Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI7147

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
08/03376
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2008:BD2273
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI7147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Wederzijdse dwaling ten aanzien van de koopprijs (art. 6:228, lid 1, onder c BW) (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1011
JWB 2009/320
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/03376

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 5 juni 2009

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1] en

2. [Eiseres 2]

tegen

[Verweerster]

Deze zaak, waarin het gaat om de vernietiging van de koopovereenkomst van een huis op grond van art. 6:228 lid 1 onder c BW (wederzijdse dwaling), leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Verweerster in cassatie, [verweerster], heeft eisers tot cassatie, zijnde haar kleinzoon ([eiser 1]) en diens echtgenote(1), hierna gezamenlijk aangeduid als [eiser] c.s., bij inleidende dagvaarding van 7 april 2006 gedagvaard voor de rechtbank Roermond. [Verweerster] heeft daarbij - voor zover thans van belang - gevorderd dat de op 4 november 2005 ten overstaan van de notaris ondertekende overeenkomst waarbij zij haar woning heeft verkocht aan [eiser] c.s., wordt vernietigd op grond van dwaling.

1.2 De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van 16 augustus 2006 afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch - voor zover thans van belang - dit vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de koopovereenkomst tussen partijen wegens dwaling ten aanzien van de koopprijs vernietigd.

1.3 Het tijdig(2) tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep bevat vijf middelen.

Middel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.7 dat vaststaat dat ook [eiser] c.s. ten aanzien van de totstandkoming van de koopprijs van een onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan. Het middel klaagt dat dit oordeel "niet wordt gedragen door de onbegrijpelijke redenering van het gerechtshof op p. 6 van het arrest" en voorts zonder nadere uitleg onbegrijpelijk is nu [eiser] c.s. hebben gesteld zich niet van enige dwaling bewust te zijn en in de gedingstukken verder geen aanknopingspunt valt te ontdekken op grond waarvan de conclusie van het hof kan worden getrokken.

1.4 Het middel bevat aldus uitsluitend motiveringsklachten die, voor zover een beroep wordt gedaan op de processtukken, niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Voor zover wordt betoogd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof zou zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, wordt miskend dat het hier een vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst betreft die is gebaseerd op wederzijdse dwaling (art. 228 lid 1 aanhef en onder c BW). Daarvoor is onder meer vereist dat beide partijen zijn uitgegaan van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.6 in cassatie niet bestreden vastgesteld dat de notaris de koopprijs niet heeft vastgesteld op de wijze zoals in de overeenkomst was vermeld en dat [verweerster] genoegzaam heeft aangetoond dat zij bij het aangaan van de overeenkomst heeft gedwaald ten aanzien van (de hoogte van) de koopprijs. Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 4.7 de vraag gesteld of ook [eiser] c.s. ten aanzien van de hoogte van de koopprijs hebben gedwaald en heeft het hof deze vraag bevestigend beantwoord. Het stellen en beantwoorden van deze vraag geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 228 lid 1 aanhef en onder c BW.

1.5 Middel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.8 dat [eiser] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd waarom zij erop zouden mogen vertrouwen dat [verweerster] hen met genoemde bedragen zou hebben willen bevoordelen. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, aangezien het niet op de weg lag van [eiser] c.s. om dit te onderbouwen nu zij zich van een dergelijke bevoordeling niet bewust waren, noch daarop uit of daarop bedacht waren.

1.6 Het middel faalt reeds omdat het niet voldoet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv.

1.7 Middel 3 bevat twee klachten. De eerste richt zich tegen het in de eerste volzin van rechtsoverweging 4.6 opgenomen oordeel van het hof dat [eiser] c.s. niet gemotiveerd betwisten dat de notaris de door [verweerster] genoemde vergissing heeft begaan en evenmin de door [verweerster] genoemde waarden. Volgens de klacht is dit oordeel in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk en is "[eiser 1]" bij memorie van antwoord in het incidenteel appel uitvoerig op de door [verweerster] vermelde waarden ingegaan en heeft hij de stelling van [verweerster] dat zij heeft gedwaald over de koopprijs wel degelijk bestreden.

