Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI4425

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
07/13442
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2007:BA8418
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI4425
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 953

Conclusie

Nr. 07/13442

Mr. Machielse

Zitting 12 mei 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft verdachte op 28 juli 2007 voor medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ander werd gedood, en medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en tot ontzegging van de rijbevoegdheid ten tijde van drie jaar. Voorts heeft het hof een auto verbeurd verklaard.

2. Mr. M.J. Van Rooij, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld. Mr. H. Polat en mr. H.M.C. Verheul, advocaten te Lelystad, hebben een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring. Als verdachte al op zeer korte afstand door [medeverdachte 2] in diens auto werd gevolgd is dat geen omstandigheid die voor rekening van verdachte dient te komen.

3.2. Bewezenverklaard is dat

"hij op 10 juni 2006 te Creil, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met een ander, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het Creilerpad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, samen met [medeverdachte 2], met de door hen bestuurde auto's op het Creilerpad te gaan rijden en vervolgens naast elkaar te gaan

stilstaan met de door hen bestuurde auto's, terwijl [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2006) gelegen in een kinderwagen, en haar moeder en broertje (te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2004), beiden te voet, ongeveer 200 meter, verderop aanstalten maakten het Creilerpad over te steken, snel optrekkend, met beide auto's naast elkaar weg te rijden, waarbij binnen voomoemde 200 meter, verdachte een snelheid bereikte van minimaal 60 kilometer per uur, waarbij verdachte zijn mededader is voorbij gereden en waarbij hij voor zijn mededader is gaan rijden en verdachtes mededader een snelheid bereikte van ongeveer 60 kilometer per uur, waama vervolgens verdachte tegen de wandelwagen, waarin [slachtoffer 1] zich bevond, is aangereden, waarbij voomoemde [slachtoffer 3] uit de wandelwagen is geslingerd en op het wegdek is beland en tegen [slachtoffer 2] is aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht".

3.3. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel in 's hofs overwegingen omtrent het bewijs:

"Het hof acht bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte, toen zij elk in de eigen auto vanuit stilstand naast elkaar wegreden, snel en gezamenlijk zijn opgetrokken. Toen één van beiden sneller reed en vóór de ander is gaan rijden, zijn zij op onverantwoorde wijze zeer dicht achter elkaar blijven rijden."

3.4. Dat verdachte geen enkele invloed heeft kunnen hebben op het feit dat [medeverdachte 2] zo dicht achter hem reed, ziet eraan voorbij dat verdachte de uitdaging van [medeverdachte 2] om maar gas te geven heeft aangenomen (bewijsmiddel IV). Bewijsmiddel 5 houdt immers in als verklaring van verdachte dat [medeverdachte 2] en hij ieder in hun auto optrokken en vol gas gaven. Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen afgeleid en kunnen afleiden dat voor verdachte de mogelijkheid heeft bestaan op deze uitdaging niet in te gaan. Door wel op de uitdaging in te gaan heeft verdachte rekening moeten houden met de mogelijkheid dat beide automobilisten elkaar zouden opjagen en dat ook [medeverdachte 2] zou proberen de koppositie te pakken, hetgeen onvermijdelijk ertoe moest leiden dat beide auto's in elkaars onmiddellijke nabijheid zouden rijden. Verdachte moet zich deze omstandigheid ook gerealiseerd hebben en is daarom, omdat hij van deze competitie niet heeft afgezien, daarvoor medeverantwoordelijk.

Het middel faalt.

4.1. Ook het tweede middel klaagt over het bewijs, meer bepaald over het volgende onderdeel van de bewijsoverweging:

"Verdachte [verdachte] heeft verklaard vóór het wegrijden te hebben gezien dat nog geen 200 meter verderop, ter hoogte van het bospad, zich een vrouw bevond met een kinderwagen en naast haar een klein kind. Ondanks die wetenschap is verdachte [verdachte] toch gaan rijden op de wijze zoals hiervoor omschreven, in de kennelijke veronderstelling dat zij de weg niet zouden oversteken."

De stellers van het middel voeren aan dat de aanname van het hof dat volgens verdachte de afstand nog geen 200 meter bedroeg op geen enkel bewijsmiddel kan worden gebaseerd.

4.2. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat dit onderdeel van de bewijsoverweging van het hof mede ten grondslag ligt aan het bewijs van roekeloosheid. Het hof heeft immers niet bewezen geacht dat verdachte roekeloos heeft gehandeld. Wel dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend is gaan rijden.

4.3. Het hof heeft verdachte kennelijk niet aan zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring willen houden. Verdachte heeft daar over deze afstanden het volgende verklaard:

"U houdt mij voor dat ik afstanden heb genoemd tussen onze stilstaande positie en de positie van de vrouw met de kinderwagen, die niet kunnen kloppen. Het is niet zo dat ik daarmee de zaak voor mijzelf beter heb willen maken. Ik kan gewoon slecht afstanden inschatten. Ik heb later begrepen dat die afstand 190 meter bedroeg in plaats van 30 of 35 meter."

Als verdachte zou hebben gemeend dat de afstand tussen de auto's van verdachte en [medeverdachte 2] en de positie van de vrouw met kind en kinderwagen slechts 30 of 35 meter zou zijn geweest zou het helemaal onbegrijpelijk zijn geweest om, terwijl derden onder wie een klein kind, zich op zo'n korte afstand van de auto's bevonden, met vol gas uit stilstand weg te rijden. Het is dus niet zo, zoals de stellers van het middel kennelijk menen, dat er geen grond zou zijn voor het aannemen van grove onvoorzichtigheid als verdachte de afstand minder had ingeschat dan een kleine 200 meter.

Mijns inziens moeten de gewraakte overwegingen aldus worden gelezen dat verdachte voor het wegrijden heeft gezien dat zich ter hoogte van het bospad, waarvan is vastgesteld dat dit 190 meter van de startpositie van verdachte en [medeverdachte 2] lag, een vrouw bevond met een kinderwagen en naast haar een klein kind. Of verdachte deze afstand op minder dan 200 meter, of op 35, of op 55 meter(2) heeft geschat doet niet terzake. Bij iedere schatting was het vol gas naast elkaar wegrijden onverantwoord.

Het middel faalt.

5.1. Ook het derde middel klaagt weer over een onderdeel van de bewijsoverweging. Nu gaat het om de volgende zinnen:

"[verdachte] heeft vervolgens niet bemerkt dat dat (AM, dat de vrouw met kinderwagen en kleuter wel ging oversteken) wèl het geval was. Hij heeft hen pas weer gezien, toen zij zich zo dicht bij de door hem bestuurde auto bevonden dat hij deze niet meer tijdig tot stilstand kon brengen. Het hof kwalificeert dit verkeersgedrag als zeer onvoorzichtig en onoplettend."

Volgens de stellers van het middel draagt dit onderdeel van de bewijsoverweging niet bij aan het bewijs van de roekeloosheid. Nergens blijkt uit de bewijsmiddelen dat er sprake was van enige onoplettendheid.

5.2. Ik stel voorop dat ook dit middel feitelijke grondslag mist, omdat nu eenmaal het hof geen roekeloosheid heeft bewezen geacht.

Onmiddellijk vóór dit onderdeel van de bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat verdachte heeft gezien dat zich verderop, ter hoogte van het bospad, een vrouw met kinderwagen en kleuter bevond. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de verdachte zich ervan bewust is geweest dat zich verderop een vrouw met kinderwagen en naast haar een klein kind bevond, dat verdachte en [medeverdachte 2] vol gas naast elkaar zijn opgetrokken in de richting van het bospad en dat verdachte desondanks niet heeft gezien dat de zich verderop in zijn rijrichting bevindende personen aan het oversteken waren. Het hof heeft niet onbegrijpelijk uit deze uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden feiten de conclusie getrokken dat verdachte helemaal geen aandacht heeft gehad voor deze voetgangers.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof een bewijsverweer onbeantwoord heeft gelaten. De pleitnota in hoger beroep somt een aantal omstandigheden op, op basis waarvan de stellers van het middel aanvoeren dat de verdachte niet de blaam van een culpoos delict treft.

6.2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen rijst echter een heel ander beeld op dan de stellers van het middel ons voorschilderen. Verdachte en [medeverdachte 2] trokken naast elkaar vol gas op in de richting waar een vrouw aan de kant van de weg stond met de kinderwagen en een kleuter. Onder zulke omstandigheden behoort iedere automobilist attent en voorzichtig te rijden, rekening houdend met de mogelijkheid dat het kind onvoorziene bewegingen gaat maken. Verdachte heeft deze personen zien staan en hen pas weer opgemerkt toen hij al niet meer kon remmen. Dat men daar 80 kilometer per uur zou mogen rijden en dat er geen voetgangersoversteekplaats is neemt niet weg dat de automobilist rekening moet houden met deze voetgangers en zeker dus niet met twee auto's naast elkaar op een toch vrij smalle weg vol gas moet optrekken om de ander voor te blijven.

Zo een wijze van rijden is niet anders dan als zeer onvoorzichtig en onoplettend te kwalificeren. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dus al waarom het hof het standpunt van de verdediging niet heeft onderschreven.

Het middel faalt.

7. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 10087/07 ([medeverdachte 2]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Zie de bewijsmiddelen in de aanvulling op het verkort vonnis van de rechtbank, p. 5. Op zichzelf beschouwd is de overweging van het hof over de door verdachte geschatte afstand, als deze overweging wordt verstaan zoals de stellers van het middel deze verstaan, niet eens onjuist. Een afstand van 30 tot 50 of 55 meter is immers in ieder geval geval minder dan 200 meter.