Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI5727

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
07/13409
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI5727
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening appeldagvaarding. Het dubbel van de dgv voor de tz van het Hof en de akte van uitreiking bevinden zich niet bij de stukken die aan de HR zijn gezonden. Blijkens een brief van de voorzitter van het Hof zijn deze stukken na de tz. in het ongerede geraakt. Dat brengt mee dat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat de appeldgv niet op de bij wet voorgeschreven wijze is betekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 965
NJB 2009, 1665
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13409

Zitting 26 mei 2009

Mr Jörg

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verzoekster is door het gerechtshof te Arnhem wegens het gezamenlijk in werking hebben van een hennepkwekerijtje veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

2. Namens verzoekster heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof de dagvaarding voor de terechtzitting van 8 februari 2007 ten onrechte niet nietig heeft verklaard, nu in rechte moet worden vermoed dat deze dagvaarding niet, althans niet op de voorgeschreven wijze is uitgereikt. Daarbij stelt het middel zich - met verwijzing naar HR 2 februari 1954, NJ 1954, 361 - op het standpunt dat bij het ontbreken van een akte van uitreiking van de dagvaarding moet worden vermoed dat de dagvaarding niet, althans niet op de wet bij voorgeschreven wijze is betekend.

4. Uit het proces-verbaal van de appèlzitting van 8 februari 2007 blijkt dat verzoekster niet ter zitting is verschenen en dat het hof, op vordering van de advocaat-generaal, verstek heeft verleend tegen verzoekster.

5. Het dubbel van de dagvaarding van verzoekster om op 8 februari 2007 ter terechtzitting van het hof terecht te staan en de akte van uitreiking van deze dagvaarding aan verzoekster bevinden zich niet bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv, aan de Hoge Raad gezonden stukken.(1)

6. Blijkens de aan de strafgriffie van de Hoge Raad verzonden brief van de voorzitter van het hof van 19 maart 2008 zijn de dagvaarding voor de zitting van 8 februari 2007 en de daarop betrekkende akte van uitreiking ná de terechtzitting in het ongerede geraakt.

7. Gelet op het vorenstaande moet in cassatie ervan uit worden gegaan dat de dagvaarding voor de zitting van 8 februari 2007 en de akte van uitreiking ervan zich ten tijde van de behandeling in hoger beroep wel bij de stukken hebben bevonden, maar ná de zitting van 8 februari 2007 bij het hof in het ongerede zijn geraakt.

8. Het redelijk vergelijkbare geval, beslist in HR 4 januari 2005, LJN AR5173, leert dat waar het gaat om een klacht of verweer over de geldigheid van de dagvaarding wegens het niet betekenen van de dagvaarding aan de verdachte op de bij wet voorgeschreven wijze, beslissend is of zich een akte van uitreiking van de dagvaarding in het dossier bevindt (en wat daarvan dan de inhoud(2) is).

9. Anders dan in het aangehaalde geval gaat het in het onderhavige zaak om de akte van uitreiking van een appèldagvaarding die ná de behandeling op de terechtzitting waarop de dagvaarding betrekking had, in dezelfde instantie in het ongerede is geraakt. Het gaat hier om de eigen (impliciete) waarneming van het hof dat de dagvaarding op de juiste wijze was uitgereikt. Dit valt vervolgens echter in cassatie niet te controleren.

10. Omdat als gevolg van het ontbreken van de akte van uitreiking van de dagvaarding voor de appélzitting van 8 februari 2007, niet kan worden nagegaan of de dagvaarding op de bij art. 588 Sv voorgeschreven wijze aan verzoekster is betekend, moet het ervoor worden gehouden dat 's hofs beslissing tot verstekverlening tegen verzoekster niet naar eis der wet met redenen is omkleed.(3) Ik geef uw Raad in overweging om uit doelmatigheidsredenen de dagvaarding in hoger beroep nietig te verklaren, nu als vaststaand mag worden aangenomen dat de dagvaarding en de daarbij behorende akte van uitreiking in het ongerede zijn geraakt en naar alle waarschijnlijkheid niet meer boven water zullen komen (vgl. HR 6 november 2007, LJN BB4965).

11. Het middel slaagt.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Wel aanwezig in het dossier is het dubbel van de dagvaarding van verzoekster om op 10 juli 2006 ter terechtzitting van het hof terecht te staan ter zake van het feit onder parketnummer 06-470848-05. Deze dagvaarding is volgens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 7 maart 2006 aan verzoekster in persoon uitgereikt. Over de afhandeling van die dagvaarding wordt geen klacht geformuleerd en ik besteed er ook ambtshalve geen aandacht aan.

2 HR 10 januari 1995, NJ 1995, 275.

3 Zie ook Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, blz. 191.