Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI8546

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
08/02207
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI8546
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 950

Conclusie

Nr. S 08/02207

Mr Vegter

Zitting 16 juni 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 25 september 2007 ter zake van "1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; 2 primair: afpersing; 3 primair: poging tot medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen. Het hof heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de rechtbank te Groningen van 5 juli 2004 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, afgewezen.

2. Namens verdachte heeft Mr G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden, cassatie ingesteld. Mr M.M. Rietveldt, advocaat te Hoogezand, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt erover dat het hof ten onrechte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft opgelegd dan wel de oplegging van deze maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.2. In het bestreden arrest overweegt het hof met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte het volgende:

"Strafbaarheid

Omtrent verdachte is door C.J.F. Kemperman, zenuwarts, d.d.18 november 2005 een psychiatrisch rapport uitgebracht. Voorts is er door A. Tatlicioglu, klinisch psycholoog, d.d. 29 november 2005 een psychologisch rapport uitgebracht. In beide rapporten wordt geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met anti-sociale en borderline kenmerken) in combinatie met middelenafhankelijkheid bestond dat deze feiten hem slechts in enigszins respectievelijk licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Voornoemde deskundigen hebben aanvullende rapporten uitgebracht d.d. 30 november 2006 respectievelijk 5 december 2006 en zijn op 19 december 2006 ter terechtzitting van het hof als getuige-deskundigen gehoord. Beiden hebben aangegeven dat voornoemde conclusies nog onverkort gelden. Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne. Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar."

3.3. Het hof heeft de oplegging van de gevangenisstraf als volgt gemotiveerd:

"Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze begaan zijn en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks ernstige geweld- en vermogensdelicten. Hij heeft onder meer een overval gepleegd op een videotheek in [plaats]. Verdachte heeft de medewerkster van die videotheek, [slachtoffer 1], gedwongen tot de afgifte van het kassageld door met een zwarte panty over zijn hoofd de videotheek binnen te gaan, de medewerkster 'give me the money' toe te voegen en haar vriend, [slachtoffer 2], van achteren vast te pakken en een mes tegen zijn keel en/of kin gedrukt te houden.

Verdachte heeft tevens een stekende beweging gemaakt die op de borst van [slachtoffer 2] terecht is gekomen, waaraan deze een (kleine) steekwond overhield. Uit de stukken van slachtofferhulp, in het dossier gevoegd bij het voegingsformulier benadeelde partij van [slachtoffer 2], blijkt dat het delict grote gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer. Hij geeft aan sindsdien slaapproblemen te hebben, zich onveiliger te voelen en last te hebben van concentratiestoornissen. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. Verdachte en zijn medeverdachte hadden van tevoren afgesproken het slachtoffer, met wie zij een conflict hadden, met twee honkbalknuppels te gaan mishandelen. Zij zijn naar een locatie toegegaan waar zij het slachtoffer verwachten aan te treffen, hebben daar hun kleding verwisseld en hebben vervolgens met de knuppels op het slachtoffer ingeslagen. Deze hield hieraan een blauwe plek en een zwaar gekneusde elleboog over. Verdachte heeft zich voorts samen met een ander schuldig gemaakt aan een inbraak. Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met 14 ad-informandum op de tenlastelegging gevoegde feiten, te weten de nummers 1 tot en met 6 en 8 tot en met 15. Deze feiten, geweld- en vermogensdelicten, zijn door de verdachte bekend bij de politie en ter terechtzitting en moeten hiermee geacht worden te zijn afgedaan. De ad-informandum gevoegde feiten met de nummers 7 en 16 heeft het hof buiten beschouwing gelaten, aangezien deze niet door verdachte zijn erkend.

Voorts heeft het hof gelet op een uittreksel uit het Justitieel documentatieregister d.d. 17 juli 2007 waaruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is wegens het plegen strafbare feiten. Hij is onder meer veroordeeld tot onvoorwaardelijke jeugddetentie en een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Deze straffen hebben verdachte er echter niet van weerhouden vele malen te recidiveren. Het hof ziet bovendien een toename in de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Gelet op het voorgaande acht het hof geboden dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen aanmerkelijke duur aan verdachte dient te worden opgelegd. Bij bepaling van de duur van deze straf houdt het hof rekening met voornoemde licht/ enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het begaan van de feiten."

