Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI7190

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
07/10974
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI7190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Verjaring. Strafrechtelijk beslag. Dat de staat niet heeft ver-meld wat er met het in beslag genomen geld is gebeurd, levert geen grond op voor verlenging van verjaringstermijn op de voet van art. 3:321 lid , aanhef en onder f, BW; geen stuitings-handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 908
NJB 2009, 1609
JWB 2009/297
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/10974

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 29 mei 2009

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

De Staat der Nederlanden

(Ministerie van Justitie)

Inleiding

1. In deze zaak gaat het om de rechtsvordering tot schadevergoeding van thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], tegen thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat. Overwegende dat [eiser] zijn rechtsvordering tot schadevergoeding baseert op onrechtmatige daad - bestaande in verduistering doordat de Staat het ten laste van hem in beslag genomen geld dat hij voor anderen in bewaring had, niet aan hem uitbetaalt maar onder zich houdt hoewel voor de Staat een verplichting tot teruggave is ontstaan nadat elk strafvorderlijk belang bij het beslag was komen te vervallen - heeft het hof geoordeeld dat deze rechtsvordering is verjaard op de voet van art. 3:310 lid 1 BW. Het middel komt op tegen 's hofs oordeel dat zich hier niet de uitzondering van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW voordoet en dat de verjaring niet is gestuit.

2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (zie rov. 1.1 t/m 1.6 van het in zoverre in cassatie niet bestreden arrest van het hof te 's-Gravenhage van 12 april 2007 en rov. 1.1 t/m 1.7 van het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 20 april 2005):

i) Bij arrest van 24 mei 1988 heeft het hof te 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank bekrachtigd waarbij [eiser] wegens handel in cocaïne en heroïne werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van f 875.000,- subsidiair zes maanden vervangende hechtenis. Over het in het kader van de strafzaak in beslag genomen geld is geen enkele beslissing genomen. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is bij uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 1989 verworpen.

ii) In het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] is ten laste van [eiser] beslag gelegd op contanten die op diverse plaatsen zijn aangetroffen, en op bankrekeningen. In totaal is een bedrag van f 770.594,- ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage gedeponeerd.

iii) [Eiser] heeft op 23 augustus 1988, zijnde na afloop van zijn strafzaak bij het hof en hangende de cassatieprocedure, een klaagschrift ex art. 552a Sv. ingediend bij de strafkamer van het hof. De inhoud van het klaagschrift is in deze procedure niet bekend geworden, maar aangenomen moet worden dat die strekte tot teruggave aan [eiser] van ten laste van hem in beslag genomen gelden. Na afloop van de cassatieprocedure heeft de toenmalige advocaat van [eiser] bij brief van 19 november 1990 dit klaagschrift ingetrokken.

iv) Behalve [eiser] hebben ook zijn ex-echtgenote [betrokkene 1] en zijn halfbroer [betrokkene 2] klaagschriften ex art. 552a Sv. ingediend strekkende tot teruggave aan hen van een deel van het ten laste van [eiser] in beslag genomen geld. De uitspraak op het klaagschrift van [betrokkene 1], die teruggave vroeg van een onder haar ten laste van [eiser] in beslag genomen bedrag van f 123.405,48, is in deze procedure niet bekend geworden. Uit een computeruitdraai heeft de Staat afgeleid dat [betrokkene 2] in zijn klacht strekkende tot teruggave aan hem van f 500.000,- door de Hoge Raad bij arrest van 20 mei 1997 niet-ontvankelijk is verklaard.

v) De procureur-generaal bij het hof te 's-Gravenhage heeft [eiser] in zijn brief van 22 februari 1991 voorgesteld om de geldboete te verrekenen met de in beslag genomen gelden, maar [eiser] heeft daartegen bezwaar gemaakt. De procureur-generaal heeft de boete niet op het in beslag genomen geld verhaald. [Eiser] heeft de vervangende hechtenis uitgezeten in de periode van 30 december 1993 tot 28 juni 1994.

vi) De raadsman van [eiser] heeft bij brief van 13 oktober 1998 de procureur-generaal over de onder [eiser] in beslag genomen bedragen geschreven.

3. [Eiser] heeft bij inleidende dagvaarding van 14 mei 2004 gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van € 315.140,15 met rente, stellende - onder meer - dat hij de vervangende hechtenis voor de opgelegde geldboete van f 875.000,- heeft uitgezeten, zodat de in beslag genomen geldbedragen niet meer met de opgelegde geldboete verrekend kunnen worden en aan hem moeten worden terugbetaald en dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door zulks te weigeren.

