Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI3873

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07/10403
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI3873
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoek horen voorzitter raadkamer. Het Hof heeft het bij appelschriftuur gedane verzoek toegewezen in die zin dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld door tussenkomst van de RC schriftelijk vragen te stellen aan deze rechter. De klacht dat het verzoek is afgewezen althans dat de beslissing daarop blijkbaar (voorlopig) is aangehouden, mist feitelijke grondslag. Voor de beoordeling van het ttz. gedane verzoek om de rechter te horen heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd, te weten of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Dat oordeel is toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 428
RvdW 2009, 1019
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10403

Mr. Machielse

Zitting 12 mei 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 3 juli 2007 voor 1. en 2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, 3. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en 4. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij leider van de organisatie is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer gelast van in het arrest genoemde voorwerpen.

2. Mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de weigering van het hof de voorzitter van de raadkamer, mr. M.J.C. van Kamp, als getuige op te roepen teneinde te verklaren over de gang van zaken bij de schorsing van de voorlopige hechtenis van de medeverdachte [betrokkene 1].

3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank van 13 oktober 2004 houdt in dat de advocaat van verdachte verzocht heeft om de voorzitter van de raadkamer, mr. M.J.C. van Kamp, als getuige te horen:

"Er heeft zich thans een ontwikkeling voorgedaan waardoor de verdediging het noodzakelijk acht een getuige te doen horen. Gisteravond, na afloop van de zitting, heb ik contact gehad met de raadsman van de getuige [betrokkene 1], mr. F.J. Soriano omtrent de gang van zaken rondom de schorsing van de voorlopige hechtenis van [betrokkene 1]. Mr. Soriano heeft mij medegedeeld dat hij van een parketmedewerker te horen had gekregen dat de komst van de verdediging bij de behandeling van het schorsingsverzoek niet noodzakelijk was. Het schorsingsverzoek is op 7 juli 2003 ingediend en zou op 8 juli 2003 behandeld worden. Op 7 juli 2003 was echter al duidelijk dat [betrokkene 1] geschorst zou worden, daar aanwezigheid van de verdediging in raadkamer niet noodzakelijk was. Op een gegeven moment zou de getuige [betrokkene 1] aangehouden worden in verband met het overtreden van de voorwaarde dat [betrokkene 1] volledig en naar waarheid zou verklaren. De aanhouding was echter niet correct, aangezien de bewuste voorwaarde niet in de schorsingsbeslissing was opgenomen. De officier van justitie heeft op 7 juli 2003 het schorsingsverzoek besproken met de voorzitter van de raadkamer en expliciet met voorzitter de schorsingsvoorwaarden doorgenomen. Ik overleg hierbij een afschrift van de beschikking betreffende de schorsing van [betrokkene 1]. Het betekent mijns inziens dat alle schijn is gewekt dat de officier van justitie inhoudelijk heeft gesproken met de voorzitter van de raadkamer. Daarnaast wekt het de schijn dat de officier van justitie de rechtbank heeft beïnvloed inzake de schorsing van [betrokkene 1]. De integriteit van de rechtbank staat hiermee op het spel. Derhalve acht de verdediging het noodzakelijk de voorzitter van de raadkamer, mr. M.J.C, van Kamp, als getuige te horen. De vraag is wat zij precies met de officier van justitie heeft besproken.

Het belang voor de zaak van mijn cliënt is dat bij pleidooi zal worden aangevoerd dat het openbaar ministerie blijkens de Tijdelijke Aanwijzing Toezeggingen aan Getuigen in Strafzaken geen toezegging mag doen betreffende de schorsing van de voorlopige hechtenis. De enige toezegging die gedaan mag worden is dat de officier van justitie ter terechtzitting een lagere straf zal eisen. Onderzocht dient te worden of het openbaar ministerie de rechter heeft beïnvloed.

(...)

Door toe te zeggen dat de voorlopige hechtenis van de kroongetuige [betrokkene 1] geschorst zou worden is de overeenkomst met de kroongetuige onrechtmatig. Cliënt is het slachtoffer geworden van de onrechtmatig afgelegde verklaringen van de kroongetuige. Het openbaar ministerie zal derhalve niet ontvankelijk in de vervolging dienen te worden verklaard. In ieder geval zal deze ontoelaatbare gang van zaken tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering dienen te leiden."

De OvJ heeft hierop aldus gereageerd:

"(...)

Voorts kent de verdediging de Tijdelijke Aanwijzing Toezeggingen aan Getuigen in Strafzaken niet goed. In de Tijdelijke aanwijzing staat vermeld welke toezegging de officier van justitie mag doen, dit heeft betrekking op de strafmaat. Daarnaast staat vermeld welke toezeggingen niet gedaan mogen worden. De schorsing van een voorlopige hechtenis valt niet onder genoemde categorieën. Daar komt bij dat ik in het geval van [betrokkene 1] niet heb toegezegd dat de voorlopige hechtenis geschorst zou worden. Het enige dat ik heb gedaan, is dat ik heb medegedeeld dat ik zou meewerken aan het verzoek tot schorsing. Dit heb ik vervolgens besproken met de voorzitter van de raadkamer, mr. M.J.C, van Kamp. Blijkens de overeenkomst met de getuige [betrokkene 1] was ik hiertoe ook verplicht. De reden waarom ik dat een dag voor de behandeling in raadkamer heb gedaan is dat ik op de dag van de behandeling in raadkamer niet aanwezig kon zijn in verband met mijn vakantie. Wellicht is dit niet handig geweest. Echter, van een toezegging is geen sprake geweest. Ook de voorzitter van de raadkamer heeft geen toezegging gedaan. Zij heeft na de behandeling in raadkamer van het schorsingsverzoek zelfstandig een beslissing genomen. Indien ik op de zitting in raadkamer had toegelicht waarom ik mij niet zou verzetten tegen een schorsing, dan was de gang van zaken evenmin openbaar geweest nu dergelijke zittingen niet openbaar zijn. Inhoudelijk heb ik met de voorzitter van de raadkamer niets besproken.

Het verzoek van de verdediging geeft mijns inziens blijk van een ongezond wantrouwen. Er worden geen deals gemaakt met welke raadkamer dan ook. Het verzoek dient daarom afgewezen te worden.

Dat mr. Soriano door iemand van het parket desgevraagd te horen heeft gekregen dat hij niet ter zitting hoefde te verschijnen is mij niet bekend. Mr. Soriano wist dat ik met vakantie zou gaan en dat ik de voorzitter van de raadkamer een toelichting zou geven.

Ik heb niet gezegd dat de schorsing in orde zou komen, noch dat mr. Soriano niet hoefde te verschijnen.

U vraagt mij hoe de schorsingsvoorwaarden in de beschikking zijn gekomen. Ik heb mr. Van Kamp gezegd dat als bijzondere voorwaarde aan de beschikking moest worden verbonden dat [betrokkene 1] zich aan de overeenkomst zou houden. Later ben ik erachter gekomen dat deze voorwaarde niet in de beschikking terecht is gekomen. De beschikking heb ik zelf nooit gezien. De officier van justitie, die de raadkamer zou doen, heb ik vooraf summier de achtergronden van de zaak geschetst. Ik weet niet meer of ik toen uitdrukkelijk heb vermeld welke voorwaarden in de beschikking opgenomen dienden te worden. Aan de voorzitter van de raadkamer heb ik gemeld dat het wenselijk was dat genoemde bijzondere voorwaarde zou worden opgenomen."

Vervolgens heeft de rechtbank het verzoek van de advocaat afgewezen:

"Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede dat het verzoek van de verdediging om mr. M.J.C, van Kamp als getuige te horen wordt afgewezen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. In de overeenkomst met [betrokkene 1] is onder 2.3 opgenomen dat de officier van justitie zich jegens getuige verplicht medewerking te verlenen aan een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis en dat de officier van justitie tijdens de behandeling van het schorsingsverzoek de raadkamer zal informeren omtrent de reden van zijn processuele houding ter zake. Naar het oordeel van de rechtbank verbiedt de 'Tijdelijke aanwijzing' een dergelijke toezegging niet. Daarnaast heeft de officier van justitie ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft toegezegd dat de voorlopige hechtenis van [betrokkene 1] geschorst zou worden en dat hij dat ook niet had kunnen doen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in verband met zijn vakantie niet bij de behandeling in raadkamer aanwezig kon zijn en derhalve de voorzitter voorafgaand aan de behandeling in raadkamer te kennen heeft gegeven dat hij en waarom hij zich niet tegen het door de raadsman van [betrokkene 1] schriftelijk ingediende schorsingsverzoek verzette. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding noch noodzaak de voorzitter van de raadkamer, mr. M.J.C, van Kamp, hieromtrent als getuige te horen."

3.3. In de appelschriftuur van 8 februari 2005 en een brief van 19 januari 2006 heeft de advocaat onderzoekswensen voor het hoger beroep kenbaar gemaakt. Hij verzocht het hof de officier van justitie en de voorzitter van de raadkamer als getuige te horen om te kunnen achterhalen of de voorzitter aan de officier heeft toegezegd dat de voorlopige hechtenis van medeverdachte [betrokkene 1] zou worden geschorst. Zo een toezegging zou volgens de advocaat in strijd zijn met de Tijdelijke aanwijzing.(2) De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling dat er ongeoorloofde toezegging zijn gedaan. Overleg tussen officier en raadkamervoorzitter wegens verhindering van de officier in de raadkamer aanwezig te zijn is geen abnormale gang van zaken. Ter terechtzitting van 26 januari 2006 heeft het hof geen beslissing genomen, maar het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.

3.4. Op 13 maart 2006 is het onderzoek ter terechtzitting hervat en heeft het hof op de verzoeken van de verdediging beslist:

"De voorzitter deelt mede dat heden de beslissingen worden meegedeeld op de ter terechtzitting van 26 januari jl. behandelde verzoeken. Deze beslissingen zijn overeenkomstig hetgeen op 10 februari jl. aan de raadsman en de advocaat-generaal bij emailbericht spoedshalve is aangekondigd, welk emailbericht aan dit proces-verbaal wordt gehecht. Daarbij worden nog de volgende, deels nadere, overwegingen toegevoegd.

Het hof wijst toe het verzoek tot het horen van rechter mr. M.J.C, van Kamp in die zin dat de verdediging binnen 14 dagen na heden schriftelijk de aan mr. Van Kamp te stellen vragen dient op te geven aan de rechter-commissaris, met verzoek tot schriftelijke beantwoording van deze vragen."

