Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI4742

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
08/00473
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI4742
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen beslissing op aanhoudingsverzoek. Conclusie AG: een raadsheer van het Hof heeft de raadsvrouw d.m.v. een e-mailbericht medegedeeld dat het door haar tijdig naar het Hof gefaxte aanhoudingsverzoek hem niet tijdig heeft bereikt en dat ware dat wel het geval geweest, hij de zaak zou hebben aangehouden. O.g.v. dat bericht moet worden aangenomen dat verdachtes raadsvrouw een aanhoudingsverzoek heeft gedaan en dat het Hof op dat verzoek niet heeft beslist hetgeen nietigheid tot gevolg heeft. HR vernietigt het bestreden arrest op de gronden vermeld in de conclusie AG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 973
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00473

Zitting: 19 mei 2009

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden", veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken. Voorts heeft het Hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zes maanden.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met nummers 08/00471, 08/00472 en 08/00473. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. N.H. Fridsma, advocaat te Haarlem, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op het door de raadsvrouw van de verdachte gedane verzoek om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting, dan wel dat het Hof de afwijzing van dit verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat uit een, na het wijzen van het arrest, door de raadsvrouw van een raadsheer uit het Hof ontvangen e-mailbericht kan worden afgeleid dat bedoeld aanhoudingsverzoek vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting door de (secretaresse van de) raadsvrouw is gedaan, maar dat dit verzoek het Hof door een interne fout bij het Hof niet tijdig heeft bereikt.

5. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het proces-verbaal van de zitting van het Hof in:

"De verdachte, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, GBA-adres: [a-straat 1], [woonplaats], is niet verschenen.

De raadsvrouw van de verdachte, mr. N.H. Fridsma, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.

De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden, drie dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

(...)

Opmerking van de griffier:

Bij brief van 2 januari 2008 heeft de raadsvrouw medegedeeld dat zij wegens ziekte verhinderd was ter terechtzitting te verschijnen, waarvan zij tijdig mededeling zou hebben gedaan. De raadsheer heeft de raadsvrouw per e-mail van 10 januari 2008 geantwoord. Beide documenten bevinden zich in het dossier."

6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van de raadsvrouw van de verdachte d.d. 20 augustus 2007. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt deze brief in:

"Edelgrootachtbare heer/vrouwe,

In opgemelde zaak treedt ondergetekende op voor [verdachte] als zijn raadsvrouwe in plaats van mr L.J.L. Heukels en bij deze stel ik mij dan ook als zodanig."

7. Het aanhoudingsverzoek, zoals dat per fax aan het Hof verzonden zou zijn, bevindt zich niet bij de stukken van het geding. Aan de namens de verdachte ingediende cassatieschriftuur is als bijlage een kopie van een op 21 december 2007 verzonden faxbericht gehecht. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant houdt dat faxbericht in:

"Geachte heer/mevrouw,

In opgemelde zaken verzoek ik u vanwege het feit dat mr Fridsma op dit moment ziek is een aanhouding te verlenen voor de zitting bij de negentiende kamer van 11.03 uur en volgenden van [verdachte].

Op dit moment is er geen kantoorgenoot aanwezig van mr Fridsma die deze zittingen voor haar kan waarnemen. Daarom verzoek ik u een nieuwe datum te bepalen.

Mag ik van u vernemen?

Met vriendelijke groet,

namens mr N.H. Fridsma

(...)

secretaresse"

8. In het dossier bevindt zich een op 10 januari 2008 door een raadsheer uit het Hof aan de raadsvrouw van de verdachte verzonden e-mailbericht. Dit bericht houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Weledelgestrenge Vrouwe,

(...)

In de drie bovenbedoelde zaken van Uw cliënt [verdachte] die op 21 december 2007 te 11.03 uur stonden geappointeerd, heb ik kort na dat tijdstip arrest gewezen.

U en Uw cliënt waren daarbij niet aanwezig.

Bij faxbericht van 21 december 2007, ontvangen te 10.34 uur (derhalve 29 minuten voor aanvang van de zitting) hebt U om aanhouding verzocht wegens ziekte.

Dit bericht heeft mij niet tijdig bereikt. Ware dit wel het geval geweest, dan zou ik de drie zaken hebben aangehouden

(...)".

9. Op grond van laatstgenoemd bericht moet worden aangenomen dat van de zijde van verdachtes raadsvrouw een verzoek tot aanhouding is gedaan als onder 7 beschreven. Het Hof heeft op dit verzoek niet beslist. Dit verzuim heeft nietigheid tot gevolg.(1)

10. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 26 oktober 2004, LJN AR1861, NS 2004, 445.