3.4. Hierna bevat het vonnis de motivering van de op te leggen maatregel tot terbeschikkingstelling. Het arrest geeft de conclusies van het zich bij de stukken bevindende psychiatrisch rapport uitgebracht door C.J.F. Kemperman, zenuwarts, d.d.18 november 2005 weer, onder meer inhoudende:

"Bij betrokkene zijn anti-sociale en borderline persoonlijkheidstrekken aanwezig. Voorts is er een verslavingsneiging in de persoonlijkheid en valt een gebrek aan empathie op. De recidivekans kan als hoog worden ingeschat op grond van de volgende overwegingen. Er bestaat een verband tussen de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene en de ten laste gelegde delicten, waarin een patroon herkenbaar is. De vaardigheden van betrokkene om agressieve impulsen in andere, adequatere banen te leiden zijn beperkt. Voorts heeft behandeling vooralsnog niet geresulteerd in een betekenisvolle reductie van de problemen. Betrokkene heeft jarenlang behandeling gehad die op niets uitliep, omdat hij daarvoor niet gemotiveerd was en er bij betrokkene een hoge psychopathiescore bestaat. Deze PCL-R (checklist ter bepaling van psychopathie) totaalscore is een goede voorspeller van toekomstig gewelddadig gedrag.

Betrokkene scoort in de psychopathische rang."

3.5. Voorts geeft het arrest de conclusies weer van het zich bij de stukken bevindende psychologisch rapport uitgebracht door A. Tatlicioglu, klinisch psycholoog, d.d. 29 november 2005, onder meer inhoudende:

"Betrokkene heeft een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken ontwikkeld. Zijn leven lijkt zich te karakteriseren door verzet tegen ouderlijke structuur, verantwoordelijkheid en gezag. Hij kiest vaak voor het uitleven van zijn impulsen zonder daar goed bij na te denken en heeft een sterke neiging tot zwart-wit denken in termen van sterk en zwak. Het is voor betrokkene vanuit dit gedachtegoed bijna vanzelfsprekend dat hij een ander overvalt wanneer hij geldgebrek heeft of aanvalt wanneer deze hem teveel frustreert of in de weg staat. Dit gedrag heeft een rechtstreekse link met zijn persoonlijkheidsstoornis. Hij heeft een slechte emotieregulatie, waardoor hij vaak impulsief reageert en de agressie snel kan oplopen. De kans op recidive is levensgroot aanwezig wanneer hij hiervoor geen behandeling krijgt. Tot nu toe hebben diverse vormen van hulp niet geholpen, mede omdat betrokkene zich hier absoluut niet voor open heeft gesteld."

3.6. Na weergaven van voornoemde conclusies van de gedragsdeskundige rapporten in het arrest overweegt het hof het volgende:

"Door Tatlicioglu werd een terbeschikkingstelling met verpleging geadviseerd.

Kemperman concludeerde dat er vanwege de geringe motivatie bij verdachte weinig behandelperspectief was en grond voor een eventuele Tbs-maatregel slechts gelegen was in maatschappijbeveiliging. Op verzoek van de rechtbank is door de Reclassering Nederland onderzocht of er mogelijkheden voor een Tbs met voorwaarden bestonden. De resultaten van dit

onderzoek zijn neergelegd in een maatregelenrapport d.d. 7 maart 2006, waaruit blijkt dat verdachte niet in het kader van een Tbs met voorwaarden opgenomen kon worden in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) te Assen en er voorts geen alternatieven voor klinische behandeling voorhanden waren. De FPK te Assen zag op basis van de stukken geen mogelijkheden om verdachte te behandelen, vanwege zijn gebrek aan motivatie en het hoge psychopathiegehalte, een contra-indicatie voor opname in die kliniek. De rechtbank is hierop overgegaan tot het opleggen van een Tbs met verpleging.

In het geding in hoger beroep is door de raadsman van verdachte aangevoerd dat de houding van verdachte ten aanzien van een behandeling sinds het uitbrengen van voornoemde gedragskundige rapporten zodanig was gewijzigd,) dat een klinische opname in het kader van een Tbs met voorwaarden nu wellicht wel uitvoerbaar zou zijn. Het hof heeft ter terechtzitting d.d. 10 oktober 2006 bevolen dat voornoemde deskundigen aanvullend onderzoek verrichten omtrent de persoon van verdachte en zijn bereidheid om mee te werken aan een behandeling."