In het e-mail bericht waarnaar het hof verwijst worden de beslissingen weergegeven die het hof heeft genomen op de verzoeken van de advocaat. De advocaat zal de vragen aan de rechter-commissaris op moeten geven die aan de officier van justitie worden doorgespeeld en die deze in een proces-verbaal zal dienen te beantwoorden. Het verzoek tot het horen van de voorzitter van de raadkamer is afgewezen omdat zij niet uit eigen wetenschap kan verklaren over de gestelde toezegging van de officier van justitie aan de medeverdachte [betrokkene 1].

3.5. Ter terechtzitting in appel van 6 februari 2007 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen en heeft de advocaat het verzoek tot het horen van mr. Van Kamp herhaald en aan de bestaande argumenten nog toegevoegd dat er een nieuwe situatie is ontstaan omdat de officier van justitie een schriftelijke verklaring heeft opgemaakt waarin hij heeft aangegeven dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de medeverdachte een bijzondere zaak betrof omdat het sluiten van een overeenkomst met de kroongetuige zelden voorkomt. Ook komt het niet vaak voor dat de officier van justitie na werktijd bij een rechter binnen loopt om de schorsing van verdachte bespreken. Volgens de officier zou de voorzitter van de raadkamer zich dit moeten kunnen herinneren. De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek omdat de voorzitter van de raadkamer al schriftelijk had aangegeven zich deze zaak niet meer te kunnen herinneren. De advocaat-generaal herhaalde dat het niet ongebruikelijk is dat de officier van justitie tevoren kenbaar maakt aan de raadkamer zich niet te zullen verzetten tegen opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft vervolgens het verzoek afgewezen:

"Het verzoek tot het horen van de getuige mr. Van Kamp wordt afgewezen.

Het hof overweegt daartoe dat de raadsman met het horen van voornoemde persoon als getuige kennelijk beoogt de nodige informatie te verkrijgen ter onderbouwing van het verweer dat de met de getuige [betrokkene 1] gesloten overeenkomst onrechtmatig [is]. Het hof is evenwel van oordeel dat gelet op het onderzoek dat reeds naar de rechtmatigheid van de desbetreffende overeenkomst is verricht en gelet op de in dat verband zowel mondeling als schriftelijk gehoorde getuigen zich thans voldoende informatie in het dossier bevindt om te dien aanzien te oordelen en dat gelet op de inhoud van die stukken het horen van deze getuige niet noodzakelijk is."

3.6. In de pleitnota van 19 juni 2007 is de advocaat nogmaals teruggekomen op de schorsing van de voorlopige hechtenis van medeverdachte [betrokkene 1]. Hij heeft herhaald dat de medeverdachte slechts verklaard heeft nadat hem is toegezegd dat zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst. De advocaat gaat daarin ook in op het contact dat de officier van justitie heeft gehad met de voorzitter van de raadkamer met het oog op de behandeling van het schorsingsverzoek. Hij bespreekt de schriftelijke verantwoording die officier van justitie heeft afgelegd en het antwoord op de vragen van de verdediging, gegeven door de voorzitter van de raadkamer. De advocaat herhaalt dat er sprake is geweest van schending van de Tijdelijke aanwijzing.

3.7. In zijn arrest overweegt het hof het volgende:

"Met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis van [betrokkene 1] heeft de officier van justitie mr Van Straelen in zijn proces-verbaal van 2 mei 2006 - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd.

Onderdeel van de overeenkomst tussen [betrokkene 1] en het openbaar ministerie is dat de officier van justitie medewerking zou verlenen aan een schorsingsverzoek van [betrokkene 1]. De behandeling van het desbetreffende schorsingsverzoek in raadkamer zou plaatsvinden op 8 juli 2003. Aangezien de officier van justitie in verband met zijn vakantie niet bij die behandeling aanwezig kon zijn, heeft hij de dag tevoren de voorzitter van de raadkamer, mr. Van Kamp, bezocht op haar werkkamer, haar de gang van zaken met betrekking tot de te sluiten overeenkomst met [betrokkene 1] uitgelegd en medegedeeld zich te kunnen vinden in de schorsing van diens voorlopige hechtenis. Daarna heeft de officier van justitie [betrokkene 1] bezocht in het huis van bewaring en is de overeenkomst getekend. Op 8 juli 2003 heeft de raadkamer de voorlopige hechtenis van [betrokkene 1] geschorst, waarna deze in vrijheid is gesteld. Mr. Van Kamp heeft desgevraagd bij proces-verbaal van 13 juli 2006 laten weten zich niets meer te kunnen herinneren van de zaak. Er zijn het hof noch uit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting feiten of omstandigheden gebleken of anderszins aannemelijk geworden op grond waarvan aan de juistheid van het relaas van de officier van juiste getwijfeld dient te worden.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie zijn bevoegdheden heeft overschreden. Mede gelet op het feit dat de Aanwijzing niet in de weg staat aan een toezegging als door de officier van justitie is gedaan met betrekking tot zijn medewerking aan een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis en in casu niet de feitelijke invrijheidstelling van [betrokkene 1] is toegezegd, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of van de in de Aanwijzing gegeven voorschriften. Daaraan kan niet afdoen dat [betrokkene 1] bij de politie meermalen te kennen heeft gegeven in ruil voor zijn verklaringen schorsing van zijn voorlopige hechtenis te wensen.