1.8 De klacht stuit allereerst af op het feit dat [eiser] c.s. niet hebben uiteengezet waarom en aan de hand van welke gedingstukken dit oordeel onbegrijpelijk zou zijn gemotiveerd.

De klacht faalt voorts op de gevolgtrekking die uit de toelichting op de klacht kan worden gemaakt, te weten dat ook volgens [eiser] c.s. beide partijen hebben gedwaald. [Eiser] c.s. stellen immers dat "[eiser 1]" moest en mocht aannemen dat de notaris zijn werk naar behoren heeft verricht zowel ten aanzien van de vergissing als de berekende waarden en dat voor "[verweerster]" hetzelfde geldt. [eiser] c.s. bevestigen daarmee het oordeel van het hof dat door [eiser] c.s. niet gemotiveerd is bestreden dat de notaris een vergissing heeft begaan bij de berekening van de koopprijs en de juistheid van de door [verweerster] genoemde waarden.

1.9 Volgens de tweede klacht is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden met zijn uiteenzetting in rechtsoverweging 4.5 over de becijfering van de koopsom. Ook deze klacht faalt nu deze rechtsoverweging geen oordeel van het hof bevat maar daarin de stellingen van [verweerster] zijn samengevat, die - zoals ook uit de toelichting onder middel 4 van de cassatiedagvaarding blijkt (p. 4) - zijn ontleend aan de inleidende dagvaarding.

1.10 Middel 4 is gericht tegen het oordeel van het hof in de tweede volzin van rechtsoverweging 4.6 dat onbetwist vaststaat dat de notaris de koopprijs van de woning niet heeft vastgesteld op de wijze zoals in de overeenkomst was vermeld. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is nu het hof een nieuwe berekeningswijze toepast, te weten "volgens de gebruikelijke formule", hetgeen niet in de koopovereenkomst staat vermeld. Het oordeel is volgens het middel daarnaast in strijd met het recht gewezen doordat het hof de wijze van vaststellen van de koopprijs zoals deze in de koopovereenkomst is verwoord, heeft miskend. Het middel verwijst voor een en ander naar de toelichting op middel 3.

1.11 Voor zover het middel voorbouwt op middel 3 faalt het op dezelfde gronden. Voor het overige faalt het middel omdat het feitelijke grondslag mist - het hof heeft nergens geoordeeld "volgens de gebruikelijke formule" - en het niet voldoet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv.

1.12 Middel 5 is gericht tegen het dictum voor zover het hof - opnieuw rechtdoende - de koopovereenkomst tussen partijen van 4 november 2005 heeft vernietigd wegens dwaling ten aanzien van de koopprijs en betoogt - zakelijk weergegeven - dat het hof iets anders heeft toegewezen dan [verweerster] heeft gevorderd.

1.13 Het middel faalt.

In de inleidende dagvaarding heeft [verweerster] primair gevorderd dat de rechtbank de koopovereenkomst tussen partijen vernietigt op grond van dwaling ten aanzien van de koopprijs. Zij heeft vervolgens in het door haar ingestelde incidentele appel gevorderd dat de afwijzing door de rechtbank van deze vordering wordt vernietigd. Het hof heeft het door [verweerster] aangevoerde feitelijk en in cassatie onvoldoende bestreden in rechtsoverweging 4.5 samengevat en in rechtsoverweging 4.6 onbestreden geoordeeld dat [verweerster] genoegzaam heeft aangetoond dat zij bij het aangaan van de overeenkomst heeft gedwaald ten aanzien van (de hoogte van) de koopprijs. Het dictum van het hof sluit daarop aan.

1.14 Het cassatieberoep kan m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de cassatiedagvaarding, p. 2.

2 De cassatiedagvaarding is op 25 juli 2008 uitgebracht. Bij herstelexploot van 1 augustus 2008 hebben [eiser] c.s. de aangezegde rechtsdag van 29 augustus 2008 gewijzigd in 5 september 2008. [Eiser] c.s. hebben geen procesdossier overgelegd.