3.7. Vervolgens bevat het arrest de conclusies van het aanvullend rapport d.d. 30 november 2006 uitgebracht door zenuwarts Kemperman voornoemd, inhoudende onder meer:

"Vergeleken met het onderzoek uit 2005 komt betrokkene minder onverschillig en in het gesprekscontact adequater over. Er lijkt enige groei en enig probleembesef te zijn. Aan de andere kant is intrinsieke motivatie met een actieve hulpvraag niet aan de orde.

Betrokkene externaliseert nu echter niet en men zou hem - gelet op zijn leeftijd en de delictsernst - wel het voordeel van de twijfel willen geven. Voorzichtig kan daarom mee worden gegaan met het voorstel de uitvoerbaarheid van een Tbs met voorwaarden te onderzoeken. Er dient in ieder geval een klinische start te worden ingebouwd, met aandacht voor impulsiviteit, agressiebeheersing en verslavingsgedrag en daarna voor resocialisatie met dagstructuur."

3.8. Het hof geeft vervolgens de conclusies weer vervat in het aanvullend rapport d.d. 5 december 2006 uitgebracht door klinisch psycholoog Tatlicioglu voornoemd, onder meer inhoudende:

"Het is de vraag of betrokkene intrinsiek gemotiveerd is voor behandeling, of dat dit een externe motivatie betreft, ingegeven door angst voor een Tbs met verpleging. Betrokkene laat in ieder geval een heel andere, meer toegankelijke en schuldbewuste kant zien. In een klinische setting kan deze motivatie beter worden onderzocht. De adviseer de mogelijkheden van een Tbs met voorwaarden te laten onderzoeken door de reclassering en de Tbs met verpleging achter de hand te houden indien dit niet tot de gewenste coöperatie leidt. De adviseer behandeling een klinische setting zoals de FPK te Assen."

3.9. Na weergaven van de hierboven weergegeven conclusies van de aanvullende rapporten van de gedragsdeskundigen in het arrest vervolgt het hof zijn overwegingen:

"Ter zitting van het hof d.d. 19 december 2006 zijn de deskundigen gehoord en heeft het hof bevolen dat Reclassering Nederland op basis van de nieuwe conclusies de uitvoerbaarheid van een Tbs met voorwaarden zal onderzoeken. Op 30 januari 2007 heeft verdachte een intakegesprek gehad met de FPK te Assen. Uit een verslag van dit intakegesprek d.d. 6 februari 2007 blijkt dat de FPK geen mogelijkheden voor een behandeling in het kader van een Tbs met voorwaarden ziet, omdat verdachte zich niet gemotiveerd zou hebben getoond en zijn gewetensfunctie weinig ontwikkeld leek. De FPK Assen heeft de Reclassering op 14 februari 2007 laten weten dat verdachte geen behandelingsaanbod zou krijgen, mede gelet op de hoge PCL-R score van verdachte.

In een brief d.d. 15 februari 2007 berichtte reclasseringswerker H. Fontijn dat uit overleg met S. Roosjen, coördinator indicatiestelling Forensische Zorg, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie te Arnhem, is gebleken dat opname in een andere FPK geen alternatief is. De FPK in Eindhoven neemt uitsluitend nog mensen op met een Tbs met verplegingstitel en de FPK De Meren hanteert een hoge PCL-R score eveneens als contra-indicatie. Ter terechtzitting van het hof d.d. 3 april 2007 heeft het hof bevolen dat de Reclassering zal (laten) onderzoeken of een Tbs met voorwaarden ten uitvoer gelegd kan worden in een andere instelling dan een FPK. Uit een rapport d.d. 7 juni 2007 van S. Roosjen voornoemd blijkt dat hij na bestudering van de stukken tot de conclusie is gekomen dat een indicatie voor opname in een andere instelling, zoals een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), niet mogelijk is vanwege het ten aanzien van verdachte noodzakelijke gemiddeld tot hoge beveiligingsniveau.

Ter terechtzitting d.d. 11 september 2007 zijn S. Roosjen en H. Fontein als getuige-deskundigen gehoord. Het volgende is - zakelijk weergegeven - hieruit naar voren gekomen.

