Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI4204

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
08/02876
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI4204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Hoger beroep ex art. 67 Fw; belang boedel voortzetting procedure (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-07-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 861
JWB 2009/275

Conclusie

Zaaknr. 08/02876

Mr. Huydecoper

Parket, 8 mei 2009

Conclusie inzake

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

tegen

mr. M.L. Daniëls-Vetter q.q., in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting Stichting WIA 1991

verweerster in cassatie

1. Of de in deze zaak aangevoerde klachten - die volgens mij niet tot cassatie kunnen leiden - met toepassing van art. 81 RO kunnen worden verworpen, hangt af van hoe men over het in alinea's 16 en 17 hierna te bespreken gegeven denkt. Ik meen intussen dat de zaak zich, gezien de in de klachten opgeworpen materie, voor een enigszins verkorte conclusie leent.

2. De verzoeker tot cassatie, [verzoeker], is bestuurder geweest van de gefailleerde Stichting WIA, in het faillissement waarvan de verweerster in cassatie, Mr. Daniëls, de curator is.

[Verzoeker] heeft de rechter-commissaris in het faillissement verzocht om bepaalde maatregelen ten opzichte van de curator te nemen. Het ging in het bijzonder om beslissingen met het oog op de al-dan-niet voortzetting van vijf bestuursrechtelijke procedures die door de gefailleerde stichting(1) in gang waren gezet.

De rechter-commissaris heeft, overeenkomstig het gevoelen van de curator, geoordeeld dat voortzetting van deze procedures ten laste van de boedel niet in het belang van de boedel was (en heeft dus de verzoeken van [verzoeker] die op voortzetting van deze procedures gericht waren, niet gehonoreerd).

3. Van de beslissing van de rechter-commissaris heeft [verzoeker] beroep op de voet van art. 67 Fw ingesteld.

Bij de in cassatie bestreden beslissing heeft de rechtbank [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de hoedanigheid die voor het uitlokken van beslissingen op de voet van art. 69 Fw vereist is (men moet daarvoor naar luid van dit artikel schuldeiser, gefailleerde, dan wel de commissie van schuldeisers zijn). De rechtbank nam tevens aan dat beroep op de voet van art. 67 Fw alleen mogelijk is als het om een verzoek gaat dat "volgens de Faillissementswet voor een beslissing in aanmerking komt". Uit het vervolg van de beschikking leid ik af dat de rechtbank (alleen) de in art. 69 Fw aangewezen verzoeken als zodanig heeft aangemerkt.

De rechtbank is echter ook inhoudelijk ingegaan op de argumenten die tegen de beslissing van de rechter-commissaris waren ingebracht, en heeft die argumenten als ongegrond beoordeeld.

4. Het tijdig(2) en regelmatig ingestelde cassatieberoep bestrijdt beide aspecten van de beslissing van de rechtbank (dus: de niet-ontvankelijkverklaring én de materiële beoordeling van de gronden van de beslissing van de rechter-commissaris).

De cassatieklachten

5. Het lijkt mij aangewezen om eerst de klachten te onderzoeken die tegen de materiële beoordeling van de zaak worden ingebracht. Men vindt die in alinea 8 van het cassatierekest.

Als ik de klacht goed begrijp - ik erken dat ik die moeilijk te begrijpen vind - strekt die ertoe dat in gevallen waarin art. 27 Fw (e.v.) in een bestuursrechtelijke procedure niet is toegepast, voor de beoordeling van het belang van de boedel bij voortzetting van de procedure niet (meer) terzake dienend is of de procedure kans van slagen heeft.

6. Deze klacht lijkt mij evident ondeugdelijk.

Dat is allereerst het geval omdat niet valt aan te nemen dat art. 27 Fw in de in deze zaak te beoordelen gevallen buiten toepassing is gebleven (zodat de veronderstelling waar de klacht op berust goede grond mist). Uit rov. 1.7 van de bestreden beschikking blijkt immers dat de curator zich in de bestuursrechtelijke procedures waar de klacht op ziet als partij(vertegenwoordiger) heeft gemengd, inzonderheid door kenbaar te maken dat die procedures door (de boedel van) de gefailleerde werden ingetrokken. Daardoor is aan de in art. 27 lid 3 Fw neergelegde regel - mogelijk: per analogie - toepassing gegeven.