De Staat heeft zich primair verweerd met de stelling dat [eiser] in zijn vordering niet kan worden ontvangen omdat hij de procedure van art. 552a Sv. niet (volledig) heeft gevolgd. Subsidiair heeft de Staat aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard.

4. De rechtbank te 's-Gravenhage heeft in haar vonnis van 20 april 2005 het primaire verweer van de Staat gehonoreerd. In een overweging ten overvloede heeft de rechtbank het subsidiaire verweer van de Staat eveneens gegrond bevonden, waartoe de rechtbank heeft overwogen dat de vordering voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad bestaande in het na 28 juni 1994 ten onrechte onder zich houden van de in beslag genomen geldbedragen, gezien art. 3:310 lid 1 BW op 29 juni 1999 is verjaard aangezien de onrechtmatigheid dan vanaf 28 juni 1994 zou bestaan en van een stuiting vóór die datum niet is gebleken. De rechtbank heeft het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen met de overweging dat niets [eiser] in de weg stond om vanaf 28 juni 1994 een procedure aanhangig te maken, althans de verjaring tijdig te stuiten en dat daaraan niet afdoet dat [eiser] niet (meer) wist wat de precieze hoogte was van het door de Staat in beslag genomen bedrag. De rechtbank heeft ten slotte de vorderingen van [eiser] afgewezen.

5. [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld onder aanvoering van twee grieven. Hij heeft zich daarbij beroepen op verlenging van de verjaringstermijn op grond van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW, daartoe aanvoerende dat de Staat als schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld en de opeisbaarheid ervan verborgen heeft gehouden door hem in het ongewisse te laten over de vraag of het beslag was opgeheven, wat er nog aan geld restte en of er al dan niet geld aan anderen was teruggegeven. Voorts heeft hij zich beroepen op stuiting van de verjaring.

6. Het hof te 's-Gravenhage heeft het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden bekrachtigd. Het heeft gegrond verklaard de (eerste) grief gericht tegen het oordeel dat [eiser] niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Daartoe heeft het overwogen dat de verplichting tot teruggave na inbeslagname niet een verplichting is waarvan bij de civiele rechter nakoming kan worden gevorderd, doch dat niet-nakoming van deze verplichting tot teruggave wel leidt tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en dat de civiele rechter op de vordering uit onrechtmatige daad moet beslissen. In dat verband overwoog het hof (in rov. 6) het volgende omtrent de aard en inhoud van de vordering van [eiser]:

"Voor de Staat is een verplichting tot teruggave ontstaan, nadat elk strafvorderlijk belang bij het beslag is komen te vervallen en de Staat het onder [eiser] in beslaggenomen goed voor hem is gaan bewaren. [eiser] baseert zijn vordering, zo leidt het hof af uit hetgeen [eiser] bij gelegenheid van de comparitie van partijen en in zijn memorie van grieven naar voren heeft gebracht, op onrechtmatige daad, bestaand in verduistering, doordat de Staat het ten laste van hem in beslaggenomen geld dat hij voor anderen in bewaring had, niet aan hem uitbetaalt maar onder zich houdt.

Vervolgens heeft het hof op het subsidiair gedane beroep op verjaring - in verband met de devolutieve werking van het appel en de tweede grief - overwogen als volgt:

"8. Partijen zijn het erover eens dat de verjaringstermijn is aangevangen op 28 juni 1994, het moment waarop [eiser] de voorlopige (lees: vervangende; plv. P-G) hechtenis heeft uitgezeten. Dit aanvangstijdsitp heeft daarom voor het hof als uitgangspunt te gelden.

9. [Eiser] beroept zich op stuiting van de verjaring, althans, zo stelt hij in hoger beroep voorts, doet zich de uitzondering van art. 3:321, eerste lid, onder f BW voor en is de verjaringstermijn verlengd omdat de Staat als schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld en de opeisbaarheid daarvan verborgen heeft gehouden. [eiser] werd, zo stelt hij, in het ongewisse gelaten over de vraag of het beslag was opgeheven, wat er nog aan geld restte en of er al dan niet geld aan anderen was teruggegeven.