Ten tijde van het intakegesprek van verdachte met de FPK te Assen d.d. 30 januari 2007 waren de nieuwe rapporten van deskundigen Kemperman en Tatlicioglu niet bij de instelling bekend. Inmiddels beschikt de FPK hier wel over. Voor de beoordeling van de intake heeft dit echter geen gevolgen. De geringe motivatie die verdachte gedurende de intake heeft laten zien en de hoge PCL-R score vormen nog steeds een contra-indicatie voor opname. De ervaring is dat personen met een dergelijke score slecht behandelbaar zijn en dat het recidiverisico hoog is. In het verleden zijn hiermee binnen de kliniek in Assen forse incidenten geweest. Aangezien de PCL-R score grotendeels bepaald wordt door historische gegevens, valt niet te verwachten dat nieuw psychiatrisch onderzoek zal leiden tot een andere uitkomst, die opname in de FPK mogelijk zal maken. Het hof zal het verzoek van de raadsman van verdachte om de zaak aan te houden teneinde een nieuw psychopathie onderzoek te laten plaatsvinden om deze reden afwijzen."

3.10. Tenslotte overweegt het hof in het bijzonder ten aanzien van de oplegging van de tbs-maatregel als volgt:

"Gelet op het voorgaande en op de indruk die het hof zelf van de verdachte heeft gekregen, komt het hof tot de volgende conclusies. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat deze feiten hem slechts in licht/enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. De door hem begane feiten betreffen telkens misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Voorts is er groot recidivegevaar aanwezig indien verdachte niet behandeld wordt voor zijn persoonlijkheidsstoornis. Deze behandeling dient plaats te vinden in een gestructureerde klinische setting. Gelet op het voorgaande is oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling op zijn plaats.

De deskundigen adviseren een behandeling in een FPK te Assen in het kader van een Tbs met voorwaarde te onderzoeken. Deze instelling ziet echter een contra-indicatie voor opname in de geringe motivatie en de hoge psychopathiescore van verdachte. Andere FPK's zijn geen alternatief gebleken. Gelet op het ten aanzien van verdachte benodigde beveiligingsniveau kan evenmin behandeling plaatsvinden in een andere instelling dan een FPK.

Het hof is van oordeel dat een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden voor verdachte de meest aangewezen modaliteit is. Het gaat om een man van jonge leeftijd die het meest gebaat lijkt te zijn bij een op zijn problematiek toegespitste concrete behandeling. Maar het hof moet concluderen dat voor personen met een persoonlijkheidsproblematiek als die van verdachte momenteel geen setting bestaat waarin deze maatregel feitelijk kan worden uitgevoerd. Het bestaande hulp- en behandelaanbod voorziet daar niet in. Nu in casu geen terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden opgelegd omdat er geen voorwaarden ter bescherming van de veiligheid van anderen kunnen worden gesteld die ook nageleefd kunnen worden, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van een terbeschikkingstelling en het daarbij te geven bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, vereisen. Het hof acht daarbij wenselijk dat - gelet op de ontwikkeling van de nog jonge verdachte en lange duur van de proces in hoger beroep - met de behandeling in het kader van Tbs met verpleging zo spoedig mogelijk een aanvang zal worden genomen. Gelet op voornoemd recidivegevaar, de opbouw in de ernst van de door verdachte begane feiten, de - ondanks zijn lange behandelhistorie - aanhoudende agressie, alsmede de onzekerheid van het bestaan van een intrinsieke motivatie tot behandeling bij verdachte zoals in de adviezen van de deskundigen naar voren komt alsmede gelet op de adviezen van de deskundigen om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling

op te leggen, is een behandeling in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de raadsman voorgesteld niet aan de orde."

