Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI3888

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
07/11412
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI3888
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Ontbreken processtukken. 2. Bewijs medeplegen voorhanden hebben van een vuurwapen. Ad 1. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437.2 Sv, genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. HR LJN AO8819 en - thans ook - art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de HR 2008, Stcrt. 147). I.c. is niet gebleken dat de raadsman een dergelijk verzoek heeft gedaan, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Ad 2. Het Hof heeft kennelijk afgeleid en ook kunnen afleiden dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 389
RvdW 2009, 921

Conclusie

Nr. 07/11412

Mr. Machielse

Zitting 12 mei 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 10 oktober 2006 voor medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden.

2. Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de pleitnotities, die volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep daar zouden moeten zijn ingevoegd, ontbreken.

3.2. Het middel kan niet tot cassatie leiden gezien HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004, 465, en art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt.147.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het bewijs van het tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Verdachte was slechts passagier in de auto waarin het wapen is gevonden. Niet staat vast op welk moment dat wapen in de auto terecht is gekomen, noch of verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen in die auto.

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"hij op 28 januari 2003 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Ruger SP 101, kal 9mm parabellum), voorhanden heeft gehad."

4.3. Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2006.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 28 januari 2003 heb ik met [betrokkene 1] getraind. Na de training ging ik met [betrokkene 1] met de auto langs zijn huis in [plaats]. Ik zat aan de pass├Ągierszijde in de auto. Daama gingen we naar Amstelveen. Bij het benzinestation stapte ik uit. [Betrokkene 1] ging tanken. De politieagenten vroegen of de auto van [betrokkene 1] was. [Betrokkene 1] ontkende en zei dat de auto ook niet van mij was.

2. Een fotokopie van een proces-verbaal met nummer 2003025838-5 van 28 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 15-17).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

als verklaring van verbalisant voomoemd:

Op 28 januari 2003 stelde ik een onderzoek in op de parkeerplaats van het tankstation Esso te Amstelveen. Toen ik naar het tankstation liep zag ik bij de benzinepomp een motorvoertuig staan, een Opel Vectra. Ik hoorde dat dit motorvoertuig in werking was en dat de verlichting brandde, terwijl ik geen bestuurder en/of passagiers zag zitten. Ik liep vervolgens het tankstation binnen. Ik zag dat de medewerker van het tankstation achter de kassa zat. Ik zag een drietal personen in het tankstation. Ik vroeg aan de andere twee personen van wie de Opel Vectra was. Deze twee personen reageerden ontkennend en verlieten het tankstation. Ik liep vervolgens naar de Opel Vectra. Ik keek zonder de Opel Vectra te openen naar binnen en zag voor de bestuurdersstoel een op een echte revolver gelijkende zilverkleurige revolver liggen. Hierop opende ik het portier van de Opel Vectra en zette de motor uit en deed met de afstandsbediening de deuren op slot. Direct hierop nam ik contact op met de meldkamer. Toen de collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse kwamen ben ik met de collega's het tankstation binnengelopen. Ik hoorde dat voomoemde collega's de medewerker van het tankstation vroegen omtrent het signalement van de bestuurder van de Opel Vectra. Ik hoorde deze medewerker zeggen dat het een grote man in licht trainingspak was en een kleinere man. Dit waren de twee personen die ik gevraagd had of zij wisten van wie de Opel Vectra was. De gaf het signalement door aan de inmiddels ter plaatse gekomen collega's. Vervolgens werd een van de personen aangehouden. Toen ik de aangehouden verdachte zag, herkende ik hem voor 100 % als de persoon aan wie ik in het tankstation had gevraagd van wie de Opel Vectra was. Deze persoon heeft opgegeven te zijn: [betrokkene 1].