10. De door [eiser] ingeroepen uitzonderingssituatie doet zich naar het oordeel van het hof niet voor. Het gaat hier om een onrechtmatige daad van de Staat en de geldsom die wordt gevorderd, zo begrijpt het hof, is een vergoeding van de schade die hij ten gevolge daarvan heeft geleden. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart ingevolge art. 3:310 BW door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] erkend dat hij destijds alle kennisgevingen van inbeslagneming heeft ontvangen. Hij was dus destijds bekend met de strafvorderlijke beslagen. Hij was tevens op de hoogte van de onherroepelijkheid van de uitspraak van het hof alsmede van het tijdstip waarop hij zijn vervangende hechtenis had uitgezeten, waarna de opgelegde boete in elk geval niet meer op het inbeslaggenomen geld kon worden verhaald. Aan [eiser] waren dus in elk geval op laatstgenoemd tijdstip, 28 juni 1994, de schade, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de schadevergoeding bekend. Dat de omvang van de schade hem niet bekend was, is niet van belang voor de beoordeling van het antwoord op de vraag of de verjaringstermijn is aangevangen.

Het beroep op stuiting van de verjaring heeft het hof verworpen in de rechtsoverwegingen 11-13 van zijn arrest. Vooropstellend dat - zoals eerder overwogen - als aanvangstijdstip van de verjaringstermijn heeft te gelden 28 juni 1994, heeft het hof daartoe overwogen dat de enige brief die de raadsman van [eiser] na het aanvangstijdstip van de verjaring maar vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaren aan de Staat heeft geschreven, die van 13 oktober 1998, niet als een stuitingshandeling kan gelden aangezien deze brief niet een mededeling is waarin [eiser] zich ondubbelzinnig het recht op schadevergoeding voorbehoudt, doch veeleer een verzoek om inlichtingen, zodat het beroep op stuiting van de verjaring niet opgaat en de rechtsvordering is verjaard.

7. [Eiser] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.

Het cassatiemiddel

8. Middelonderdeel A richt zich - mede gelet op de aanhef van het cassatiemiddel waarin wordt geklaagd over schending van het bepaalde in de art. 3:309 BW (bedoeld zal zijn 3:310 BW) juncto art. 3:321 BW - kennelijk tegen rechtsoverweging 10 (hiervoor geciteerd) van het bestreden arrest waarin het hof overweegt dat het beroep van [eiser] op de verlengingsgrond (de uitzonderingsgrond) van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW niet opgaat omdat de door [eiser] ingeroepen uitzonderingssituatie (te weten dat de Staat als schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld en de opeisbaarheid daarvan verborgen heeft gehouden) zich niet voordoet. Het onderdeel betoogt dat het hof ten onrechte tot de conclusie komt dat de Staat de schade, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de schadevergoeding niet voor [eiser] verborgen heeft gehouden, nu uit de brieven die bij memorie van grieven aan het hof zijn overgelegd - te weten de brieven gedateerd 6 november 1990, 19 november 1990, 22 februari 1990, 5 maart 1991, 11 maart 1991, 20 december 1991, 9 juli 1993, 13 oktober 1998, 1 december 2000, 9 juli 2001, 2 februari 2002, 17 februari 2003 en 7 januari 2004 - volstrekt duidelijk is dat de Staat bij monde van de procureur-generaal bij het hof te 's-Gravenhage [eiser] volstrekt in het ongewisse heeft gelaten op voornoemde punten. Met name omdat [eiser] zelf steeds heeft betoogd dat het geld dat onder hem en zijn toenmalige partner in beslag was genomen niet alleen van hem was maar ook van de toenmalige partner en ook van zijn halfbroer, was het voor [eiser] volstrekt onduidelijk of het bedrag wellicht geheel of ten dele aan hen was uitgekeerd, in welk geval [eiser] geen vordering zou hebben gehad. Door [eiser] aldus in het ongewisse te laten, is de verjaringstermijn niet gaan lopen. Zo betoogt het middel.

9. Bij de behandeling van dit middelonderdeel moet het volgende worden vooropgesteld.

Art. 3:320 BW bepaalt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, de termijn voortloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken. Art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW bepaalt dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat tussen de schuldeiser en zijn schuldenaar die opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt.

In de TM wordt de bepaling van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f (dat toen nog slechts zag op het verborgen houden van het bestaan van de schuld) als volgt toegelicht (Parl. Gesch. Boek 3, p. 938):

"Het hier genoemde verzwijgen kan plaats vinden tegen de oorspronkelijke schuldeiser - b.v. de erfgenaam verzwijgt opzettelijk een legaat voor de legataris - of tegen diens rechtverkrijgenden - b.v. een schuldenaar uit verbruikleen houdt opzettelijk jegens de erfgenamen van de schuldeiser het bestaan van zijn schuld geheim. Wordt in zodanige gevallen door de schuldeiser later het verborgen houden ontdekt, dan kan hem geen voltooide verjaring worden tegengeworpen."