3.11. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de last tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege strijdig zou zijn met de aanbevelingen van de ter terechtzitting gehoorde deskundigen en het hof aldus doende de artikelen 37a, 37b en 38 van het Wetboek van Strafrecht in strijd met de wet en de bedoeling der wetgever heeft toegepast, althans de oplegging van deze maatregel niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert de steller van het middel aan dat het hof, in tegenstelling tot hetgeen het hof ter zitting d.d. 3 april 2007 heeft beslist, geen nader psychiatrisch onderzoek heeft ingesteld naar de mogelijkheden om verdachte een Tbs met voorwaarden te laten ondergaan in een FPA ondanks het advies van getuige-deskundige P.A. de Mon, psychiater. Nu de wetgever de mogelijkheid tot het opleggen van de maatregel van Tbs met voorwaarden opent, zou het hof niet hebben kunnen besluiten deze maatregel niet op te leggen op grond van de omstandigheid dat klinieken (volgens de steller van het middel één kliniek) weigeren een dergelijke maatregel uit te voeren. Alle psychiatrische getuige-deskundigen zouden hebben aangegeven dat aan verdachte een Tbs met voorwaarden moest worden opgelegd; het hof zou deze mening ook zijn toegedaan blijkens 's hofs overweging hiervoor weergegeven onder 3.10. De omstandigheid dat de heer Roosjen, coördinator indicatiestelling forensische zorg, in tegenstelling tot de wens van het hof, geen indicatiestelling heeft afgegeven voor de FPA, waardoor een opname in een eventuele behandelkliniek wordt geblokkeerd, had volgens de steller van het middel niet hebben kunnen leiden tot oplegging van de Tbs maatregel met dwangverpleging. Die maatregel kan naar zijn oordeel alleen worden opgelegd indien is voldaan aan de eis van artikel 37b Sr, te weten dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist; hieraan zou niet zijn voldaan.

3.12. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in feitelijke aanleg bij zijn beslissing over de vraag of de maatregel van terbeschikking-stelling moet worden opgelegd, niet is gebonden aan de in art. 37, tweede lid, Wetboek van Strafrecht bedoelde rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht omdat de waardering van die rapporten en adviezen aan hem is voorbehouden.(1) Het is voorts aan diezelfde rechter in feitelijke aanleg om te beoordelen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van terbeschikkingstelling eist. Die beoordeling is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.(2)

3.13. De gedachtegang van het hof komt op het volgende neer. Het hof heeft geoordeeld dat gelet op de rapportages van gedragsdeskundigen een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden voor verdachte de meest aangewezen modaliteit is. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat, nu voor personen met een persoonlijkheidsproblematiek als die van verdachte momenteel geen klinische setting bestaat waarin deze maatregel feitelijk kan worden uitgevoerd, verdachte de maatregel van Tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd.

De in het middel vervatte klacht dat het hof op basis van het door S. Roosjen coördinator indicatiestelling forensische zorg - en dus geen psychiatrisch deskundige - uitgebrachte advies, zou hebben geconcludeerd dat er voor verdachte geen behandelingsmogelijkheden voor Tbs met voorwaarden voorhanden zouden zijn, slaagt reeds om de volgende reden niet. Het hof heeft zijn uiteindelijke conclusie ten aanzien van verdachte's geestelijke stoornis, diens toerekeningsvatbaarheid en het gevaar dat de verdachte oplevert voor anderen gebaseerd op zijn hiervoor onder 3.10 weergegeven adviezen uitgebracht door de gedragsdeskundigen (Kemperman, Tatlicioglu). Vervolgens is de vraag of Tbs met dwangverpleging de aangewezen maatregel is, verder geheel aan de rechter.(3) Het stond het hof derhalve vrij om, mede in aanmerking nemende het advies van Roosjen, luidende dat er geen behandelingsmogelijkheden voor Tbs met voorwaarden voorhanden zijn, te besluiten tot het opleggen van Tbs met dwangverpleging. In cassatie kan vervolgens uitsluitend worden onderzocht of dit oordeel begrijpelijk is. Door te overwegen dat "nu er geen terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden opgelegd omdat er geen voorwaarden ter bescherming van de veiligheid van anderen kunnen worden gesteld die ook nageleefd kunnen worden" zodat "de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van een terbeschikkingstelling en het daarbij te geven bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, vereisen", heeft het hof uitdrukkelijk en toereikend gemotiveerd waarom het de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege gerechtvaardigd heeft geacht. Daarbij is voorts van belang dat het hof bij de oplegging van die maatregel blijkens zijn hiervoor onder 3.10 weergegeven overweging mede in aanmerking heeft genomen het recidivegevaar, de opbouw in de ernst van de door verdachte begane feiten, de - ondanks zijn lange behandelhistorie- aanhoudende agressie, alsmede de onzekerheid van het bestaan van een intrinsieke motivatie tot behandeling bij verdachte zoals in de adviezen van de deskundigen naar voren komt. Zowel aan de maatstaf voor terbeschikkingstelling zoals die tot uitdrukking komt in artikel 37a, eerste lid, onder 2 Sr (veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen) als aan de maatstaf van het bevel verpleging als genoemd in artikel 37b, eerste lid Sr (veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist verpleging) heeft het hof op begrijpelijke wijze inhoud gegeven door te overwegen als hierboven opgenomen. Kennelijk doelt het hof bij het recidiverisico op het risico van herhaling van de indexdelicten ter zake waarvan de terebeschikkingstelling wordt opgelegd. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (het hof heeft geen algemeen gevaar voor goederen aangenomen) kan verpleging eisen als dat gevaar niet op andere wijze (bijvoorbeeld door het stellen van voorwaarden) kan worden gereduceerd.

