Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI6711

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07/11052
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8846
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI6711
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 225 Sr. ’s Hofs oordeel dat het door verdachte gebruikte formulier waarmee een “verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd” wordt aangevraagd een geschrift is dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1033
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11052

Mr. Knigge

Zitting: 2 juni 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte 1]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage wegens "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met art. 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd, medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, opzettelijke een in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen bedoelde verplichting niet, niet juist of niet volledig nakomen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd, overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen begaan door een rechtspersoon, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, viermaal gepleegd, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij tot de verboden gedraging opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd, handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie, met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie " veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, een geldboete van € 15.000,- en vier maal een geldboete van € 300,-.

2. Namens de verdachte heeft mr. Van der Wal, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Onderhavige zaak hangt samen met de zaak onder nummer 07/11110 en de zaak onder nummer 07/11428 waarin ik vandaag eveneens concludeer.

4. Het eerste middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het namens de verdachte gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is vanwege het niet handelend optreden van de Vreemdelingendienst.

5. Het gevoerde verweer had betrekking op de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6. Daarvan is alleen feit 2 bewezenverklaard. Het cassatiemiddel beperkt zich evenwel niet tot dat feit. Of de verdachte belang heeft bij de klacht voor zover die betrekking heeft op de feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken, laat ik rusten.

6. Het Hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het volgende overwogen.

5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

5.1 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van de onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4, 5, en 6 tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat een overheidsdienst, de Vreemdelingendienst Den Haag, niet heeft ingegrepen toen deze wist dat er onjuiste adressen door [A] werden gebruikt. Hij merkt daarbij op dat de medewerkers van de Vreemdelingendienst Den Haag naar zijn oordeel gehouden waren de verdachten die aldaar,aan de balie kwamen aan te houden teneinde hen duidelijk te maken dat hun handelen strafwaardig was. Het kan niet zo zijn dat nu er geen bestuursrechtelijke mogelijkheden waren het handelen van de verdachten aan te pakken, het strafrecht in stelling wordt gebracht, aldus de raadsman.

5.2 De balie-afdeling "Unit Toelating, team nieuwkomers" van de Vreemdelingendienst Den Haag (verder: de Vreemdelingendienst) heeft gaandeweg het jaar 2002 afspraken gemaakt met de Stichting. [A] (verder: [A]), waarvan de verdachte coördinator was. Uit de verklaringen van medewerkers van de Vreemdelingendienst (verklaring [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris d.d. 2 februari 2005, verklaring [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris d.d. 15 december 2004 en ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007) blijkt dat deze afspraken zijn gemaakt om de situatie bij de Vreemdelingendienst hanteerbaar te houden, nu het aantal aanvragen voor een vergunning voor bepaalde tijd tot verblijf regulier" (hierna: de aanvraag of aanvragen) dat door [A] werd aangebracht vanaf 2001 explosief steeg en aanvragen door vreemdelingen buiten [A] om bij de Vreemdelingendienst niet meer aan bod kwamen (verklaring [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris d.d. 9 november 2004). De afspraken gingen met name over de beperking van het aantal vreemdelingen dat per dag een sticker kwam halen, een zaterdagopenstelling om de achterstand weg te werken, alsmede afspraken over de wijze waarop de aanvragen dienden te worden ingediend (schriftelijk in plaats van persoonlijk) en vonden nadrukkelijk plaats in het kader van, en door ambtenaren die zijn -belast met, de behandeling van aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet alsmede van het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de vreemdelingen. Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 3] (map alg. dossier O/AH/24, p. 001 e.v.) blijkt dat, voorafgaande aan de tenlastegelegde periode, medeverdachte [verdachte 2] in 2001 te verstaan is gegeven dat het wettelijk verplicht is op de aanvragen van zijn cliënten een woonadres op te geven en dat geen genoegen kon worden genomen met het adres van [A] [e-straat] als postadres. De verdachte (map Verdachten [verdachte 1] I, Vl/V/13, blz. 1 e.v.), de coördinator van de Stichting [A], wist dat de Vreemdelingendienst zich op het standpunt stelde dat de vreemdelingen wier aanvraag door [A] werden aangebracht feitelijk niet allemaal op de [e-straat] in [plaats A] konden wonen. Hij verklaart dat medeverdachte [verdachte 3], toen nog medewerker bij de Vreemdelingendienst, bij een gesprek tussen hem en een medewerker van de Vreemdelingendienst daaromtrent aanwezig is geweest.