De aanvulling van de onderhavige bepaling met het geval van verzwijging van de opeisbaarheid van de schuld is in de M.v.T. Inv. als volgt toegelicht (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1412):

"De schuldenaar die "het bestaan van de schuld" opzettelijk voor de schuldeiser verborgen houdt, zal zich een beroep op verlenging van de verjaring moeten laten welgevallen. Het zelfde behoort te gelden in geval van het opzettelijk verborgen houden van de verschijning van het onzekere tijdstip of de vervulling van de voorwaarde, wanneer hij dit tijdstip of de vervulling kent, maar de schuldeiser niet."

10. Uit de hiervoor geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat bij het verborgen houden van het bestaan van de schuld in het bijzonder moet worden gedacht aan het verborgen houden van de (rechts)feiten die de grond vormen voor het bestaan van de vordering. Een weigering de vordering te erkennen of te betalen kan niet worden aangemerkt als het verborgen houden van het bestaan van de vordering. Aldus ook uw Raad in zijn arrest van 1 november 2001, NJ 2002, 600, waarin het ging om de vraag of de verjaring van de rechtsvordering van een voormalig werknemer op zijn werkgever tot vergoeding van overuren was verlengd op de grond dat de werkgever het verzoek van de werknemer om uitbetaling steeds aldus had beantwoord dat de werknemer geen recht op een overwerktoeslag had. Ik moge hier ook verwijzen naar mijn conclusie voor genoemd arrest, waarin ik in dit verband nog aantekende dat de werkgever niet was gehouden de vordering te erkennen en dat het hem vrijstond op dit punt een juridisch dispuut aan te gaan, zij het dat het opzettelijk doen van onjuiste mededelingen onder omstandigheden kan meebrengen dat het beroep van de werkgever op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij in het bijzonder van belang is of de werknemer in de onmogelijkheid verkeerde de mededelingen van zijn werkgever op juistheid te laten toetsen.

De verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f zal naar mijn oordeel uit zijn aard niet van toepassing kunnen zijn in geval het gaat om de korte verjaringstermijn van een rechtsvordering tot vergoeding van schade - zoals de onderhavige rechtsvordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad - nu deze verjaringstermijn ingevolge art. 3:310 lid 1 BW pas aanvangt op de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. In zijn arrest van 31 oktober 2003, NJ 2006, 112, m.nt. C.E. du Perron, is uw Raad tegen de achtergrond van zijn in dat arrest vermelde rechtspraak en in het licht van de mede naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur, tot het oordeel gekomen dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW gelet op de strekking van deze bepaling pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Van het aanvangen van deze verjaringstermijn betreffende een rechtsvordering tot vergoeding van schade zal derhalve geen sprake zijn ingeval de schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt en derhalve evenmin van verlenging van de verjaring, die gelet op art. 3:320 BW alleen mogelijk is ten aanzien van een lopende verjaring.

Ook uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis maak ik op dat de hier bedoelde verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f (het opzettelijk verborgen houden van het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan) niet ziet op gevallen waarin de verjaringstermijn van de rechtsvordering niet aanvangt zolang de schuldeiser onbekend is met het ontstaan van de vordering of de persoon van de schuldenaar. Uit deze wetsgeschiedenis maak ik op dat bedoelde verlengingsgrond ziet op gevallen waarin de verjaringstermijn kan aanvangen terwijl de schuldeiser onbekend is met het ontstaan van de vordering of de persoon van de schuldenaar, zoals bijvoorbeeld ingeval het gaat om de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst tot een geven of een doen, welke rechtsvordering ingevolge art. 3:307 BW verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Zie de volgende passage in de M.v.T. Inv. die voorafgaat aan de hiervoor uit deze toelichting geciteerde passage die ik volledigheidshalve in het nu volgende citaat betrek (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1412):