3. Een fotokopie van een niet door de getuige ondertekend proces-verbaal met nummer 2003025838-8 van 28 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 18-19)

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in: als verklaring van getuige [getuige 1] op 28 januari 2003 afgelegd tegenover verbalisant voomoemd:

lk ben werkzaam als kassamedewerker in het tankstation van Esso aan de oostzijde van de Beneluxbaan (het hof begrijpt: te Amstelveen). Op 28 januari 2003 was ik alleen werkzaam achter de kassa. Omstreeks 20:30 uur zag ik een auto het terrein van het tankstation oprijden. De zag dat de auto stopte bij de benzinepomp langs de rijbaan van de Beneluxbaan naast het gebouw van het tankstation. Ik zag dat vanaf de bestuurdersplaats een man uitstapte. Ik zag dat de man ging tanken. Ik zag vervolgens dat er een jongen uit dezelfde auto stapte vanaf de pass├Ągierszijde. Nadat de man klaar was met tanken zag ik beide mannen het tankstation binnenkomen.

4. Een proces-verbaal met nummer 2003119556 van 14 januari 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 1-14).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

als verklaring van verbalisant voomoemd:

Op 28 januari 2003 is de Opel Vectra, voorzien van kenteken [AA-00-BB] in beslaggenomen. Het vuurwapen dat in de Opel Vectra werd aangetroffen, een zilverkleurige revolver merk Ruger (het hof begrijpt: model) KSP931, is in beslag genomen.

5. Een kopie van een proces-verbaal met nummer 2003025838:0103 van 29 januari 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 24-25).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

als verklaring van verbalisant voomoemd:

Het op 28 januari 2003 inbeslaggenomen wapen is een revolver met de volgende kenmerken: Merk RugerSP 101, model KSP931, kaliber 9 mm Parabellum. Deze revolver is een vuurwapen, gelet op artikel 2, lid jl, van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie."

4.4. Uit deze bewijsmiddelen is af te leiden dat eerst de bestuurder [betrokkene 1] is uitgestapt en eerst daarna verdachte. Zowel verdachte als [betrokkene 1] hebben tegenover verbalisant [verbalisant 1] ontkend dat zij bij deze auto hoorden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft vervolgens een vuurwapen voor de bestuurdersstoel van de verlaten auto zien liggen. Het wapen lag daar dus kennelijk open en bloot. Verdachte en [betrokkene 1] hebben vervolgens het tankstation verlaten zonder de auto mee te nemen.

4.5. Het hof heeft kennelijk uit het feit dat zowel verdachte als [betrokkene 1] hebben ontkend dat zij enige band met de auto hadden afgeleid dat zij niet met die auto wensten te worden geassocieerd en wel omdat beiden zich ervan bewust waren dat in de auto een vuurwapen lag.(1) Deze kennelijke slotsom acht ik voldoende gesteund te worden door de bewijsmiddelen en is naar mijn mening niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

6.1. Het derde middel klaagt dat ter terechtzitting in hoger beroep een onderbouwd standpunt is gepresenteerd waarvan het hof zonder nadere redengeving is afgeweken.

6.2. In de schriftuur is opgenomen hetgeen de advocaat van verdachte in hoger beroep zou hebben aangevoerd, maar omdat de pleitnota in hoger beroep ontbreekt kan de Hoge Raad niet controleren of hetgeen is gesteld in dit middel terecht wordt aangevoerd. De inlichtingen die zijn ingewonnen bij het hof doen vermoeden dat het verzuim de pleitnota in hoger beroep in te sturen geacht moet worden onherstelbaar te zijn. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak.(2)

7.1. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden omdat de stukken eerst op 20 juni 2008 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, terwijl het arrest is gewezen op 10 oktober 2006 en cassatie is ingesteld op 13 oktober 2006.

7.2. Het middel is gegrond, hetgeen tot verlaging van de opgelegde straf zou dienen te leiden.

8. Hetgeen ik naar aanleiding van het derde middel heb opgemerkt brengt mij ertoe te concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam om op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Voor het voorhanden hebben is nodig een "meer of mindere mate van bewustheid" van de aanwezigheid van het wapen. Zie HR 25 september 2007, LJN BA7694.

2 HR 5 december 2006, LJN AZ0688.