5.3 Uit de verklaring van [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007, alsmede uit de door de verdachten afgelegde verklaringen, blijkt dat nadien gebruik is gemaakt van vaste adressen als 'adres' voor alle vreemdelingen die door tussenkomst van [A] een aanvraag indienden. Hiervan is de Vreemdelingendienst in de loop van het jaar 2002, althans na verloop van tijd, op de hoogte gekomen. De getuige [betrokkene 1] heeft in verband daarmee informatie ingewonnen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder: IND) of de Vreemdelingendienst aanvragen waarbij geen woonadres bekend was, buiten behandeling kon laten danwel afwijzen. De IND stelde zich op het standpunt dat ook zulke aanvragen in behandeling móesten worden genomen. De Vreemdelingendienst zag en had derhalve geen andere mogelijkheid dan de aanvragen met de opgegeven adressen in behandeling te nemen en daarop te beslissen. De verdachten zijn door de Vreemdelingendienst niet meer aangesproken op het gebruik van de adressen. In april 2003 zijn de eerste aangiften van oplichting en valsheid in geschrifte binnengekomen in de onderhavige zaak waarop er - formeel in september 2003 - een politieonderzoek is gestart. [betrokkene 2] is als adviseur aan het opsporingsteam toegevoegd en heeft gelijktijdig zijn werk als mentor bij de Unit toelating bij de Vreemdelingendienst beëindigd (verklaring [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007), zodat van de door de raadsman van de medeverdachte [verdachte 3] gestelde "dubbelrol" geen sprake is geweest.

5.4 Door de raadsman is betoogd dat de Vreemdelingendienst door de situatie te laten voortbestaan, dan wel voeding te geven aan de bestaande werkwijze door afspraken omtrent de afhandeling van dé aanvragen met [A] te maken, aan de verdachten de indruk heeft gegeven dat het handelen van de verdachten toelaatbaar was, dan wel dat, nu de verdachten door de Vreemdelingendienst niet zijn aangesproken op de aanhoudende opgave van onjuiste adressen, zij erop mochten vertrouwen dat hun handelen niet tot strafrechtelijke vervolging zou leiden. Dat er op enig moment bij de Vreemdelingendienst een vermoeden is ontstaan en vervolgens duidelijk is geworden dat - wederom - in strijd met de waarheid adressen van vreemdelingen werden opgegeven in de door tussenkomst van [A] ingediende aanvragen, waarna van de zijde van de Vreemdelingendienst niet is ingegrepen of opgetreden, maakt dat niet optreden niet tot gedogen in strafrechtelijke zin van die onjuiste opgaven indien in de bestuursrechtelijke afhandeling van zaken geen effectieve mogelijkheid bestaat om enig (rechts)gevolg te verbinden aan de situatie van aanhoudende onjuiste opgave van adressen. De gronden om een aanvraag in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen, zijn - naar het oordeel van het hof limitatief - in de artikelen 14, tweede lid, jo 16 jo 18 jo 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 neergelegd. Dit is ook het geval met de in artikel 19 van voormelde wet aangegeven gronden voor intrekking van een reeds verstrekte verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Nu de Vreemdelingendienst niet is te vereenzelvigen met het openbaar ministerie, mochten de verdachten er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat het openbaar ministerie niet tot vervolging zou overgaan indien een strafrechtelijk onderzoek naar de - door vreemdelingen gedane - aangiften daar aanleiding toe zou geven. Handelen of nalaten door een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan kan - in het algemeen - niet het vertrouwen rechtvaardigen dat het openbaar ministerie verstoken is van het recht tot strafvervolging (vgl. HR NJ 1986,1391 en, HR NJ 1990, 120). Feiten of omstandigheden die te dezen tot een ander oordeel dwingen, ontbreken. Het enkele feit dat de Vreemdelingendienst op de hoogte was van de onjuiste adressen oordeelt het hof daartoe onvoldoende. Het voorgaande klemt te meer daar medeverdachte [verdachte 2], advocaat en - naar eigen zeggen - ook raadsman in strafrechtelijke zaken, voor zich zelf en als - naar eigen zeggen - 'adviseur' van [A], nauw was betrokken bij de uitvoeringspraktijk van de aanvragen terwijl hij tevens moet worden geacht kennis te hebben gehad van het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie, neergelegd in artikel 167 Wetboek van Strafvordering. Op grond van het hiervoor overwogene is er derhalve geen sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde, waarbij het openbaar ministerie of de Vreemdelingen dienst doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling in zijn zaak is tekortgedaan.

5.5 : Voor zover is betoogd dat de medewerkers van de Vreemdelingendienst gehouden waren de verdachten aan te houden op heterdaad teneinde duidelijk te maken dat het handelen van de verdachten strafwaardig was, wordt opgemerkt dat het enkele gegeven dat de ambtenaren die zijn belast met het behandelen van aanvragen ingevolge de Vreemdelingenwet en met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen, ambtenaar van politie zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993 (art. 47, eerste lid , aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000), tevens zijn belast met de opsporing van strafbare feiten (art. 141 onder b Wetboek van Strafvordering), in het algemeen niet mee brengt dat zij - in de uitoefening van de aan hen opgedragen uitvoerende en toezichthoudende taken zoals aangegeven - verplicht zijn gebruik te maken van de hen tevens toekomende strafvorderlijke bevoegdheden. Het beroep op niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie ter zake van de onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten faalt derhalve. Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie meebrengen, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte."

7. In de toelichting op het middel wordt het verweer nog eens herhaald met een beroep op feiten die door het Hof niet zijn vastgesteld. In zoverre is van een middel van cassatie geen sprake. Ik heb twee klachten kunnen ontwaren die zich richten tegen de begrijpelijkheid van 's Hofs motivering. De eerste is dat onbegrijpelijk is dat het Hof het Openbaar Ministerie niet gebonden acht aan het (niet) optreden van de Vreemdelingendienst nu die Vreemdelingendienst een derde is "met wie het openbaar ministerie gelieerd is". Gelet op het beroep dat daarbij wordt gedaan op HR 19 september 1988, NJ 1988, 379 neem ik aan dat de steller van het middel daarmee doelt op het beroep dat is gedaan op het feit dat de ambtenaren van de Vreemdelingendienst opsporingsbevoegd waren (zodat het Openbaar Ministerie in zoverre wel verantwoordelijk is voor hun doen en laten). Het genoemde arrest had betrekking op een door een opsporingsambtenaar gedane toezegging die betrekking had op een reeds gepleegd feit. Van een dergelijke toezegging is in casu geen sprake. Het enkele feit dat opsporingsambtenaren niet (direct) tegen gepleegde wetsovertredingen optreden, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie deze en toekomstige wetsovertredingen niet zal vervolgen. Dat is in de regel alleen anders als het gedogen is gebaseerd op (in richtlijnen gepubliceerd) vervolgings- en sepotbeleid.

8. De tweede klacht is dat onbegrijpelijk zou zijn dat het Hof betekenis heeft toegekend aan het feit dat adviseur en medeverdachte [verdachte 2] advocaat in strafzaken is. Nog daargelaten dat het hier om een overweging gaat waarop de verwerping niet direct steunt, is zij meen ik geenszins onbegrijpelijk. Het Hof is er kennelijk van uitgegaan dat genoemde [verdachte 2] verstand van zaken had en dat hij [A] naar eer en geweten, op basis van een zorgvuldige bestudering van het geldende recht, heeft voorgelicht. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie zal moeten worden geëerbiedigd. Ik merk nog op dat, als het anders zou zijn en [verdachte 2] als adviseur zou zijn tekortgeschoten, diens nauwe betrokkenheid bij het plegen van de feiten meebrengt dat de verdachte aan diens adviezen geen gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede, derde en vierde middel hebben betrekking op de bewezenverklaring van feit 2 dat ziet op twee verschillende varianten van art. 225 Sr. Onder 2 is ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"2.