"Ten slotte verdient nog aandacht dat art. 3.11.11 (art. 3:307; plv. P-G) - anders dan de artikelen 3.11.12a, 13 en 13aa (artt. 3:309, 310 en 311; plv. P-G) geen rekening houdt met de mogelijkheid dat de schuldeiser onbekend is met het ontstaan van de vordering of de persoon van de schuldenaar. Vooropgesteld moet worden dat dit geval zich hier minder makkelijk dan bij de artikelen 3.11.12a, 13 en 13aa kan voordoen. Wie een overeenkomst aangaat, kent zijn wederpartij en pleegt ook te weten wanneer zijn recht op nakoming opeisbaar wordt. Er kunnen echter gevallen zijn, waarin dit laatste anders is, met name wanneer de opeisbaarheid afhankelijk is van een tijdsbepaling of een onzeker tijdstip of van een opschortende voorwaarde. Ook voor deze gevallen is echter van een bijzondere regel afgezien. In beginsel is het aan de schuldeiser om ervoor te zorgen, dat hij van de verschijning van dit tijdstip of van de vervulling van de voorwaarde tijdig op de hoogte is. (....)

Wel zal de schuldeiser tegenover een beroep op verjaring als bedoeld in artikel 3.11.11 soms een verweer kunnen ontlenen aan art. 3.11.20 onder f (art. 3:321 lid 1 onder f; plv. P-G). De schuldeiser die het bestaan van de schuld opzettelijk voor de schuldeiser verborgen houdt, zal zich een beroep op verlenging van de verjaring moeten laten welgevallen. Hetzelfde behoort te gelden in geval van het opzettelijk verborgen houden van de verschijning van het onzekere tijdstip of de vervulling van de voorwaarde, wanneer hij dit tijdstip of deze vervulling kent, maar de schuldeiser niet."

11. Het hof heeft - zoals hiervoor aangegeven - in rechtsoverweging 6 in cassatie onbestreden vooropgesteld dat voor de Staat een verplichting tot teruggave is ontstaan nadat elk strafvorderlijk belang bij het beslag is komen te vervallen en de Staat het onder [eiser] in beslaggenomen goed voor hem is gaan bewaren, en voorts dat [eiser] zijn vordering baseert op onrechtmatige daad, bestaande in verduistering, doordat de Staat het ten laste van hem in beslaggenomen geld dat hij voor anderen in bewaring had, niet aan hem uitbetaalt doch onder zich houdt. Het hof heeft vervolgens in rechtsoverweging 8 vooropgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de verjaringstermijn op 28 juni, het moment waarop [eiser] de vervangende hechtenis heeft uitgezeten, is aangevangen. Het hof heeft vervolgens het beroep van [eiser] op de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder f BW verworpen met de overweging dat de door [eiser] ingeroepen uitzonderingssituatie zich niet voordoet. Het gaat hier immers, aldus het hof, om een rechtsvordering tot vergoeding van de schade die is geleden ten gevolge van een onrechtmatige daad van de Staat. Een zodanige rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart ingevolge art. 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Aan [eiser] waren in elk geval op 28 juni 1994 de schade, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de schadevergoeding bekend nu hij destijds - naar hij heeft erkend - alle kennisgevingen van inbeslagneming heeft ontvangen zodat hij destijds bekend was met de strafvorderlijke beslagen, en nu hij tevens op de hoogte was van de onherroepelijkheid van de uitspraak van het hof alsmede van het tijdstip waarop hij zijn vervangende hechtenis had uitgezeten, waarna de opgelegde boete in elk geval niet meer op het in beslag genomen geld kon worden verhaald. Dat de omvang van de schade hem niet bekend was, is niet van belang voor de beoordeling van het antwoord op de vraag of de verjaringstermijn is aangevangen.

12. In het midden kan blijven of het hof met zijn rechtsoverweging 8, waarin het vooropstelt dat partijen het erover eens zijn dat "de verjaringstermijn is aangevangen" op 28 juni 1994, het moment waarop [eiser] de vervangende hechtenis heeft uitgezeten, bedoelt aan te geven dat partijen het erover eens zijn dat op dat moment de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is ontstaan en opeisbaar is geworden. Het hof heeft geoordeeld dat de door [eiser] ingeroepen uitzonderingssituatie - te weten de in art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW dat de verjaringstermijn wordt verlengd omdat de Staat als schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld en de opeisbaarheid daarvan verborgen heeft gehouden - zich niet voordoet. Het heeft zijn oordeel gemotiveerd met de overweging dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot schadevergoeding ingevolge art. 3:310 lid 1 BW op 28 juni 1994 is aangevangen omdat [eiser] op die datum bekend was met de schade, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de schadevordering (zodat [eiser], zo merk ik hierbij op, daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen).

's Hofs oordeel geeft tegen de achtergrond van hetgeen ik hiervoor onder 9 en 10 vooropstelde niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen geldt met betrekking tot de aanvang van de vijfjarige verjaringstermijn van een rechtsvordering als de onderhavige en met betrekking tot de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW. Daarop stuiten de rechtsklachten van middelonderdeel A af, in welk onderdeel ik zowel de klacht meen te moeten ontwaren dat het hof ten onrechte het beroep op bedoelde verlengingsgrond heeft afgewezen als de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vijfjarige verjaringstermijn is aangevangen, waarbij het middel overigens geen duidelijk onderscheid maakt tussen de aanvang van de verjaring en de verlenging van de verjaring die uit haar aard slechts kan zien op een lopende verjaring.

De klacht dat de Staat de schade, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de schadevergoeding voor [eiser] "verborgen heeft gehouden" gelet op de in het middel genoemde (in het A-dossier ontbrekende) brieven, die overigens ten dele dateren van na 29 juni 1999, de dag waarop naar 's hofs oordeel de verjaring is voltooid, faalt. Deze klacht gaat kennelijk ervan uit dat van bekendheid met de schade waarop [eiser] aanspraak maakt, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding geen sprake kon zijn zolang [eiser] in het ongewisse verkeerde over de vraag of het door de Staat in beslag genomen bedrag geheel of ten dele reeds was uitgekeerd aan degene aan wie het bedrag naar zeggen van [eiser] toebehoorde. Dat uitgangspunt is evenwel niet juist nu deze kwestie niet betreft een (rechts)feit dat de grond vormt voor het bestaan van de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad die - naar het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld - op de Staat rust omdat de Staat het ten laste van [eiser] in beslag genomen geld niet aan hem uitbetaalt maar onder zich houdt hoewel elk strafvorderlijk belang bij het beslag is komen te vervallen. Het gaat hier om een verweer waarop de Staat zich althans naar [eiser]s kennelijke verwachting zou kunnen (gaan) beroepen. De door het middel bedoelde onzekerheid maakte niet dat [eiser] - wegens onbekendheid met de door hem gevorderde schade en de aansprakelijke persoon als bedoeld in art 3:310 lid 1 BW of wegens het opzettelijk door de Staat verborgen houden van het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan - niet daadwerkelijk in staat was de rechtsvordering tegen de Staat in te stellen.

13. Middelonderdeel B is gericht tegen het oordeel van het hof dat het beroep op stuiting van de verjaring moet worden verworpen nu de enige brief die de raadsman van [eiser] na het aanvangstijdstip van de verjaring maar vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaren aan de Staat heeft geschreven, die van 13 oktober 1998, niet als een stuitingshandeling kan gelden aangezien deze brief niet een mededeling is waarin [eiser] zich het recht op schadevergoeding ondubbelzinnig voorbehoudt, doch veeleer een verzoek om inlichtingen. Het middelonderdeel klaagt dat de inhoud van de brief moet worden bezien in samenhang met alle andere brieven die hij heeft geschreven, althans zijn diverse raadslieden hebben geschreven aan de procureur-generaal bij het hof te 's-Gravenhage, en dat uit die brieven in onderlinge samenhang gelezen zonder meer naar voren komt dat [eiser] van oordeel is dat hij, nu hij de vervangende hechtenis heeft uitgezeten, het beslagen geld, als dat niet aan anderen is uitgekeerd, zelf dient te ontvangen.

14. Deze klacht faalt reeds omdat zij uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat een brief waaruit afgeleid zou moeten worden dat [eiser] van oordeel is dat hij het beslagen geld dient te ontvangen (nog daargelaten dat het hier gaat om een vordering tot schadevergoeding), zou kunnen gelden als een stuitingshandeling. Het hof is terecht ervan uitgegaan dat stuiting van de verjaring slechts aan de orde kan zijn in de periode waarin de verjaringstermijn loopt en voorts dat een brief - gelet op art. 3:317 lid 1 BW - een lopende verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis slechts kan stuiten ingeval de brief een aanmaning bevat of een mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Daarbij geldt dat de woorden "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt" moeten worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke neerkomt op een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Zie HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244; HR 1 december 2000, NJ 2001, 46 en HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169. 's Hofs oordeel dat de brief van 13 oktober 1998 niet een mededeling is waarin [eiser] zich ondubbelzinnig het recht op schadevergoeding voorbehoudt, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden