Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI4195

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
08/00354
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI4195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht; op huwelijksvermogensregime toepasselijk recht (81 RO).

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, 's-Gravenhage, 14-03-1978, geldigheid: 2009-07-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 858
JWB 2009/283

Conclusie

08/00354

Mr L. Strikwerda

Parket, 8 mei 2009

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure, hierna: de man en de vrouw, zijn op 29 januari 1981 in de gemeente Rotterdam met elkaar gehuwd. Zij zijn voor het sluiten van hun huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, inhoudende een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. In de akte huwelijkse voorwaarden is geen verrekenbeding ten aanzien van inkomsten of van vermogen zoals bedoeld in art. 1:132 BW opgenomen. Evenmin is in de akte huwelijkse voorwaarden een bepaling opgenomen welk recht daarop van toepassing is. Blijkens de huwelijkse voorwaarden was de vrouw vóór het sluiten van het huwelijk in het bezit van de Joegoslavische en Duitse nationaliteit en had zij ná de huwelijkssluiting de Joegoslavische en de Nederlandse nationaliteit. De man heeft altijd uitsluitend de Nederlandse nationaliteit gehad.

2. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank 's-Gravenhage bij beschikking van 21 januari 2005 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 9 juni 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. In de echtscheidingsprocedure heeft de man een zelfstandig verzoek tot verdeling van de gemeenschap ingediend. Volgens de man is het redelijk en billijk om bij de verdeling af te wijken van de huwelijkse voorwaarden en te verdelen als ware er een gemeenschap van goederen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat partijen altijd hebben geleefd als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen, althans dat dat de interne praktijk van partijen was. De reden dat partijen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan was om, gezien de handelsactiviteiten van de man, met name de vrouw te beschermen tegen eventuele schuldeisers. De voorwaarden hadden voornamelijk externe werking, aldus de man. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden en met name de door de man gestelde tussen partijen bestaande "interne praktijk" ontkend.

4. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2005 geoordeeld dat het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten, nu partijen het daarop toepasselijke recht niet hebben aangewezen, wordt beheerst door Nederlands recht als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten kort na de huwelijkssluiting (blz. 2 van de beschikking onder het hoofdje "Toepasselijk recht"). Het standpunt van de man inzake de verdeling heeft de rechtbank verworpen; zij oordeelde dat slechts de goederen en gelden die partijen in gemeenschappelijke eigendom hebben voor verdeling in aanmerking komen (blz. 3 van de beschikking, 2e en 3e alinea) en heeft op basis van dit oordeel een verdeling (van een gedeelte van de gemeenschappelijke goederen) vastgesteld.

5. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw stelde incidenteel hoger beroep in.

6. Bij beschikking van 24 oktober 2007 heeft het hof de door de man aangevoerde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te verdelen alsof partijen is gemeenschap van goederen waren gehuwd (grief 1), verworpen. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 7):

"Een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel is niet toepasselijk voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij verdient aantekening dat bij de beantwoording van de vraag of bij de afrekening tussen voormalige echtelieden na ontbinding van het huwelijk op grond van redelijkheid en billijkheid dient te worden afgeweken van de huwelijkse voorwaarden, zeer wel belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijkse voorwaarden. Het hof is van oordeel dat hetgeen de man dienaangaande heeft aangevoerd, in het licht van het daarop door de vrouw gevoerde verweer, niet leidt tot de conclusie dat er sprake was van dusdanig van de huwelijkse voorwaarden afwijkend gedrag tussen de echtgenoten dat dient te worden afgeweken van hetgeen partijen zijn overeengekomen in die huwelijkse voorwaarden."

Het hof heeft de beroepen beschikking van de rechtbank (grotendeels) bekrachtigd.

7. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht de beschikking van het hof te bevestigen en de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieverzoek dan wel hem dit te ontzeggen.

8. Middel I bestrijdt het oordeel van het hof - in r.o. 7 - dat er geen sprake was van dusdanig van de huwelijkse voorwaarden afwijkend gedrag tussen de echtgenoten dat dient te worden afgeweken van hetgeen partijen zijn overeengekomen in die huwelijkse voorwaarden. Als ik het goed begrijp klaagt het middel erover dat het hof heeft miskend dat de echtgenoten tijdens hun gemeenschappelijk verblijf in Spanje aldaar, naast handelingen die in overeenstemming zijn met de huwelijkse voorwaarden, ook handelingen hebben verricht die afwijken van de huwelijkse voorwaarden, en dat deze handelingen, onder het daarop toepasselijke Spaanse huwelijksgoederenrecht, vormen van (mogelijke) gemeenschappen hebben doen ontstaan, die voor verdeling in aanmerking dienen te komen.

9. De rechtbank heeft geoordeeld dat het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten wordt beheerst door Nederlands recht als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten kort na de huwelijkssluiting. Aangezien het huwelijk van partijen is gesloten op 29 januari 1981 en derhalve vóór de inwerkingtreding op 1 september 1992 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (Verdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988 nr. 130), heeft de rechtbank, gelet op art. 21 lid 1 van dit verdrag, kennelijk het voordien geldende commune conflictenrecht toegepast en haar oordeel gegrond op de verwijzingsregeling die is geformuleerd in HR 10 december 1976, NJ 1977, 275 nt. JCS (Chelouche/Van Leer) en, wat de aanknoping aan de gemeenschappelijke nationaliteit der echtgenoten betreft, is gepreciseerd in HR 6 december 1991, NJ 1992, 669 nt. JCS. Zie I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2e dr. 2003, nr. 64 en 68; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal privaatrecht, 9e dr. 2008, nr. 142 en 144. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat het oordeel van de rechtbank omtrent het op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten toepasselijke recht in hoger beroep is bestreden. Het hof was derhalve aan dit oordeel gebonden. Vgl. HR 31 mei 2002, NJ 2003, 344 nt. ThMdB. Zie voorts P.M.M. Mostermans, De processuele behandeling van het conflictenrecht, diss. 1996, blz. 157-159.

10. Anders dan het middel kennelijk wil doen geloven, ging het commune conflictenrecht, evenals thans het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, uit van het eenheidsstelsel: het door de conflictregel als toepasselijk aangewezen rechtsstelsel beheerst in beginsel het gehele vermogen van de echtgenoten, ongeacht in welk land vermogensbestanddelen zijn gelegen (of verworven). Vgl. Joppe, a.w., nr. 98. De door het middel betrokken stelling dat de door de echtgenoten in Spanje in afwijking van de huwelijkse voorwaarden verrichte handelingen onder het daarop toepasselijke Spaanse huwelijksgoederenrecht vormen van (mogelijke) gemeenschappen hebben doen ontstaan, die voor verdeling in aanmerking dienen te komen, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan daarom geen doel treffen.

11. Middel II bouwt in zijn stelling dat naar Spaans huwelijksgoederenrecht de verdeling dient te volgen van "al hetgeen partijen in enig verband hebben verricht aan economische handelingen", rechtstreeks voort op middel I en zal het lot daarvan moeten delen.

12. Middel III verwijt het hof geen kenbare aandacht te hebben besteed aan (art. 6 van) de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime.

13. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Aangezien partijen in 1981, derhalve vóór de inwerkingtreding van deze wet op 1 september 1992 zijn gehuwd, is ingevolge de overgangsbepaling van art. 12 lid 2 de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime niet van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,