Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI6714

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07/11110
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8904
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI6714
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 225 Sr. ’s Hofs oordeel dat het door verdachte gebruikte formulier waarmee een “verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd” wordt aangevraagd een geschrift is dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1032
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11110

Mr. Knigge

Zitting: 2 juni 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte 3]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage wegens "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" veroordeeld tot gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

2. Namens de verdachte hebben mrs. Pijnenburg en Hansen Löve, beiden advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Onderhavige zaak hangt samen met de zaak onder nummer 07/11052 en de zaak onder nummer 07/11428 waarin ik vandaag eveneens concludeer.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"2.

hij in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 24 februari 2004 te 's Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen formulieren (aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (model M35A)), - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot het bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders toen en daar telkens valselijk/in strijd met de waarheid op de formulieren ingevuld dat de aanvrager een verblijfadres/woonadres in de regio Haaglanden heeft ([a-straat 1] in [plaats A], [b-straat 1] in [plaats A], [c-straat 1] in [plaats A] of [d-straat 1] in [plaats B], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

en

hij in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 24 februari 2004 te 's Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse formulieren (aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (model M35A)) elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dat die geschriften (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij en/of zijn mededaders deze formulieren heeft/hebben ingediend bij de Vreemdelingendienst Haaglanden teneinde bij de Vreemdelingendienst Haaglanden een procedure te starten voor het verkrijgen van een vergunning tot verblijf in Nederland en bestaande die valsheid hierin dat op die formulieren onjuiste verblijf/woonadressen waren ingevuld van de aanvrager van die vergunning tot verblijf."

5. Het eerste middel bevat, als ik het goed begrijp, de klacht dat het Hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de opgegeven adressen 'vals' zijn in de zin van art. 225 Sr.

6. In de toelichting op het middel, merken de stellers van het middel op dat nu de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 alsmede het Voorschrift Vreemdelingen 2000 het begripsadres niet definiëren, ten behoeve van dit begrip aansluiting gezocht moet worden in de literatuur. Voorts halen de stellers van het middel twee citaten aan waarin als mening van de desbetreffende auteurs - kort gezegd- wordt weergeven dat bij gebreke van een vaste woonplaats een domicilieadres kan worden opgegeven. De stellers van het middel zijn van mening dat nu 'er aanwijzingen bestaan' dat de door de medewerkers van de Stichting [A] gehanteerde methoden met betrekking tot het gebruik maken van adressen middels domiciliekeuze steun vindt in de Vreemdelingenwet, er niet vanuit kan worden gegaan dat de door [A] opgegeven adressen vals zijn in de zin van art. 225 Sr.

7. Het Hof heeft ten aanzien van het begrip 'adres' als volgt overwogen.

De Vreemdelingenwet 2000, het daarop stoelende Vreemdelingenbesluit 2000, noch het Voorschrift Vreemdelingen 2000, houdt een definitie in van het woord 'adres'.

Naar algemeen spraakgebruik houdt 'adres' van een -persoon in: de woon- of verblijfplaats. Nu de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 geen aanwijzingen voor het tegendeel van deze algemene uitleg bevatten, gaat het hof uit van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling waar gevraagd wordt naar zijn 'adres'.