Aan eventuele mededelingen terzake van de voormalige raadsman van [betrokkene 1] over een ophanden zijnde schorsing kan geen betekenis worden gehecht."

3.8. In cassatieschriftuur klaagt de steller van het middel vooreerst over de beslissing van het hof, genomen bij tussenarrest van 13 maart 2006. De steller van het middel baseert zich daarbij mede op het e-mailbericht dat door griffier is verzonden naar de advocaat van verdachte.

De steller van het middel keert zich tegen deze tussenbeslissing met verschillende bezwaren. In de eerste plaats is het hof ten onrechte vooruitgelopen op hetgeen getuige mogelijkerwijs kan verklaren. Ten tweede kan volgens de raadsman de getuige wel uit eigen wetenschap verklaren over wat de officier van justitie haar heeft verteld over de toezegging aan de medeverdachte. En tot slot heeft het hof ten onrechte niet getoetst aan de maatstaf van art. 288 Sv.

3.9. Geen van deze bezwaren snijdt hout. Ik wijs er op dat de verdediging gelegenheid heeft gehad via de rechter-commissaris schriftelijk aan de voorzitter van de raadkamer haar vragen over te brengen. Het verzoek van de verdediging is dus in wezen gehonoreerd. Het hof is van oordeel kunnen zijn dat op deze wijze aan de belangen van de verdediging voldoende werd tegemoetgekomen. De vraag of het verzoek volgens de juiste maatstaf is afgewezen verdwijnt dan buiten beeld, evenals de kwestie of het hof door het verzoek af te wijzen niet is vooruitgelopen op hetgeen de getuige zal kunnen verklaren.

3.10. De verdediging heeft zich evenwel niet bij deze modus neergelegd en heeft nadien, nadat de voorzitter van de raadkamer had medegedeeld zich niets meer te kunnen herinneren, het verzoek om de voorzitter als getuige op te roepen nog herhaald. In de beslissing van het hof van 6 februari 2007 is te lezen dat het hof voldoende geïnformeerd is over de aan hem voorlegde materie en dat daarom het horen van de getuige niet noodzakelijk is.

3.11. Op dat herhaalde verzoek is artikel 263 Sv niet meer van toepassing omdat artikel 321 Sv met ingang van 1 januari 2005 is afgeschaft. Op verzoeken om getuigen, die worden gedaan nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen maar is geschorst, is het noodzakelijkheidscriterium en niet meer artikel 288 Sv voortaan van toepassing. Het hof heeft dus het juiste criterium toegepast.

Maar ook als men van mening zou zijn, met de steller van het middel, dat op 13 maart 2006 de beslissing op het verzoek van de advocaat slechts is aangehouden in afwachting van de uitkomsten van de schriftelijke ronde en dat dus het verzoek is doorgeschoven naar de volgende rechtsdag, is de uiteindelijke uitkomst, mede gezien tegen de achtergrond van wat het hof in zijn eindarrest over de schorsing van de voorlopige hechtenis van de medeverdachte heeft overwogen, inhoudelijk niet onjuist, omdat het uitgangspunt van de advocaat, dat de toezegging van de officier een schending inhoudt van de Tijdelijke aanwijzing, blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting. De toezegging door de officier van justitie staat immers niet op gespannen voet met de Tijdelijke aanwijzing, zoals blijkt uit de toelichting op deze Aanwijzing:

"De aanwijzing heeft eveneens geen betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering (beslissingen over regiem e.d.).

Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM en is van relatief geringe impact en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering."

Uit dit onderdeel van de toelichting is op te maken dat het aan de officier van justitie vrijstaat om in het kader van de bevordering van het verkrijgen van de verklaring zich niet te verzetten tegen een schorsingsverzoek van de voorlopig gehechte verdachte. En dat er hier meer is geschied dan dat de officier van justitie zich niet heeft verzet tegen honorering van het schorsingsverzoek is geenszins aannemelijk geworden. Daarbij dient voorts bedacht te worden dat de voorzitter van de raadkamer geacht kan worden uit hoofde van haar aanstelling onpartijdig zijn en haar eigen afwegingen te maken bij de beoordeling van een schorsingsverzoek.

Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

4.1. Het tweede middel klaagt over de gang van zaken rond het horen van de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 1]. Het beletten van de vragen die de strekking hadden te achterhalen of de kroongetuige [betrokkene 1] niet tevens de informant was van wie sprake was in de CIE-informatie, heeft de verdediging van de mogelijkheid beroofd op dit punt duidelijkheid te krijgen. Die duidelijkheid was van groot belang omdat als de medeverdachte inderdaad ook de CIE-informant zou blijken te zijn dat gevolgen zou moeten hebben.

4.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting op 22 mei 2007 houdt als verklaring van de getuige [betrokkene 6] onder meer in:

"De raadsman vraagt mij of

* [betrokkene 1] contacten heeft gehad met de CIE,

* ik zelf contact heb gehad met de CIE,

* ik ooit in vertrouwen met de politie heb gesproken, zonder dat dat op papier is gezet.