Daarbij komt dat in de feitelijke instantie(s) niet was aangevoerd dat zich de bijzonderheid zou voordoen dat de art. 27 (e.v.) Fw niet waren toegepast, zodat daarvan in cassatie niet kan worden uitgegaan.

7. Voor het overige vermag ik niet in te zien waarom bij de beoordeling of de boedel van een gefailleerde belang heeft bij voortzetting van procedures - bestuursrechtelijk of anderszins -, het ooit niet (meer) van belang zou (kunnen) zijn of die procedures een relevant uitzicht op succes bieden. Voor de beoordeling of dergelijke procedures het maken van kosten (in welke omvang dan ook) rechtvaardigen, is dit immers gewoonlijk van doorslaggevende betekenis. Men begrijpt niet waarom dat in de door de klacht geopperde situatie anders zou (kunnen) zijn. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de vraag of van de procedures relevante baten te verwachten zijn (een gegeven dat de rechtbank ook in haar oordeel heeft betrokken).

Of er aan art. 27 Fw toepassing is gegeven of niet, lijkt mij voor deze beoordeling in het algemeen van verwaarloosbare betekenis. In ieder geval staat het feit dat dat (nog) niet zou zijn gebeurd, er niet aan in de weg dat voor de beoordeling van maatregelen ten opzichte van de curator met het oog op voortzetting van procedures, de succeskans een aspect oplevert dat van aanmerkelijk gewicht is, of dat althans in vele gevallen zal blijken te zijn.

8. Als ik het goed zie berust de klacht van alinea 8 van het cassatierekest geheel op de stelling dat men dit anders zou moeten beoordelen. Nu dat niet zo is faalt de klacht, en faalt daarmee tevens het cassatieberoep. De beslissing van de rechtbank kan immers zelfstandig worden gedragen door de (ten overvloede gegeven) materiële beoordeling, en verwerping, van de tegen de beslissing van de rechter-commissaris ingebrachte argumenten.

9. Ik vermeld volledigheidshalve nog dat het tweede deel van de in alinea 8 van het cassatierekest geformuleerde klacht een reeks stellingen bevat die ten overstaan van de rechtbank niet, of niet in de hier aangenomen vorm aan de orde waren gesteld. Ik noem als zodanig:

- dat er een gerechtelijke procedure aanhangig zou zijn betreffende bestuurdersaansprakelijkheid van [verzoeker]. Ik vind in het dossier geen stellingen van deze strekking, laat staan enige documentatie die duidelijk zou kunnen maken wat voor aansprakelijkheid aan de orde zou zijn.

- dat [verzoeker] met zijn gezin in "het huurpand" woonde en dat pand heeft moeten ontruimen. Ook hier: geen relevante stellingen, en geen ondersteunende documentatie;

- dat de curator "niet zelf tot bestuurdersaansprakelijkheid van [verzoeker] heeft geconcludeerd"; zelfde situatie.

- dat "deze bestuursrechtelijke procedures" buiten bezwaar van de boedel konden worden voortgezet. Uit rov. 2.6.4 van de bestreden beslissing blijkt dat een betoog van deze strekking volgens de rechtbank niet aan de rechter-commissaris was voorgehouden (zodat het voor de beoordeling van de beslissing van deze geen rol kon spelen). De klacht van het middel gaat aan deze vaststelling voorbij.

Deze stellingen worden alle aan het betoog van het tweede deel van de klacht van alinea 8 ten grondslag gelegd. Ergo: voor dit deel van deze klacht ontbreekt in wezenlijke mate feitelijke grondslag.

10. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat voor de verschillende stellingen die in alinea 8 van het cassatierekest naar voren worden gebracht wél (hypothetische) feitelijke grondslag zou bestaan, blijft mij dan nog onduidelijk wat het betoog in deze klacht beoogt. Ik begrijp het betoog zo, dat het berust op het uitgangspunt dat aannemelijk zou zijn dat [verzoeker] persoonlijk in een aantal opzichten belang heeft bij voortzetting van de procedures die ten name van de gefailleerde Stichting WIA gevoerd werden. Waarom dat zou opleveren, of zelfs maar ertoe zou bijdragen dat de boedel óók belang heeft bij die voortzetting (en ook als de succeskans van deze procedures (zeer) gering is), kan ik niet begrijpen. De klacht gaat volgens mij dan ook heen langs de door de rechtbank gegeven beoordeling van de zin van voortzetting - bezien vanuit de belangen van de boedel - van de procedures waarin de Stichting WIA verwikkeld was.

11. Mij is uiteraard niet ontgaan dat het voor iemand als [verzoeker] onder omstandigheden interessant kan zijn wanneer procedures waarin een gefailleerde als eiser/verzoeker optrad en waarbij de betrokkene belang heeft, met (analogische) toepassing van art. 27 Fw buiten bezwaar van de boedel kunnen worden voortgezet. Ik zie echter niet in hoe men dat doel zou kunnen bereiken langs de in deze zaak ondernomen weg, namelijk: het uitlokken van een bevel aan de curator om de procedures (en dan uiteraard: namens de boedel, en dus niet buiten bezwaar daarvan) voort te zetten. Men kan het misschien met de curator op een akkoordje gooien dat deze zich, zoals art. 27 Fw mogelijk maakt, niet in de procedures zal mengen. Als de wederpartij in die procedures dan geen gebruik maakt van de mogelijkheid om op de voet van art. 27 lid 1 en lid 2 Fw ontslag van instantie te vragen, kan er misschien buiten bezwaar van de boedel worden doorgeprocedeerd.

Deze stappen stonden echter in deze zaak niet ter discussie. Wat daarin wel ter discussie stond, namelijk: voortzetting van de procedures door de curator, is een andere kwestie. De op dit gegeven gerichte argumenten uit het middel betreffen dan ook een vraag die niet aan de rechtbank (of aan de rechter-commissaris) was voorgehouden, en waarop van dezen dan ook geen antwoord mocht worden verwacht.

12. Tenslotte: uit de vaststellingen van de rechtbank en het proces-verbaal van behandeling bij de rechtbank blijkt dat de curator de desbetreffende procedures hééft ingetrokken. Ik zie niet in hoe een andere uitkomst van de onderhavige procedure aan deze "gedane zaak" zou kunnen afdoen. Ook daarom faalt het middel: daarbij ontbreekt een zinnig belang.

13. Bij deze stand van zaken komt aan de eerder klachten van het middel, te vinden in alinea's 7.1 - 7.9 van het cassatierekest (de verdere alinea's van dat rekest bevatten geen inhoudelijke klachten) geen wezenlijke betekenis toe: ook als deze klachten gegrond zouden zijn, kan dat niet tot een andere uitkomst leiden.

Volledigheidshalve vermeld ik dat ook deze klachten mij in grote meerderheid ongegrond lijken.

14. Ook deze klachten berusten in belangrijke mate op stellingen waarvoor feitelijke grondslag ontbreekt, zoals de stelling dat bepaalde, als [betrokkene 1] c.s. aangeduide, partijen een "bestuurdersaansprakelijkheidsstelling" tegen [verzoeker] geldend zouden maken of dat de desbetreffende aansprakelijkheid tot een (regres)vordering van [verzoeker] op de gefailleerde zou (kunnen) leiden (alinea's 7.1 en 7.7 van het cassatierekest).

De op deze - in cassatie dus niet als feitelijke grondslag beschikbare - gronden gebaseerde stelling dat [verzoeker] voor de toepassing van art. 69 Fw met de gefailleerde zou mogen worden vereenzelvigd, lijkt mij (ook) overigens niet goed vol te houden.

15. De verdere argumenten uit deze klacht(en) zien er telkens aan voorbij dat de rechtbank in rov. 2.3 van de bestreden beslissing op feitelijke en bovendien zeer aannemelijke gronden heeft geoordeeld dat [verzoeker] het verzoek waarmee de onderhavige zaak is begonnen op eigen naam heeft gedaan, en niet namens de gefailleerde of in hoedanigheid van gewezen bestuurder van de gefailleerde (wat twee verschillende dingen zijn). De vraag die in verschillende sub-alinea's van deze klacht wordt geopperd, namelijk of een verzoek ex art. 69 Fw dat door de gewezen bestuurder namens de gefailleerde wordt gedaan, binnen de termen van die wetsbepaling valt, is daarmee in deze zaak niet aan de orde. Daarmee ontvalt ook de grond aan de beschouwingen over "access to court" die de klacht in dit verband oppert. Die beschouwingen gaan er van uit dat [verzoeker] wel als vertegenwoordiger van de gefailleerde en namens deze zou hebben gehandeld (of dat wat [verzoeker] heeft gedaan hiermee op één lijn moet worden gesteld), maar voor die stelling(en) ontbreekt - weer - feitelijke grondslag.

16. (Alleen) de in het tweede gedeelte van de in alinea 7.9 geformuleerde klacht berust op een ander uitgangspunt. Daar wordt aangevoerd dat [verzoeker] "de beschikking" (ik neem aan: die van de rechter-commissaris) heeft verzocht (bedoeld is kennelijk: op persoonlijke titel), en dat die beschikking tot hem gericht was.

In zoverre wijst de klacht inderdaad op een onjuiste benadering in de bestreden beslissing van de rechtbank. De rechtspraak van de Hoge Raad strekt er immers toe dat het recht om op de voet van art. 67 Fw hoger beroep in te stellen toekomt aan "partijen" bij de beslissing waartegen het hoger beroep wordt gericht; en dat degeen die de desbetreffende beslissing heeft verzocht daar in elk geval toe is te rekenen(3). Niet-ontvankelijk-verklaring van de betrokkene in zijn hoger beroep komt dan niet in aanmerking. (Wel kan zich geredelijk voordoen dat zo'n hoger beroep moet worden verworpen, omdat de betrokkene iets vraagt wat niet kan, of niet behoort te, worden toegestaan.)

17. Voor de uitkomst van de onderhavige zaak kan het intussen geen verschil maken of de rechtbank in dit opzicht van de juiste, dan wel van een te beperkte maatstaf is uitgegaan. Dat is (al daarom) het geval omdat de klachten, zoals eerder bleek, tevergeefs opkomen tegen de materiële beoordeling, door de rechtbank, van de namens [verzoeker] in appel aangevoerde gronden.

Voor de rechtspraktijk kan het misschien nuttig zijn dat op de vraag die de klacht in alinea 7.9 opwerpt, nader licht wordt geworpen; vandaar dat ik in alinea 1 van deze conclusie heb geopperd dat niet meteen kan worden geconcludeerd tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Uit de stukken blijkt dat een van de desbetreffende procedures door een andere, nauw met de Stichting WIA gelieerde (en eveneens failliete) stichting was geëntameerd.

2 De in cassatie bestreden uitspraak is van 25 juni 2008. Het cassatierekest is op 4 juli per fax ingediend, gevolgd door "reguliere" indiening op 9 juli. De cassatietermijn is ingevolge art. 67 Fw en art. 426 lid 2 Rv. 10 dagen.

3 HR 18 april 2008, NJ 2008, 244, rov. 3.3; HR 6 oktober 2006, RvdW 2006, 921, rov. 3.2.4; HR 22 april 2005, NJ 2005, 405, rov. 3.2.4 en HR 10 mei 1985, NJ 1985, 791, m.nt. Van der Grinten, rov. 3.2.