Een aanwijzing dat het in de vreemdelingenwet- en regelgeving gaat om de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling kan worden gevonden in de hiervoor reeds genoemde artikelen 4.39: Meldingsplicht illegale vreemdeling en 4.37: Kennisgeving vérhuizing/vertrek van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin voor de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft de verplichting is opgenomen zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waarin hij verblijft (vet: hof) is gelegen, respectievelijk voor de vreemdeling die een rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in art.8, onder a t/m h, van de Vreemdelingenwet 2000 de verplichting tot kennisgeving van - onder meer - verandering van woon- of verblijfplaats (vet: hof). Daarenboven houdt artikel 55 Vreemdelingenwet 2000, op aanwijzing van het bevoegde gezag, een beschikbaarheidsverplichting in voor degene die - voor zover hier van belang - een aanvraag heeft ingediend. Ingevolge bepaling A5/3.1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan in dat verband, voor de reguliere vreemdeling, de woon- of verblijfplaats (vet: hof) worden aangewezen. Voor zover het - ten tijde van de tenlastegelegde feiten geldende - artikel (aanvankelijk 19(20), doch gewijzigd in 3.10 (3.11) Voorschrift Vreemdelingen 2000 voorziet in een bevoegdheid van de korpschef van - voor zover van belang - de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft of wil kiezen (vet:hof), gaat "het hof daaraan voorbij nu het in de onderhavige zaak vast staat dat geen van de vreemdelingen waarvoor een aanvraag is ingediend, het op zijn aanvraagformulier, door de verdachte en/of zijn mededaders, opgegeven adres, een door de vreemdeling 'gekozen' adres betrof en evenmin door de verdachte en/of zijn mededaders is aangegeven dat het opgegeven adres een domicilie betrof. Dat bij de opgave van 'adres' moet worden gelezen, althans begrepen, 'domicilie' dan wel 'gekozen adres', zoals door de verdachte ter zitting is betoogd, vindt zonder meer geen steun in de vreemdelingen wet- en regelgeving. Daarenboven is deze door de verdachte gegeven invulling aan het 'adres' onaannemelijk nu doorgaans aan de vreemdeling wiens aanvraagformulier het betrof, niet werd gevraagd wat zijn woon - of verblijfplaats was. De verdachte en zijn mededaders gingen er -bij voorbaat- van uit dat de vreemdeling geen woon- of verblijfplaats had dan wel dat niet bekend wilde maken uit angst voor de Vreemdelingenpolitie bereikbaar te zijn. Op de aanvraag werd -zonder meer- een van de hieronder te noemen adressen in [plaats A] en [plaats B] op de aanvraag ingevuld. Daar hadden de verdachte en zijn mededaders ook belang bij, omdat veel van de vreemdelingen die zich bij de verdachte dan wel [A] meldden, niet uit [plaats A] kwamen, zodat de bevoegdheidsregels, neergelegd in de regeling ter zake van het rechtmatig verblijf van vreemdelingen, er aan in de weg zouden staan dat de aanvraag voor de beoogde verblijfsvergunning door de Vreemdelingendienst te Den Haag zou worden behandeld.

Op enig moment is op het -Model M35-A door de verdachte en/of zijn mededaders, na 'adres', -eigenmachtig het gegeven 'postadres' ingevoegd. Door of namens de vreemdeling wordt hierdoor, naar het oordeel van het hof, impliciet benadrukt dat 'adres' niet zijn of haar postadres is, maar zijn woon- of verblijfplaats. In de onderhavige zaak staat vast dat, in de periode van 1 oktober 2001 tot 22 januari 2004, op de - door de verdachte en zijn mededaders - ingediende M35-A formulieren, bij "Adres" één van de volgende adressen werd opgegeven in de daarachter opgegeven aantallen:

[a-straat 1], [plaats A] - 169 vreemdelingen

[b-straat 1], [plaats A] -1601 vreemdelingen

[e-straat 1], [plaats A] - 680 vreemdelingen

[c-straat 1], [plaats A] - 487 vreemdelingen

[d-straat 1], [plaats B] - 436 vreemdelingen.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat in alle van de hiervoor aangegeven gevallen de opgegeven 'adressen' vals zijn in die zin dat deze niet door de vreemdeling als woon- of verblijfplaats waren opgegeven en geen van de vreemdelingen op een van de adressen feitelijk zijn woon- of verblijfplaats had."