"

Het proces-verbaal vervolgt dan:

"De advocaat-generaal vordert het hof te beletten dat de getuige gevolg geeft aan de met het teken * gemerkte vragen, nu 1. in de beide onderhavige zaken (Impuls en Booreiland) sprake is van CIE-informatie en niet duidelijk is over welke CIE-informatie de raadsman het heeft en 2. de vragen zijn gericht op het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit van de CIE-informant en het openbaar ministerie zich altijd tegen het bekend worden van de identiteit van zo'n informant verzet. Het bekend maken van dergelijke informatie geldt binnen het openbaar ministerie als doodzonde.

De raadsman verklaart dat de CIE-informatie gemakkelijk is toe te schrijven aan [betrokkene 1] zelf en dat het juist een doodzonde zou zijn als [betrokkene 1] zowel verdachte als CIE-informant zou zijn. Vragen in dit kader zullen ook aan [betrokkene 1] zelf gesteld gaan worden. Nu is enkel aan de orde de algemene vraag aan getuige [betrokkene 6] of zij weet van contacten van [betrokkene 1] met de CIE, aldus de raadsman.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de beantwoording van evenbedoelde vragen door de getuige wordt belet, aangezien het hof, gelet op de door de raadsman gegeven toelichting, begrijpt dat deze zijn gericht op het achterhalen van de identiteit van de CIE-informant. Het hof overweegt daartoe dat uitgangspunt is dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de identiteit van een CIE-informant beschermd dient te blijven en dat ten deze geen bijzondere omstandigheden door de raadsman zijn aangevoerd die tot afwijking van genoemd uitgangspunt zouden moeten leiden."

4.3. Ter terechtzitting van 29 mei 2007 is [betrokkene 1] als getuige gehoord. Ook hier ontstond discussie over de kwestie of de getuige alle vragen van de verdediging zou moeten beantwoorden.

De getuige [betrokkene 1] heeft het volgende verklaard:

"De raadsman vraagt mij of ik ooit tegen [betrokkene 6] heb gezegd dat ik contacten had met de CIE."

Deze vraag is aanleiding voor de AG bezwaar te maken:

"De advocaat-generaal vordert het hof te beletten dat de getuige gevolg geeft aan deze vraag, nu deze gericht is op het onthullen van de identiteit van de informant. De advocaat-generaal verwijst daarbij naar de beslissing van het hof ter terechtzitting van 22 mei 2007, waarin eenzelfde vraag werd gesteld en door het hof belet.

De voorzitter deelt -gelet op hetgeen door de voorzitter eerder als uitgangspunt van het hof is medegedeeld heden na het eerste beraad in raadkamer- als beslissing van het hof mede dat evenbedoelde vraag niet door de getuige dient te worden beantwoord, aangezien het hof gelet op de door de raadsman gegeven toelichting begrijpt dat deze is gericht op het achterhalen van de identiteit van de CIE-informant. Door de raadsman zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, die moeten leiden tot een andere belangenafweging.

(...)

Mr. Jebbink, raadsman van medeverdachte [medeverdachte 7], deelt mede dat hij aan de getuige vragen wil stellen over de CIE-contacten van de getuige. Deze vragen zal hij mede namens de raadslieden van [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] stellen.

De voorzitter deelt mede dat, indien de antwoorden op deze vragen kunnen leiden tot de onthulling van de identiteit van een CIE-informant, deze vragen in beginsel zullen worden belet.

De voorzitter vraagt mr. Jebbink waarom de algemene regel zoals hiervoor door het hof geformuleerd dient te worden doorbroken.

Mr. Jebbink voert het woord aan de hand van een pleitnotitie, die bij de stukken is gevoegd. Een kopie van deze pleitnota is door de griffier in de dossiers van de verdachten [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gevoegd.

Desgevraagd door de oudste raadsheer deelt mr. Jebbink mede dat zijn verzoek betrekking heeft op alle CIE-informatie in de Impuls-zaak.

De advocaat-generaal persisteert in haar verzoek de vragen te beletten, nu onvoldoende duidelijk is wat het belang van de verdediging is bij openbaarmaking van de identiteit van de CIE-informant. Er is naar het oordeel van de advocaat-generaal in de stukken geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat enige onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, dat bewijs onrechtmatig is verkregen of dat niet naar waarheid is geverbaliseerd. Daarenboven heeft de officier van justitie verklaard dat [betrokkene 1] niet de bron is van de CIE-informatie en dat als dat anders zou zijn geweest hij de rechtbank daarover ingelicht zou hebben.

Voorts geeft de advocaat-generaal te kennen dat de bescherming van de identiteit van bronnen een zwaarwegend opsporingsbelang dient en dat de onthulling van de identiteit van de onderhavige informant verstrekkende, gevolgen heeft voor de totstandkoming en het gebruik van CIE-informatie in het algemeen.

Mr Jebbink verklaart dat beantwoording van de vragen niet alleen van belang is voor mogelijk te voeren bewijsverweren, maar ook kan leiden tot een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat bedoelde, door mr. Jebbink te stellen vragen, niet door de getuige dienen te worden beantwoord. Het hof neemt daartoe, zoals heden eerder geformuleerd, in aanmerking dat uitgangspunt is dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de identiteit van een CIE-informant beschermd dient te blijven. Het door mr. Jebbink aangevoerde verdedigingsbelang acht het hof onvoldoende om te komen tot een andere belangenafweging."