Zij in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 25 januari 2004 te 's Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen formulieren (aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (model M35A)), - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot het bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of haar mededaders toen en daar telkens valselijk/in strijd met de waarheid op de formulieren ingevuld dat de aanvrager een verblijfadres/woonadres in de regio Haaglanden heeft ([a-straat 1] in [plaats A], [b-straat 1] in [plaats A], [c-straat 1] in [plaats A] of [d-straat 1] in [plaats B], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

en

Zij in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 25 januari 2004 te 's Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse formulieren (aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (model M35A)) elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dat die geschriften (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij en/of haar mededaders deze formulieren heeft/hebben ingediend bij de Vreemdelingendienst Haaglanden teneinde bij de Vreemdelingendienst Haaglanden een procedure te starten voor het verkrijgen van een vergunning tot verblijf in Nederland en bestaande die valsheid hierin dat op die formulieren onjuiste verblijf/woonadressen waren ingevuld van de aanvrager van die vergunning tot verblijf."

11. Art. 225 Sr luidt, voor zover hier van belang:

"1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik."

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat het formulier M35-A een geschrift is dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

13. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen.

"11.1 Bewijsbestemming

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was in gebruik het bij ministeriële regeling vastgestelde Model M35-A tot "Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd."

De daarin van de aanvrager verzochte persoonsgegevens houden in:

Achternaam

Voorna(a)m(en)

Geboortedatum

Geboorteplaats

Geboorteland

Nationaliteit

Paspoortnummer

Geslacht

Adres (hof:vet)

Postcode/Plaats.

Onder "een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen", in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, verstaat het hof een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Het Model M35-A kan door of namens een vreemdeling, in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, worden ingediend indien hij rechtmatig in Nederland wenst te verblijven.

Het is, naar het oordeel van het hof, een algemeen maatschappelijk belang dat een ieder die aanspraak wenst te maken op een - hier te lande en aan een wettelijke regeling te ontlenen - recht, bij de procedure tot realisering van dat recht, de daartoe gevraagde (persoons)gegevens naar waarheid verstrekt aan de overheidsinstantie die belast is met de behandeling van de aanvragen daarvoor, zijnde de Vreemdelingendienst voor wat betreft de aanvraag (artt. 14 - 19 Vreemdelingenwet 2000. Aan dit uitgangspunt staat niet zonder meer in de weg dat - zoals in onderhavig geval - een aanvraag, indien de verschuldigde leges ter zake van de afdoening daarvan zijn voldaan (art. 24, lid 2, Vreemdelingenwet 2000) in behandeling (onderstreping: hof) móet worden genomen ook al vermeldt die aanvraag een onjuiste opgave van een of meer van de vreemdeling gevraagde (persoons)gegevens, waaronder - zoals in casu - het opgegeven adres. Het behoeft geen betoog dat de vreemdeling in vorenbedoelde zin - in ieder geval - ten tijde van zijn aanvraag hier te lande als in de periode die nodig is, voor de overheidsinstantie dan wel de bestuursrechter, om daarop te beslissen, anders dan door een - mogelijk: steeds wisselend - GSM-nummer, traceerbaar dient te zijn voor de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen (art. 47 Vreemdelingenwet 2000). Het ingevulde aanvraagformulier M35-A vervult daarbij in de samenleving - en het hof rekent daaronder de relatie tussen rechtmatig en niet rechtmatig in Nederland verblijvenden enerzijds en de overheid anderzijds - de rol van kenbron in de zin van 'betekenis voor het bewijs' van het feit, waar de vreemdeling zich in belangrijke mate van waarschijnlijkheid ophoudt. Dat het van belang is te weten waar de vreemdeling zich precies ophoudt leidt het hof daarenboven af uit de 'Verplichtingen in het kader van het toezicht' neergelegd in artikel 4.39 Meldingsplicht illegale vreemdelingen artikel 4.37 Kennisgeving verhuizing/vertrek, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Mede gelet op de verruimde interpretatie die het bestanddeel "bewijsbestemming" in de jurisprudentie heeft gekregen komt het hof op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat een bewust onjuist opgegeven adres in het M35-A formulier, valsheid in geschrift in de zin van artikel 225, eerste lid. Wetboek van Strafrecht, kan opleveren indien aan alle overige voorwaarden voor strafbaarheid voor dit delict is/voldaan."