3.14. Het middel faalt derhalve in zoverre.

4.1. De toelichting op het middel bevat voorts (tenslotte en ten overvloede) de klacht dat verdachte zich inmiddels sedert september 2005, ruim 34 maanden ten tijde van het indienen van de cassatieschriftuur, in voorlopige hechtenis bevindt. Daarmee zou de redelijke termijn waarbinnen een strafproces moet worden afgesloten zijn overschreden en zou niet moeten worden overgegaan tot het opleggen van de maatregel van Tbs met dwangverpleging aangezien dit niet langer een toepasbare modaliteit is.

4.2. Hoewel ik in de klacht de in cassatie niet aan de orde zijnde vraag aan de Hoge Raad meen te beluisteren om te beslissen dat geen terbeschikkingstelling wordt opgelegd, maak ik naar aanleiding van deze klacht enkele opmerkingen. De raadsman moet worden toegegeven dat het tijdsverloop bij de behandeling van de zaak in hoger beroep onwenselijk lang is. Overigens geldt dat ook in het licht van de omstandigheid dat het hier een gedetineerde betreft die behandeling nodig heeft. In de praktijk is het helaas niet ongebruikelijk dat er verschillende zittingen noodzakelijk zijn om een goede afweging te kunnen maken tussen de vraag of een terbeschikkingstelling moet worden opgelegd met verpleging of met voorwaarden. Bij een dergelijke afweging heeft een verdachte belang zeker als hem in eerste aanleg terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd en de (eerste) adviezen van de deskundigen in die richting gaan. Het hof heeft aanleiding gezien om de vraag of niet volstaan kan worden met een terbeschikkingstelling met voorwaarden nader te doen onderzoeken en is daarmee de verdachte in zekere zin tegemoet gekomen. Dat is gebeurd op verzoek en met instemming van verdachte. Het is in de praktijk genoegzaam bekend dat het vinden van een behandelplaats in een kliniek in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden uiterst moeizaam is en om die reden veel tijd vergt. Ik wijs er op dat de klacht in het licht van het (afgewezen) verzoek van de raadsman om de zaak in de laatste fase van behandeling door het hof opnieuw voor nader onderzoek aan te houden enigszins curieus is. Ingevolge artikel 76, vijfde lid, duurt de voorlopige hechtenis na de einduitspraak van de appelrechter onverminderd voort totdat de uitspraak onherroepelijk is geworden. Tengevolge van het aanwenden van rechtsmiddelen bevindt verdachte zich nog steeds in voorlopige hechtenis. De maatregel van Tbs met dwangverpleging kan ingevolge artikel 557 van het Wetboek van Strafrecht eerst ten uitvoer worden gelegd als de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Door het aanwenden van rechtsmiddelen wordt de tenuitvoerlegging van een niet onherroepelijke rechterlijke beslissing geschorst. Nu verdachte tegen het vonnis van de rechtbank d.d. 30 maart 2006 beroep heeft ingesteld en vervolgens beroep in cassatie heeft ingesteld tegen de beslissing van het hof d.d. 25 september 2007 kan er in cassatie niet met vrucht over worden geklaagd dat de maatregel van Tbs met dwangverpleging nog niet is opgelegd, en dat er daardoor dan maar in het geheel zou moeten worden afgezien van het opleggen van deze maatregel. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

5. Het voorgestelde middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.m. HR 12 september 2006, LJN AW4414.

2 HR 20 januari 2009, LJN BG1645; HR 20 juni 2009, LJN BF3162.

3 Vgl. conclusie van Mr Jörg in HR 20 januari 2009, LJN: BF 3162 onder overweging 19.