Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI4154

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
07/13598
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI4154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over verdeling van de huwelijksgemeenschap; verdeling op de voet van art. 3:185 BW; peildatum; 81 RO

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 911
JWB 2009/304
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 07/13598

Mr. Huydecoper

Zitting van 15 mei 2009

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerster]

verweerster in cassatie

1. Het gaat in deze zaak in cassatie (in de feitelijke instanties waren vele andere geschilpunten aan de orde) alleen om de vraag of het hof voor de waardering van twee tussen partijen te verdelen woningen de juiste peildatum heeft gehanteerd.

De beperkte omvang van het geschil en wat in de middelen te berde wordt gebracht, brengen volgens mij mee dat met een enigszins verkorte conclusie kan worden volstaan.

2. Zoals al even werd opgemerkt, hebben de partijen - gewezen echtgenoten, getrouwd in 1985 en gescheiden door inschrijving van de desbetreffende beschikking in 2001 - in de eerdere instanties geschillen over een groot aantal punten betreffende de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen waarin zij waren gehuwd, ter beoordeling voorgelegd. In cassatie is nog maar één van de geschilpunten aan de orde, namelijk de waardering van de twee woningen die partijen moesten verdelen; en dan vooral: de daarbij in aanmerking te nemen peildatum.

3. Van de beslissing die het hof op het genoemde punt in appel heeft gegeven heeft de eiser tot cassatie, [eiser], tijdig(1) en regelmatig cassatieberoep laten instellen. Van de kant van de verweerster in cassatie, [verweerster], is tot verwerping geconcludeerd. [Verweerster] heeft haar standpunt schriftelijk laten toelichten (van de kant van [eiser] is van toelichting afgezien).

4. De beide cassatiemiddelen klagen er over dat het hof een peildatum voor de waardering van de (twee) te verdelen woningen heeft vastgesteld, terwijl - volgens deze middelen - de rechtbank in de eerste aanleg al een peildatum zou hebben vastgesteld, en tegen die vaststelling in appel geen bezwaar zou zijn ingebracht.

5. Uit het dossier blijkt dat namens [verweerster] in de appelinstantie bij pleidooi (op 29 mei 2006) is meegedeeld dat verdeling van de in geding zijnde woningen op 16 juni 2005 had plaatsgehad, en dat van [verweerster]'s kant toen het standpunt is betrokken dat die datum voor de waardebepaling moest worden aangehouden - zie alinea's 5 en 6 van de pleitnota.

In het door het hof op 27 juli 2006 gewezen tussenarrest wordt in rov. 4.9 geconstateerd dat bij gelegenheid van de pleidooien is gebleken dat de woningen op 16 juni 2005 zijn toegedeeld; en wordt, na bespreking van de argumenten die partijen dienaangaande hadden aangevoerd, geoordeeld dat een waardering van de woningen per datum van toedeling in aanmerking komt.

6. In rov. 2.1 van het eindarrest van 6 september 2007 stelt het hof vast dat de proceshouding van partijen aanleiding geeft voor de constatering dat zij - partijen - uitgaan van de door het hof in het tussenarrest genoemde tijdstippen van waardering. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden.

Dat zo zijnde, kon het hof tot uitgangspunt nemen dat er tussen partijen geen geschil meer bestond betreffende de peildatum voor de waardering van de woningen(2). Ook al zou het zo zijn dat de kwestie van de hierbij in aanmerking te nemen peildatum niet door de grieven aan de orde werd gesteld (en ik denk dat dat inderdaad niet is gebeurd) en dat de rechtbank daarover wél een oordeel heeft gegeven, rechtvaardigde dit, dat dit nieuwe gegeven in de appelinstantie in de beoordeling werd betrokken.

7. Het middel bestrijdt, terecht, niet dat de datum van verdeling(3) in het algemeen het meest in aanmerking komt als "peildatum" voor de waardering van te verdelen activa of passiva(4).

Met die gegevens voor ogen is er op de beslissing van het hof niets aan te merken: het hof mocht dan wel moest er van uit gaan dat (ook) partijen de in het tussenarrest omschreven waarderingstijdstippen hadden aanvaard; en het hof heeft met recht aansluiting gezocht bij de regel dat waardering van activa per de datum van verdeling het meest in aanmerking komt.

8. Op het hiervóór besprokene stuiten de klachten van de middelen volgens mij alle af.

Dat, zoals Middel 1 aanvoert, de kwestie van de peildatum niet in de grieven was betrokken staat er niet aan in de weg dat het hof dat gegeven wél in zijn beoordeling betrekt wanneer een partij dat in een later stadium alsnog te berde brengt en partijen ermee blijken in te stemmen dat van het in dat opzicht aangevoerde wordt uitgegaan. Middel 2 komt, al worden daar enige nadere stellingen bij te berde gebracht, in essentie op hetzelfde neer als Middel 1: de rechtbank zou een verdeling aan de hand van een bepaalde peildatum hebben vastgesteld; en bij gebreke van daartegen gerichte grieven was het hof hieraan gebonden. Dat is dus bij de hiervóór besproken verdere (processuele) ontwikkelingen niet zo.

9. Ik merk nog op dat in alinea 2.2 van de cassatiedagvaarding beroep wordt gedaan op de stelling dat er al op 5 juni 1999 overeenstemming over een partiële verdeling van de huwelijksgemeenschap, met name wat betreft de twee woningen, zou zijn bereikt. Deze stelling is onverenigbaar met de in alinea's 5 en 6 hiervóór genoemde vaststellingen van het hof. Feitelijke grondslag daarvoor ontbreekt dus.

10. Het cassatieberoep zou daarom volgens mij moeten worden verworpen. Ik zie geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke gang van zaken als het gaat om de proceskosten - te weten, in het geval van geschillen tussen (gewezen) echtgenoten: dat die kosten worden gecompenseerd.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het in cassatie bestreden eindarrest is van 6 september 2007. De cassatiedagvaarding werd op 5 december 2007 uitgebracht. Ik wijs er volledigheidshalve op dat het hof bij arrest van 8 november 2007 een kennelijke fout in het eerdere arrest heeft hersteld. Dit is in cassatie niet aan de orde.

2 Het gaat hier dus niet (slechts) om het aanvaarden van de rechtsstrijd op basis van een "nieuwe grief", maar om het zonder meer als maatstaf accepteren van het gegeven dat in de "nieuwe grief" wordt geponeerd. Het gegeven in kwestie is dan geen voorwerp van een rechtsstrijd: het wordt met instemming van de betrokkenen als uitgangspunt aanvaard. Dat gaat verder dan het aanvaarden van de rechtsstrijd op een nieuwe, verruimde grondslag: dan accepteert men (alleen) dat de materie waarover geschil bestaat, wordt uitgebreid. Zie over dat laatste bijvoorbeeld: HR 23 september 2005, JBPr 2006, 19, rov. 3.4 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4 2009, nrs. 107 en 108. Zie over de beoordelingsmaatstaf van "ondubbelzinnige toestemming" ook HR 22 juni 2007, NJ 2007, 344, rov. 3.7.

3 Het lijkt mij zeer aannemelijk dat het hof met de uitdrukking "toedeling" tot uitdrukking heeft willen brengen wat in de aanstonds aan te halen rechtspraak meestal "verdeling" wordt genoemd. (Overigens kan men betwijfelen of het hof (en ook partijen op het voetspoor van het hof) niet, in afwijking van de leer uit het aanstonds aan te halen arrest van 8 december 2006, zich voor de peildatum heeft/hebben georiënteerd naar een datum waarop levering plaatsvond, in plaats van naar een (eerder liggende) datum waarop verdeling werd bevolen of minnelijk vastgesteld. Maar dit punt kan in cassatie al daarom blijven rusten, omdat de middelen daar niet over klagen.)

4 HR 23 november 2007, NJ 2007, 624, rov. 3.2 en 3.3; HR 8 december 2006, NJ 2006, 660, rov. 3.5; HR 24 oktober 2003, rechtspraak.nl LJN AL7035, rov. 3.5.2; HR 22 september 2000, NJ 2000, 643, met verwijzing naar (alinea 2.7 van) de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent.