor wat het is. Het hof gaat kennelijk uit van een fysiek handelingsbegrip. In de ogen van het hof heeft verdachte zelf niets gedaan. Het hof spitst het nog wat verder toe door te overwegen dat een verdachte zich van een afvalstof ontdoet als hij bijvoorbeeld (naar ik begrijp: zelf) onderwerkt. Daarbij gaat het hof mijns inziens voorbij aan een ruimer strafrechtelijk handelingsbegrip dat zich juist voor het economisch verkeer heeft ontwikkeld. Geenszins is uit te sluiten dat verdachte heeft voldaan aan de criteria van beschikken en aanvaarden die voor de invulling van het functioneel daderschap van betekenis zijn. Aan die criteria zal al spoedig voldaan zijn, indien een houder van afvalstoffen toestaat dat een ander die afvalstoffen op zijn (het hof doelt daarmee kennelijk op het land waarover de verdachte door eigendom of pacht zeggenschap heeft) stort. Ook in dit opzicht is de vrijspraak mijns inziens onvoldoende gemotiveerd.

12. Het middel slaagt.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik wijs er daarom slechts terzijde op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2007 heeft verklaard: "Het droge materiaal dat ik aangeleverd heb gekregen heb ik in de stallen gestrooid, de rest heb ik op het land uitgereden. Met de lelieresten verhoog ik de lage plekken in het land, dat is voor mij hartstikke handig en het kost me niets. (...) Toen de politie kwam had ik slechts een klein gedeelte verwerkt (...)."

2 Bedoeld zal zijn: "van".

3 Dit woordje wordt in de schriftuur zowel onder 4.2., als onder 4.3. weggelaten.