14. In HR 13 januari 2009, NJ 2009, 56 ging het onder meer om brieven die gericht waren aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie te Rijswijk. Met betrekking tot de bewijsbestemming van deze brieven overwoog de Hoge Raad:

"De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan weliswaar volgen dat de desbetreffende brieven in strijd met de waarheid zijn voorzien van de naam [...] en/of van een handtekening die moest doorgaan voor die van [...], maar zonder nadere motivering, welke ontbreekt, kan uit de enkele vaststellingen dat deze brieven afkomstig zijn van (een jurist verbonden aan) een belastingadvieskantoor, zijn voorzien van een bepaalde datum en zijn geadresseerd aan de vermelde overheidsinstanties, advocatenkantoren of bedrijven niet worden afgeleid dat deze brieven - ten aanzien waarvan omtrent de relevantie van de daarin vervatte valse gegevens voor de (rechts)positie van de daarbij betrokken personen niets is vastgesteld - kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat telkens sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr."

15. In casu gaat het niet om brieven waarvan de inhoud onduidelijk is. Uit de Vreemdelingenwet 2000 blijkt dat degene die een verblijfsvergunning wenst, daartoe een aanvraag doet. Deze aanvraag wordt blijkens art. 3.99 Vreemdelingenbesluit 2000 gedaan door het indienen van een formulier waarvan het model bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Op dit formulier worden de gegevens ingevuld zoals door het Hof weergegeven in de hoger opgenomen overweging. Daarnaast wordt op het formulier vermeld (1) het doel van het verblijf in Nederland; (2) dat de aanvrager verklaart er - kort gezegd- mee bekend te zijn dat de ingevulde persoonsgegevens worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben (3) of de aanvrage al dan niet geldt voor -kort gezegd- zijn of haar kinderen. Het formulier moet ondertekend worden door de aanvrager.(1)

16. Aldus bevat het ingevulde formulier gegevens die voor de rechtspositie van de aanvrager relevant zijn. Het lijdt daarom mijns inziens geen twijfel dat dit formulier een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. De bewijzende betekenis van het formulier in het maatschappelijk verkeer is immers in ieder geval dat de persoon wiens personalia zijn vermeld een aanvrage voor een verblijfsvergunning heeft gedaan. Niet beslissend is dus of het opgegeven adres een relevant gegeven is voor de beoordeling van de aanvraag en of het formulier mede bestemd is om de juistheid van dat adres te bewijzen. Ik merk daarbij op dat de onjuiste vermelding van een gegeven in een geschrift dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen, het valselijk opmaken van dat geschrift oplevert, ook als dat gegeven niet relevant is en het geschrift niet dient om de juistheid van dat gegeven te bewijzen.(2)

17. Ik wil niet verhelen dat op dit punt enige twijfel op zijn plaats is. In de hiervoor onder punt 14 weergegeven overweging spreekt de Hoge Raad namelijk van de relevantie van de vermelde valse gegevens. Vooralsnog zou ik daaraan evenwel niet de gevolgtrekking willen verbinden dat de vraag of een bepaald geschrift bestemd is tot het bewijs van enig feit te dienen afhankelijk is van de vraag of dat geschrift onjuiste gegevens bevat en zo ja, welke gegevens dat zijn.

18. Ik merk ten overvloede nog op dat uit de hierna, onder punt 24 weergegeven overweging van het Hof (opgenomen onder het kopje 'adres') blijkt dat het adres van de vreemdeling van belang is voor de bevoegdheid van de desbetreffende vreemdelingendienst. Irrelevant voor de behandeling van de aanvraag is het vermelde adres dus niet. Het "bewijst" in beginsel de bevoegdheid van de dienst.

19. Het middel faalt.

20. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten aanzien van het 'oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken' zoals gebezigd in art. 225 lid 1 Sr en 'opzettelijk gebruik' zoals opgenomen in art. 225 lid 2 Sr is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

21. Ten aanzien van -kort gezegd- 'het oogmerk' heeft het Hof als volgt overwogen.

"11.3 Oogmerk

Het oogmerk om de van een vals woonadres voorziene aanvragen als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken leidt het hof reeds af uit het gegeven dat de aanvragen in persoon dan wel per inzending, werden ingeleverd bij de Vreemdelingendienst ter verdere behandeling. Wat er ook zij van het betoog van de verdediging dat de medewerkers, dan wel de leidinggevende van de balie 'Unit Toelating, team nieuwkomers' van de Vreemdelingendienst wetenschap zou(den) hebben van de valse adressen, ten tijde van de ten laste gelegd feiten werden de gegevens met betrekking tot de aanvragen verwerkt in het geautomatiseerde Vreemdelingen Administratie Systeem (hierna: VAS) dat in het bijzonder wordt aangehouden met het oog op de toekenning van verblijfstitels. Het VAS strekte er kennelijk toe degenen die toegang tot dit geautomatiseerde systeem hadden, inzicht te geven in de gegevens omtrent vreemdelingen, welke gegevens de gebruikers van het systeem nodig konden hebben met het oog op de taken die zij ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving hadden te vervullen.

Daaruit vloeit voort dat degenen die het systeem ten behoeve van hun taken raadpleegden, indien zij de persoonsgegevens, van een vreemdeling in het systeem treffen, deze bij hun handelen dan wel beslissen konden betrekken.

Ook andere medewerkers binnen de Vreemdelingendienst dan de directe baliemedewerk(st)ers van de 'Unit Toelating, team nieuwkomers' konden het VAS systeem raadplegen en daarmee de daarin ingevoerde, door de verdachte en zijn mededaders opgegeven, valse adressen, waardoor die medewerkers konden worden misleid.

Uit de verklaring van [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007 leidt het hof af dat de IND inzage had in het VAS-systeem doch daarin geen wijzigingen kon aanbrengen."

22. In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot -kort gezegd- 'het oogmerk' opgemerkt dat hieronder wordt verstaan 'het misleiden van degene voor wie het stuk bestemd is' en dat hiervan alleen sprake kan zijn als degene jegens wie het stuk wordt gebruikt, van de valsheid niet op de hoogte is. Nu het stuk jegens de Vreemdelingendienst is gebruikt, waar de baliemedewerkers van de valsheid op de hoogte waren, kan er, volgens de steller van het middel, van dit oogmerk geen sprake zijn.

23. De in art. 225 lid 1 Sr strafbaar gestelde handeling impliceert opzet op de valsheid. Het daarnaast vereiste oogmerk ziet op het gebruik van het stuk, niet op de valsheid ervan.(3) Voor bewezenverklaring van dat oogmerk is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift als echt te gebruiken of te doen gebruiken. Het in art. 225 lid 2 Sr vereiste opzet vereist opzet op de valsheid en op het gebruik daarvan als echt en onvervalst. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de M35-A formulieren naar hun inhoud vals waren en door de verdachte, die wist dat de op de formulieren vermelde adressen niet overeenstemden met de daadwerkelijke adressen van de indieners van de aanvraag, zijn gebruikt met de bedoeling dat de Vreemdelingendienst de aanvragen in behandeling nam. Dat zoals aangevoerd door de verdediging de ambtenaren van de balie op de hoogte waren van de bedoelde wijze van invullen, kan aan de bewezenverklaring van het oogmerk niet in de weg staan.(4)

24. Ik merk nog op dat de steller van het middel in de toelichting opmerkt dat niet aannemelijk is dat de adresgegevens van belang waren voor het handelen van de Vreemdelingendienst. Los van de vraag of dit voor het vaststellen van het oogmerk noodzakelijk is, merk ik op dat het Hof onder het kopje 'adres' onder andere als volgt heeft opgemerkt:

"Op de aanvraag werd -zonder meer- een van de hieronder te noemen adressen in [plaats A] en [plaats B] op de aanvraag ingevuld. Daar hadden de verdachte en zijn mededaders ook belang bij, omdat veel van de vreemdelingen die zich bij de verdachte dan wel [A] meldden, niet uit [plaats A] kwamen, zodat de bevoegdheidsregels, neergelegd in de regeling ter zake van het rechtmatig verblijf van vreemdelingen, er aan in de weg zouden staan dat de aanvraag voor de beoogde verblijfsvergunning door de Vreemdelingendienst te Den Haag zou worden behandeld."

25. De steller van het middel licht verder niet apart toe waarom het Hof van een onjuiste rechtopvatting zou zijn uitgegaan bij de vaststelling van het 'opzettelijk gebruik'. Ik meen hieraan verder dan ook voorbij te mogen gaan.(5)

26. Het middel faalt.

27. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof het begrip "adres" zoals gebruikt op het Model M35-A op onjuiste wijze heeft uitgelegd.

28. Het Hof heeft betreffende het begrip 'adres' het volgende overwogen.

"11.2 Adres

De Vreemdelingenwet 2000, het daarop stoelende Vreemdelingenbesluit 2000, noch het Voorschrift Vreemdelingen 2000, houdt een definitie in van het woord 'adres'.

Naar algemeen spraakgebruik houdt 'adres' van een -persoon in: de woon- of verblijfplaats. Nu de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 geen aanwijzingen voor het tegendeel van deze algemene uitleg bevatten, gaat het hof uit van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling waar gevraagd wordt naar zijn 'adres'.

Een aanwijzing dat het in de vreemdelingenwet- en regelgeving gaat om de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling kan worden gevonden in de hiervoor reeds genoemde artikelen 4.39: Meldingsplicht illegale vreemdeling en 4.37: Kennisgeving vérhuizing/vertrek van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin voor de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft de verplichting is opgenomen zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waarin hij verblijft (vet: hof) is gelegen, respectievelijk voor de vreemdeling die een rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in art.8, onder a t/m h, van de Vreemdelingenwet 2000 de verplichting tot kennisgeving van - onder meer - verandering van woon- of verblijfplaats (vet: hof). Daarenboven houdt artikel 55 Vreemdelingenwet 2000, op aanwijzing van het bevoegde gezag, een beschikbaarheidsverplichting in voor degene die - voor zover hier van belang - een aanvraag heeft ingediend. Ingevolge bepaling A5/3.1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan in dat verband, voor de reguliere vreemdeling, de woon- of verblijfplaats (vet: hof) worden aangewezen. Voor zover het - ten tijde van de tenlastegelegde feiten geldende - artikel (aanvankelijk 19(20), doch gewijzigd in 3.10 (3.11) Voorschrift Vreemdelingen 2000 voorziet in een bevoegdheid van de korpschef van - voor zover van belang - de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft of wil kiezen (vet:hof), gaat "het hof daaraan voorbij nu het in de onderhavige zaak vast staat dat geen van de vreemdelingen waarvoor een aanvraag is ingediend, het op zijn aanvraagformulier, door de verdachte en/of zijn mededaders, opgegeven adres, een door de vreemdeling 'gekozen' adres betrof en evenmin door de verdachte en/of zijn mededaders is aangegeven dat het opgegeven adres een domicilie betrof. Dat bij de opgave van 'adres' moet worden gelezen, althans begrepen, 'domicilie' dan wel 'gekozen adres', zoals door de verdachte ter zitting is betoogd, vindt zonder meer geen steun in de vreemdelingen wet- en regelgeving. Daarenboven is deze door de verdachte gegeven invulling aan het 'adres' onaannemelijk nu doorgaans aan de vreemdeling wiens aanvraagformulier het betrof, niet werd gevraagd wat zijn woon - of verblijfplaats was. De verdachte en zijn mededaders gingen er -bij voorbaat- van uit dat de vreemdeling geen woon- of verblijfplaats had dan wel dat niet bekend wilde maken uit angst voor de Vreemdelingenpolitie bereikbaar te zijn. Op de aanvraag werd -zonder meer- een van de hieronder te noemen adressen in [plaats A] en [plaats B] op de aanvraag ingevuld. Daar hadden de verdachte en zijn mededaders ook belang bij, omdat veel van de vreemdelingen die zich bij de verdachte dan wel [A] meldden, niet uit [plaats A] kwamen, zodat de bevoegdheidsregels, neergelegd in de regeling ter zake van het rechtmatig verblijf van vreemdelingen, er aan in de weg zouden staan dat de aanvraag voor de beoogde verblijfsvergunning door de Vreemdelingendienst te Den Haag zou worden behandeld.

Op enig moment is op het -Model M35-A door de verdachte en/of zijn mededaders, na 'adres', -eigenmachtig het gegeven 'postadres' ingevoegd. Door of namens de vreemdeling wordt hierdoor, naar het oordeel van het hof, impliciet benadrukt dat 'adres' niet zijn of haar postadres is, maar zijn woon- of verblijfplaats. In de onderhavige zaak staat vast dat, in de periode van 1 oktober 2001 tot 22 januari 2004, op de - door de verdachte en zijn mededaders - ingediende M35-A formulieren, bij "Adres" één van de volgende adressen werd opgegeven in de daarachter opgegeven aantallen:

[a-straat 1], [plaats A] - 169 vreemdelingen

[b-straat 1], [plaats A] -1601 vreemdelingen

[e-straat 1], [plaats A] - 680 vreemdelingen

[c-straat 1], [plaats A] - 487 vreemdelingen

[d-straat 1], [plaats B] - 436 vreemdelingen.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat in alle van de hiervoor aangegeven gevallen de opgegeven 'adressen' vals zijn in die zin dat deze niet door de vreemdeling als woon- of verblijfplaats waren opgegeven en geen van de vreemdelingen op een van de adressen feitelijk zijn woon- of verblijfplaats had."

29. In de toelichting op het middel merkt de steller van het middel op dat het gegeven dat de verdachte na 'adres' op het formulier eigenmachtig het gegeven 'postadres' heeft ingevoegd aangeeft dat de verdachte in plaats van het feitelijke verblijfadres van de vreemdeling het postadres heeft ingevuld. Nu de verdachte expliciet heeft aangeven dat het postadres is ingevuld, kan volgens de steller van het middel niet worden gesteld dat de verdachte het formulier valselijk heeft opgemaakt.

30. Deze poging om het Hof mis te verstaan, kan tot niets leiden. Het Hof overweegt niet dat de valsheid bestaat uit het eigenmachtig vermelden van een juist postadres, maar dat die eigenmachtige vermelding onderstreept dat met het tevens vermelde valse "adres" door de aanvrager de woon- of verblijfplaats is bedoeld. Aan die overweging - die steunt op tot de gebezigde bewijsmiddelen behorende bijlagen 23a t/m 29a die een ingevuld formulier Model M35-a betreffen - kan ik niets onbegrijpelijks ontdekken.

31. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

32. Alle middelen falen. Het eerste, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

33. Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van cassatie in onderhavige zaak thans reeds 24 maanden zijn verstreken. Dat maakt dat de redelijke termijn overschreden. Een en ander moet leiden tot strafvermindering.

34. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

35. Gezien het bovenstaande strekt deze conclusie tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voor zover het de daarbij opgelegde straf betreft, tot zodanige vermindering van die straf als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie art. 3.26 en bijlage 13 Voorschrift Vreemdelingen 2000.

2 Zie HR 14 december 1999, NJ 2000, 150 dat betrekking had op een aanvraag voor subsidiëring van een wetenschappelijk project. Vergelijk Hof Den Bosch 6 december 2007, NJ 2008, 183, waarin het antedateren van een ontslagverklaring in de zin van art. 45 lid 6/ 47 lid 2 Wet BOPZ als het valselijk opmaken daarvan werd aangemerkt.

3 NLR, aant. 5 bij art. 225.

4 Zie o.m. HR 16 september 2008, RvdW 2008, 869.

5 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2009, p. 172 e.v.