8. De stellers van het middel voeren twee meningen van schrijvers aan waarin wordt verkondigd dat bij afwezigheid van een woonadres er een domicilieadres ingevuld zou moeten kunnen worden. Los van de vraag of dat inderdaad zo is, doet dat in onderhavige zaak niet ter zake. Verdachte wordt niet verweten dat hij een postadres heeft ingevuld, terwijl hij een woonadres had moeten invullen. In dat geval zou (zeker als duidelijk was aangegeven dat het opgegeven adres een postadres was) het formulier onvolledig zijn ingevuld (omdat geen woonadres was vermeld), maar niet in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Verdachte en zijn medeverdachten wordt verweten dat zij telkens een adres hebben vermeld dat zij in strijd met de waarheid voor de woon- of verblijfplaats van de aanvrager hebben laten doorgaan. Het gaat hier dus niet zozeer om uitleg van de wet, maar om de uitleg van de formulieren zoals die daadwerkelijk door de verdachten zijn ingevuld. De uitleg die het Hof aan de ingevulde formulieren heeft gegeven kan daarbij slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Welnu, onbegrijpelijk is die uitleg allerminst, gelet op het feit dat, zoals het Hof vaststelt, op de meeste formulieren tevens - eigenmachtig - een postadres is vermeld. Met het andere (als vals aangemerkte) adres kan dan moeilijk het postadres zijn bedoeld.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof van een onjuiste uitleg van "geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen" uit art. 225 Sr is uitgegaan nu een adres op het M-35a formulier niet een zodanig essentieel onderdeel is van het aanvraagformulier dat het geschrift hiermee vervalst raakt.

11. Het Hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, als volgt overwogen.

"11.1 Bewijsbestemming

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was in gebruik het bij ministeriële regeling vastgestelde Model M35-A tot "Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd."

De daarin van de aanvrager verzochte persoonsgegevens houden in:

Achternaam

Voorna(a)m(en)

Geboortedatum

Geboorteplaats

Geboorteland

Nationaliteit

Paspoortnummer

Geslacht

Adres (hof:vet)

Postcode/Plaats.

Onder "een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen", in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, verstaat het hof een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Het Model M35-A kan door of namens een vreemdeling, in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, worden ingediend indien hij rechtmatig in Nederland wenst te verblijven.

Het is, naar het oordeel van het hof, een algemeen maatschappelijk belang dat een ieder die aanspraak wenst te maken op een - hier te lande en aan een wettelijke regeling te ontlenen - recht, bij de procedure tot realisering van dat recht, de daartoe gevraagde (persoons)gegevens naar waarheid verstrekt aan de overheidsinstantie die belast is met de behandeling van de aanvragen daarvoor, zijnde de Vreemdelingendienst voor wat betreft de aanvraag (artt. 14 - 19 Vreemdelingenwet 2000. Aan dit uitgangspunt staat niet zonder meer in de weg dat - zoals in onderhavig geval - een aanvraag, indien de verschuldigde leges ter zake van de afdoening daarvan zijn voldaan (art. 24, lid 2, Vreemdelingenwet 2000) in behandeling (onderstreping: hof) móet worden genomen ook al vermeldt die aanvraag een onjuiste opgave van een of meer van de vreemdeling gevraagde (persoons)gegevens, waaronder - zoals in casu - het opgegeven adres.

Het behoeft geen betoog dat de vreemdeling in vorenbedoelde zin - in ieder geval - ten tijde van zijn aanvraag hier te lande als in de periode die nodig is, voor de overheidsinstantie dan wel de bestuursrechter, om daarop te beslissen, anders dan door een - mogelijk: steeds wisselend - GSM-nummer, traceerbaar dient te zijn voor de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen (art. 47 Vreemdelingenwet 2000). Het ingevulde aanvraagformulier M35-A vervult daarbij in de samenleving - en het hof rekent daaronder de relatie tussen rechtmatig en niet rechtmatig in Nederland verblijvenden enerzijds en de overheid anderzijds - de rol van kenbron in de zin van 'betekenis voor het bewijs' van het feit, waar de vreemdeling zich in belangrijke mate van waarschijnlijkheid ophoudt.

Dat het van belang is te weten waar de vreemdeling zich precies ophoudt leidt het hof daarenboven af uit de 'Verplichtingen in het kader van het toezicht' neergelegd in artikel 4.39 Meldingsplicht illegale vreemdelingen artikel 4.37 Kennisgeving verhuizing/vertrek, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Mede gelet op de verruimde interpretatie die het bestanddeel "bewijsbestemming" in de jurisprudentie heeft gekregen komt het hof op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat een bewust onjuist opgegeven adres in het M35-A formulier, valsheid in geschrift in de zin van artikel 225, eerste lid. Wetboek van Strafrecht, kan opleveren indien aan alle overige voorwaarden voor strafbaarheid voor dit delict is/voldaan."

12. In HR 13 januari 2009, NJ 2009, 56 ging het onder meer om brieven die gericht waren aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie te Rijswijk. Met betrekking tot de bewijsbestemming van deze brieven overwoog de Hoge Raad:

"De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan weliswaar volgen dat de desbetreffende brieven in strijd met de waarheid zijn voorzien van de naam [...] en/of van een handtekening die moest doorgaan voor die van [...], maar zonder nadere motivering, welke ontbreekt, kan uit de enkele vaststellingen dat deze brieven afkomstig zijn van (een jurist verbonden aan) een belastingadvieskantoor, zijn voorzien van een bepaalde datum en zijn geadresseerd aan de vermelde overheidsinstanties, advocatenkantoren of bedrijven niet worden afgeleid dat deze brieven - ten aanzien waarvan omtrent de relevantie van de daarin vervatte valse gegevens voor de (rechts)positie van de daarbij betrokken personen niets is vastgesteld - kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat telkens sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr."

13. In casu gaat het niet om brieven waarvan de inhoud onduidelijk is. Uit de Vreemdelingenwet 2000 blijkt dat degene die een verblijfsvergunning wenst, daartoe een aanvraag doet. Deze aanvraag wordt blijkens art. 3.99 Vreemdelingenbesluit 2000 gedaan door het indienen van een formulier waarvan het model bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Op dit formulier worden de gegevens ingevuld zoals door het Hof weergegeven in de hoger opgenomen overweging. Daarnaast wordt op het formulier vermeld (1) het doel van het verblijf in Nederland; (2) dat de aanvrager verklaart er - kort gezegd- mee bekend te zijn dat de ingevulde persoonsgegevens worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben (3) of de aanvrage al dan niet geldt voor -kort gezegd- zijn of haar kinderen. Het formulier moet ondertekend worden door de aanvrager.(1)

14. Aldus bevat het ingevulde formulier gegevens die voor de rechtspositie van de aanvrager relevant zijn. Het lijdt daarom mijns inziens geen twijfel dat dit formulier een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. De bewijzende betekenis van het formulier in het maatschappelijk verkeer is mijns inziens in ieder geval dat de persoon wiens personalia zijn vermeld een aanvrage voor een verblijfsvergunning heeft gedaan. Niet beslissend is of het opgegeven adres een relevant gegeven is voor de beoordeling van de aanvraag en of het formulier mede bestemd is om de juistheid van dat adres te bewijzen, zoals de steller van het middel lijkt te menen. Ik merk daarbij op dat de onjuiste vermelding van een gegeven in een geschrift dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen, het valselijk opmaken van dat geschrift oplevert, ook als dat gegeven niet relevant is en het geschrift niet dient om de juistheid van dat gegeven te bewijzen.(2)

15. Ik wil niet verhelen dat op dit punt enige twijfel op zijn plaats is. In de hiervoor onder punt 12 weergegeven overweging spreekt de Hoge Raad namelijk van de relevantie van de vermelde valse gegevens. Vooralsnog zou ik daaraan evenwel niet de gevolgtrekking willen verbinden dat de vraag of een bepaald geschrift bestemd is tot het bewijs van enig feit te dienen afhankelijk is van de vraag of dat geschrift onjuiste gegevens bevat en zo ja, welke gegevens dat zijn.

16. Overigens merk ik ten overvloede nog op dat uit de hiervoor onder punt 7 weergegeven overweging van het Hof (in het arrest van het Hof opgenomen onder het kopje 'adres') blijkt dat het adres van de vreemdeling van belang is voor de bevoegdheid van de desbetreffende vreemdelingendienst. Irrelevant voor de behandeling van de aanvraag is het vermelde adres dus niet. Het "bewijst" in beginsel de bevoegdheid van de dienst.

17. Het derde middel bevat de klacht dat het opzet c.q. oogmerk niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

18. Ten aanzien van -kort gezegd- 'het oogmerk' heeft het Hof als volgt overwogen.

"12.3 Oogmerk

Het oogmerk om de van een vals woonadres voorziene aanvragen als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken leidt het hof reeds af uit het gegeven dat de aanvragen in persoon dan wel per inzending, werden ingeleverd bij de Vreemdelingendienst ter verdere behandeling. Wat er ook zij van het betoog van de verdediging dat de medewerkers, dan wel de leidinggevende van de balie 'Unit Toelating, team nieuwkomers' van de Vreemdelingendienst wetenschap zou(den) hebben van de valse adressen, ten tijde van de ten laste gelegd feiten werden de gegevens met betrekking tot de aanvragen verwerkt in het geautomatiseerde Vreemdelingen Administratie Systeem (hierna: VAS) dat in het bijzonder wordt aangehouden met het oog op de toekenning van verblijfstitels. Het VAS strekte er kennelijk toe degenen die toegang tot dit geautomatiseerde systeem hadden, inzicht te geven in de gegevens omtrent vreemdelingen, welke gegevens de gebruikers van het systeem nodig konden hebben met het oog op de taken die zij ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving hadden te vervullen.

Daaruit vloeit voort dat degenen die het systeem ten behoeve van hun taken raadpleegden, indien zij de persoonsgegevens, van een vreemdeling in het systeem treffen, deze bij hun handelen dan wel beslissen konden betrekken.

Ook andere medewerkers binnen de Vreemdelingendienst dan de directe baliemedewerk(st)ers van de 'Unit Toelating, team nieuwkomers' konden het VAS systeem raadplegen en daarmee de daarin ingevoerde, door de verdachte en zijn mededaders opgegeven, valse adressen, waardoor die medewerkers konden worden misleid.

Uit de verklaring van [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007 leidt het hof af dat de IND inzage had in het VAS-systeem doch daarin geen wijzigingen kon aanbrengen."

19. In de toelichting op het middel merken de stellers van het middel -kort gezegd- op dat de Vreemdelingendienst op de hoogte was van het gebruik van de gekozen adressen, dit zou aan de vaststelling van de aanwezigheid van het oogmerk door het Hof in de weg staan.

20. De in art. 225 lid 1 Sr strafbaar gestelde handeling impliceert opzet op de valsheid. Het daarnaast vereiste oogmerk ziet op het gebruik van het stuk, niet op de valsheid ervan.(3) Voor bewezenverklaring van dat oogmerk is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift als echt te gebruiken of te doen gebruiken. Het in art. 225 lid 2 Sr vereiste opzet vereist opzet op de valsheid en op het gebruik daarvan als echt en onvervalst. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de M35-A formulieren naar hun inhoud vals waren en door de verdachte, die wist dat de op de formulieren vermelde adressen niet overeenstemden met de daadwerkelijke adressen van de indieners van de aanvraag, zijn gebruikt met de bedoeling dat de Vreemdelingendienst de aanvragen in behandeling nam. Dat zoals aangevoerd door de verdediging de ambtenaren van de balie op de hoogte waren van de bedoelde wijze van invullen, kan aan de bewezenverklaring van het oogmerk niet in de weg staan.(4)

21. Het middel faalt.

22. Alle middelen falen. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

23. Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van cassatie in onderhavige zaak thans reeds 24 maanden zijn verstreken. Dat maakt dat de redelijke termijn overschreden. Een en ander moet leiden tot strafvermindering.

24. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Gezien het bovenstaande strekt deze conclusie tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voor zover het de daarbij opgelegde straf betreft, tot zodanige vermindering van die straf als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie art. 3.26 en bijlage 13 Voorschrift Vreemdelingen 2000.

2 Zie HR 14 december 1999, NJ 2000, 150 dat betrekking had op een aanvraag voor subsidiëring van een wetenschappelijk project. Vergelijk Hof Den Bosch 6 december 2007, NJ 2008, 183, waarin het antedateren van een ontslagverklaring in de zin van art. 45 lid 6/ 47 lid 2 Wet BOPZ als het valselijk opmaken daarvan werd aangemerkt.

3 NLR, aant. 5 bij art. 225.

4 Zie o.m. HR 16 september 2008, RvdW 2008, 869.