4.4. Door te overwegen en te beslissen als hiervoor is weergegeven heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de beantwoording van de vragen van de advocaten tot gevolg zou hebben dat de kans dat de identiteit van de informant bekend zou worden aanwezig was en dat het bekend worden van de identiteit van de informant een risico voor zijn veiligheid en/of voor opsporingsbelangen zou kunnen opleveren en dat het hof daarom heeft belet dat aan de vragen gevolg wordt gegeven. Dit oordeel geeft niet blijk van schending van de in het middel bedoelde wets- en verdragsbepalingen, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.(3) Met de verwijzing naar de 'bijzondere omstandigheden' heeft het hof kennelijk het oog gehad op de mogelijkheid dat er sprake zou zijn van een dubbeltelling in die zin dat een kroongetuige tevens als informant zou zijn opgetreden. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof die mogelijkheid verwerpt. Die verwerping heeft het hof kunnen doen steunen onder meer op hetgeen de AG ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd.

4.5. In zijn arrest heeft het hof voorts nog overwogen:

"Over de veronderstelling dat [betrokkene 1] de desbetreffende CIE-informant kan zijn geweest overweegt het hof het volgende.

Het hof heeft belet dat aan [betrokkene 1] terzake vragen zouden worden gesteld, omdat die - direct of indirect - zouden kunnen leiden tot het openbaar worden van de identiteit van de CIE-informant en de door de verdediging aangevoerde belangen naar het oordeel van het hof niet opwogen tegen het belang dat die identiteit geheim zou moeten blijven. Het hof overweegt in dit verband voorts dat, zoals gezegd, het proces-verbaal van 25 juni 2003 geen informatie behelsde die niet reeds in de verhoren van [betrokkene 1] naar voren was gekomen, terwijl de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzing heeft opgeleverd dat, niettegenstaande voorgaande constatering, [betrokkene 1] toch als de CIE-informant moet worden beschouwd."

Voorts is onder de kop 'Bewijsverweren' nog te lezen:

"Door de raadsman van verdachte is bepleit dat ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten vrijspraak dient te volgen. Voorts heeft hij, verkort en zakelijk weergegeven, in het bijzonder het volgende aangevoerd.

(...)

3: Er bestaat een gerechtvaardigd vermoeden dat de in de processen-verbaal van 7 augustus 2003 en 18 augustus 2003 vervatte CIE-informatie afkomstig is van een van de medeverdachten, zodat een zogeheten "dubbeltelling" niet is uitgesloten en tevens sprake kan zijn geweest van onrechtmatige infiltratie.

(...)

Ad 3)

Wat er zij van de veronderstelling dat een van de medeverdachten CIE-informant is geweest, van enige dubbeltelling kan in deze geen sprake zijn nu het hof bedoelde CIE-informatie niet voor het bewijs gebruikt. Dat in casu sprake zou zijn van infiltratie is op geen enkele wijze gebleken of anderszins aannemelijk geworden."

4.6. Ook uit het arrest spreekt de overtuiging van het hof dat de kroongetuige niet tevens is opgetreden als informant. Dat het hof tot deze overtuiging is gekomen en op basis daarvan geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht die in de weg zouden kunnen staan aan het beletten van vragen die zouden kunnen leiden tot informatie over de identiteit van de informant, is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over de onmogelijkheid voor de verdediging om de getuige [betrokkene 8] vragen te stellen.

5.2. In december 2006 heeft de rechter-commissaris in het kader van een rogatoire commissie getracht deze getuige in Venezuela te horen. Bij verschillende gelegenheden is de getuige niet verschenen, noch was iets bekend over zijn verblijfplaats. Ter terechtzitting van 31 mei 2007 heeft de advocaat-generaal meegedeeld een e-mail te hebben ontvangen van de getuige waarin deze mededeelt dat hij wegens gezondheidsredenen niet in staat is om op 7 juni 2007 ter terechtzitting verschijnen. Deze [betrokkene 8] was de directeur van een bedrijf in Venezuela, [C], dat verdachte wilde overnemen. In een afgeluisterd telefoongesprek heeft verdachte gesproken over een 'tonnetje', waarmee een geldbedrag voor [betrokkene 8] bedoeld zou zijn. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juni 2007 houdt het volgende in:

"De raadsman verzoekt het hof tot het doen horen van [betrokkene 8], eventueel bij wijze van een rogatoire commissie, nu deze de belangrijkste Venezolaanse getuige is. Hij zal vragen kunnen beantwoorden over de aankoop van [C] en het "tonnetje".

De advocaat-generaal verzet zich tegen inwilliging van het verzoek.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de verzoeken inzake (...) en b) de getuige [betrokkene 8] worden afgewezen.

(...)

Ad b) Gelet op de gezondheidstoestand van [betrokkene 8] is niet aannemelijk dat hij binnen redelijke termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Voor wat betreft het verzoek om een rogatoire commissie moet worden opgemerkt dat de rechter-commissaris al eerder tevergeefs naar Venezuela is afgereisd om onder anderen [betrokkene 8] te horen. Een hernieuwde poging om deze getuige in het buitenland te horen gaat onevenredig lang duren, terwijl van hem nog steeds geen precies adres bekend is. Mede in aanmerking genomen dat de door de advocaat-generaal overgelegde email-correspondentie met [betrokkene 8] informatie van laatstgenoemde bevat omtrent de gang van zaken bij de voorbereidingen voor de aankoop van [C] en door de verdediging de aan [betrokkene 8] te stellen vragen niet nader zijn geconcretiseerd, ziet het hof voor een rogatoire commissie geen noodzaak."

5.3. In zijn pleitnota van 19 juni 2007 is de advocaat teruggekomen op dit onderwerp. Hij herhaalt het standpunt dat de contacten met [betrokkene 8] enkel betrekking hadden op de overname van diens bedrijf en benadrukte dat de getuige zich bereid heeft verklaard om mee te werken. De advocaat suggereert nogmaals een rogatoire commissie naar Venezuela af te vaardigen, of om een videoverhoor te organiseren. Het hof heeft in zijn arrest op dit verzoek gereageerd op de volgende wijze:

"Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de legale activiteiten met betrekking tot de oprichting van [D] en de aankoop van [C] behoeft geen bespreking, nu verdachte zal worden vrijgesproken van de onderdelen van de tenlastelegging die daarop betrekking hebben.

Ten aanzien van het "tonnetje" en de uitleg die [betrokkene 8] daarover zou kunnen geven, overweegt het hof als volgt. Het hof heeft het verzoek van de verdediging ter terechtzitting om [betrokkene 8] als getuige te horen, afgewezen op de grond dat, mede gelet op de gezondheidstoestand van [betrokkene 8], niet viel te verwachten dat hij binnen redelijke termijn ter zitting zou kunnen worden gehoord, terwijl in een eerdere fase van de procedure reeds een rogatoire commissie naar Venezuela was afgereisd om ook [betrokkene 8] te horen. Voorzover al moet worden aangenomen dat [betrokkene 8] zou kunnen verklaren dat het "tonnetje" ziet op de aanbetaling van USD 100.000 en dus niet op een hoeveelheid cocaïne die vanuit Venezuela naar Nederland getransporteerd zou worden, heeft verdachte geen belang bij het horen van [betrokkene 8] nu het hof het bedoelde telefoongesprek niet gebruikt voor het bewijs. Ook het nieuwe verzoek wijst het hof af."

5.4. De steller van het middel wijst erop dat de vragen die de verdediging aan deze getuige wilde stellen niet enkel betrekking hadden op de betaling van een 'tonnetje' aan [betrokkene 8]. De antwoorden van de getuige op de vragen 7 tot en met 10 zouden ook in ander opzicht voor verdachte ontlastend kunnen zijn.

5.5. Kennisneming van het lijstje met vragen leert dat vraag 7 betrekking had op de indruk die verdachte op de getuige maakte, vraag 8 op de mate waarin het gebruikelijk is dat Nederlandse investeerders in Venezuela een machinefabriek willen kopen, vraag 9 op de bekendheid van de getuige met de interesse van verdachte in de aankoop van booreilanden en vraag 10 op eventuele eerdere contacten van de getuige met politie of justitie in verband met deze zaak.

5.6. Als feit 3 is bewezenverklaard dat verdachte

"in de periode van 1 maart 2003 tot en met 2 december 2003 in Nederland en in Venezuela, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, voor te bereiden, voorbereidingshandelingen heeft gepleegd, te weten:

zich en/of anderen gelegenheid en inlichtingen heeft getracht te verschaffen door:

- onderhandelingen te voeren en instructies te geven, telefonisch en in persoon, met betrekking tot de bouw, aankoop en/of de huur van een of meer boortorens of andere verplaatsbare installaties, waarin de cocaïne verboren kon worden, en

- te Venezuela en in Nederland besprekingen te voeren met één of meer personen die die cocaïne zouden leveren, en

- besprekingen te voeren met mogelijke transporteurs van die middelen".

5.7. De bewezenverklaring bevat geen verwijzing naar de bedrijven [D] of [C]. Alleen wordt gesproken over de mogelijke inzet van boortorens of andere installaties waarin cocaïne zou kunnen worden verborgen. Dat het hof in de vragen 7 tot en met 10 geen aanleiding geeft gevonden om alsnog te proberen de getuige op enigerlei wijze te horen wekt geen verbazing. De getuige was immers eigenaar van een machinefabriek en niet blijkt dat met hem onderhandeld is over boortorens. Ik begrijp de gedachtegang van het hof aldus dat het hof de stelling van verdachte dat de onderhandelingen met de getuige inderdaad gingen over een serieuze overname van het bedrijf van de getuige ook als uitgangspunt heeft willen nemen.

Het horen van deze getuige zou daarom geen bijdrage kunnen leveren aan de beantwoording van de vragen waardoor het hof zich gesteld zag en daarom mist verdachte belang bij het horen van deze getuige.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over het bewijs van feit 1. Als ik mij niet vergis concentreert zich dit middel op het gebruik voor het bewijs van verklaringen van [medeverdachte 1] en het feit dat het hof conclusies verbindt aan het betalen door verdachte van advocatenkosten voor medeverdachten.

6.2. Als feit 1 is bewezenverklaard dat verdachte:

" in de periode van 1 maart 2003 tot en met 1 mei 2003 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 488 kilo van een materiaal bevattende cocaïne".

6.3. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat het de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] over verdachte onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken en daaraan het volgende toegevoegd:

"Dit brengt echter niet mee dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. In het bijzonder op grond van de verklaringen van [medeverdachte 1] en de bereidheid van verdachte de advocatenkosten te betalen van een of meer verdachten die reeds in de Impulse-zaak waren aangehouden (onder wie [betrokkene 1]) is het hof van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit kan worden bewezen.

Ad 2)

a. Het hof heeft ter terechtzitting aangenomen dat [medeverdachte 1] bij de behandeling van de tegen hem ingediende ontnemingsvordering in eerste aanleg heeft verklaard zoals weergegeven door de raadsman en op grond daarvan geoordeeld dat het niet noodzakelijk was het procesverbaal van desbetreffende terechtzitting in eerste aanleg aan het dossier te doen toevoegen. Het hof heeft daarmee echter niet als zijn oordeel te kennen gegeven dat [medeverdachte 1] tegenover de politie niet naar waarheid zou hebben verklaard. Het enkele feit dat [medeverdachte 1] heeft medegedeeld eerder niet naar waarheid te hebben verklaard, is voor het hof onvoldoende om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van zijn bij de politie en in eerste aanleg als getuige in de strafzaak tegen verdachte afgelegde verklaringen. Het hof acht deze verklaringen juist betrouwbaar vanwege hun consistentie, de omstandigheid dat [medeverdachte 1] ook over zichzelf belastende informatie heeft gegeven en het feit dat de verklaringen op onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof acht deze verklaringen dan ook bruikbaar voor het bewijs."

6.4. De eerste klacht van het middel betoogt dat het feit dat verdachte de kosten van de advocaat voor anderen heeft betaald nog niets zegt over zijn betrokkenheid bij feit 1.

6.5. Uit de betaling door verdachte van de advocatenkosten voor de mensen die in verband met de invoer op 1 mei 2003 heeft het hof kennelijk afgeleid en volgens mij ook kunnen afleiden dat verdachte zich voor hen verantwoordelijk voelde en wel omdat zij zijn gepakt terwijl zij in opdracht of ten behoeve van verdachte werkten.

6.6. Volgens de steller van het middel zouden de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] voorts niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze medeverdachte bij de behandeling van de tegen hem ingediende ontnemingsvordering heeft gezegd dat zijn eerdere verklaringen niet de waarheid inhielden en als getuige in de ontnemingsprocedure tegen verdachte heeft geweigerd te verklaren.

De steller van het middel noemt de omstandigheid dat de getuige zijn oorspronkelijke belastende verklaringen later als onjuist heeft aangemerkt en heeft aangegeven dat hij eerder onjuiste verklaringen op het advies van zijn toenmalige advocaat heeft afgelegd zodanig opmerkelijk dat zij tot uitsluiting van de eerder afgelegde belastende verklaringen moet leiden nu de verdediging niet meer naar aanleiding van deze nieuwe verklaringen de getuige heeft kunnen ondervragen.

6.7. De steller van het middel doet een beroep op rechtspraak van het EHRM, waarin ik evenwel geen steun ontwaar voor de in het middel geopperde bezwaren.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de medeverdachte ter terechtzitting gehoord en heeft de verdediging hem aan de tand kunnen voelen. De verdediging heeft dus het in artikel 6 lid 3 onder d EVRM gegarandeerde recht kunnen uitoefenen. Bovendien steunt het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij feit 1 niet uitsluitend op de verklaringen van [medeverdachte 1]. Ik wijs in dit verband op de bewijsmiddelen 36 en 39, inhoudende verklaringen van [medeverdachte 3], die de verklaringen van [medeverdachte 1] ondersteunen.(4) Tot slot heeft het hof de argumenten geven waarom het van oordeel is dat de eerdere verklaringen van de medeverdachte voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen bezigen, hoewel het daartoe niet eens verplicht was.(5)

Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat het dossier niet binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

7.2. Het cassatieberoep is op 9 juli 2007 ingesteld. Het dossier is op 30 oktober 2008 ontvangen, zodat de inzendtermijn met zeven maanden en 21 dagen is overschreden. Deze schending moet leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.

8. Het vijfde middel is gegrond. De Hoge Raad zal de opgelegde straf kunnen verlagen. De overige middelen falen. Het tweede, derde en vierde middel kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met 07/10206 ([medeverdachte 7]), 07/10134 ([medeverdachte 1]), 08/00379 ([medeverdachte 3]), 08/01568 ([medeverdachte 4]) en 08/04492 ([medeverdachte 5]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer.

2 Bedoeld is de toen geldende Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Stcrt. 2001, nr. 138, blz. 8 e.v.).

3 HR 18 mei 1999, NJB 1999, p.1115, nr. 86. De rechtspraak waarop de steller van de schriftuur zich beroept had geen betrekking op vragen waarvan de beantwoording de identiteit van informanten zou kunnen onthullen.

4 HR 14 april 1998, NJ 1999, 73 m.nt. Knigge.

5 HR 9 oktober 2007, LJN BA7919.