Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI3837

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07/10134
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI3837
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafvermindering i.v.m. schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1034
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10134

Mr. Machielse

Zitting 12 mei 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 3 juli 2007 voor 2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, 3. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en 4. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer gelast van in het arrest genoemde voorwerpen.

2. Mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, heeft cassatie ingesteld. Mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Op 9 juli 2007 is cassatieberoep ingesteld, maar het dossier is eerst op 30 oktober 2008 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

3.2. Het middel is terecht voorgesteld. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is met zeven maanden en 21 dagen overschreden. Deze schending van de redelijke termijn zal dienen te leiden tot verlaging van de opgelegde straf.

4.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van het vierde feit, de deelneming aan de criminele organisatie. De verdediging heeft in feitelijke aanleg betoogd dat alleen zou kunnen worden bewezenverklaard dat verdachte deel heeft uitgemaakt van het zogenaamde Cali-kartel. In de pleitnota van 19 juni 2007 heeft mr. F.G.L. van Ardenne in de eerste plaats aangevoerd dat er geen sprake was van een in Nederland opererende organisatie, maar enkel van een aantal incidenteel samenwerkende personen rond [medeverdachte 2]. In de tweede plaats is betoogd dat de verdachte enkel deel uitmaakte van de Cali-organisatie en niet van een eventueel in Nederland bestaande criminele organisatie rond [medeverdachte 2]. De verdachte was een contactpersoon, maar verbonden aan de organisatie in Colombia.

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte

"in de periode van 1 maart 2003 tot en met 3 december 2003 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande - naast verdachte - uit [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne, waarbij de deelneming van verdachte bestond uit:

- het onderhouden van telefonische en/of persoonlijke contacten met andere leden van de organisatie; en

- het geven van opdrachten en/of aanwijzingen aan andere leden van de organisatie; en

- het ter beschikking stellen van geldbedragen aan andere leden van de organisatie;

- het, ten behoeve van de organisatie, leggen en onderhouden van contacten met leveranciers van die cocaïne in Colombia".

4.3. Hetgeen in de pleitnota van 19 juni 2007 is aangevoerd dient te worden gekarakteriseerd als een onderbouwd standpunt in de zin van het tweede lid van art. 359 Sv. Dat standpunt had de strekking dat voor feit 4 vrijspraak zou moeten volgen. Het hof heeft dat standpunt niet gehonoreerd, maar in zijn arrest het volgende overwogen:

"Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd dat geen sprake is van een duurzame en gestructureerde samenwerking met een zekere hiërarchie.

Naar het oordeel van het hof wordt het gevoerde verweer op toereikende wijze weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt in het bijzonder dat verdachte zich gedurende langere tijd in georganiseerd verband bezig hield met de invoer van cocaïne en dat hij daarbij optrad als leidinggevende van het samenwerkingsverband, terwijl hij optrad als de tussenpersoon van de leveranciers van de cocaïne in Colombia en met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] meewerkte aan de uitvoering van de gepleegde of te plegen misdrijven."

4.4. De klacht in cassatie dat het hof ten onrechte heeft verzuimd aan te geven aan welk specifiek samenwerkingsverband verdachte leiding zou hebben gegeven ziet over het hoofd dat het hof heeft bewezenverklaard dat hij opdrachten en/of aanwijzingen aan de andere leden van de organisatie rond [medeverdachte 2] heeft gegeven, zodat op dit punt geen onduidelijkheid kan bestaan. Ook de klacht dat het niet goed denkbaar is dat verdachte tegelijkertijd van twee criminele organisaties, de ene opererend in Colombia, de andere Nederland die kennelijk met elkaar samenwerken, lid zou kunnen zijn gaat, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet op.(2)

Dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen de in de bewezenverklaring genoemde personen met een zekere duurzaamheid en structuur en met het oogmerk om cocaïne vanuit Zuid-Amerika in Nederland te importeren, is uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer af te leiden. Ook blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte nauw samenwerkte met anderen bij het importeren van cocaïne. Hij was inderdaad een contactpersoon, maar ook financier.(3) Op verzoek van [medeverdachte 2] heeft verdachte zelfs een officiële positie gekregen in de bedrijven die ervan werden verdacht bij de smokkel van cocaïne betrokken te zijn.(4) De betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding en uitvoering van de transporten zoals die in de bewijsmiddelen naar voren komt, is zodanig dat van hem gezegd kan worden dat hij een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel deze gedragingen heeft ondersteund.(5)

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om bepaalde getuigen te horen. Het verzoek betrof runners en informanten, de officier van justitie en CIE-chefs.

5.2. De advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2007 het verzoek gedaan verschillende getuigen te horen. Het verzoek is toegelicht in een pleitnota. De afwijzing van het verzoek is door het hof als volgt gemotiveerd:

"De door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van als getuigen van de navolgende personen worden afgewezen:

- [verbalisant 5];

- [betrokkene 5];

- De runners;

- De informant(en);

- Van Straelen.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

De raadsman beoogt -naar het hof begrijpt- met het horen van voornoemde personen als getuigen de nodige informatie te verkrijgen ter onderbouwing van het te voeren verweer dat de met de getuige [betrokkene 1] gesloten overeenkomst onrechtmatig is.

Het hof is evenwel van oordeel dat gelet op het onderzoek dat naar de totstandkoming van de desbetreffende overeenkomst reeds is verricht en gelet op de in dat verband zowel mondeling als schriftelijk gehoorde getuigen zich voldoende informatie in het dossier bevindt om de rechtmatigheid van die overeenkomst te beoordelen, zodat het (nogmaals) horen van de desbetreffende getuigen niet noodzakelijk is.

In dit kader deelt de voorzitter voorts mede dat met het proces-verbaal dat is opgemaakt van het verhoor van [betrokkene 1] door tactisch opererende medewerkers van de CIE, zoals bedoeld in punt 4 van het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 5] d.d. 12 januari 2007 naar 's hofs oordeel niet anders bedoeld kan zijn dan het door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] opgemaakte proces-verbaal van 19 juni 2003. Er zijn thans geen aanwijzingen die aannemelijk maken dat door of onder regie van het CIE andere tactische verhoren hebben plaatsgevonden dan het hierboven genoemde tactische verhoor door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], waarvan genoemd proces-verbaal is opgemaakt.

Het hof verzoekt de advocaat-generaal de verdediging te voorzien van deze processen-verbaal van [verbalisant 5] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4]."

Volgens de steller van het middel heeft het hof aldus miskend dat de verdediging door het horen van de getuigen niet alleen in staat wilde worden gesteld om de regeling die getroffen is met de getuige [betrokkene 1] te toetsen, maar ook - kort gezegd - omdat nader opgemaakte processen-verbaal nog vragen hebben opengelaten en omdat de verdediging ook de betrouwbaarheid van CIE-informatie wilde kunnen onderzoeken.

5.3. De op 6 februari 2007 overgelegde pleitnota noemt 5 punten die volgens de steller in het oog zouden springen en die bij de verdediging nog vragen deden rijzen, ondanks het feit dat de chefs van de CIE en de officier van justitie alsnog processen-verbaal hebben opgemaakt. Al deze punten hebben evenwel betrekking op het gebruik van [betrokkene 1] als kroongetuige. Vervolgens gaat de pleitnota nader in op 12 vragen die samenhangen met de informatie die CIE-chef [verbalisant 5] heeft verstrekt. Het hof heeft zich in zijn overwegingen uitgelaten over een aantal van deze vragen, te weten die welke betrekking hebben op het tactisch verhoor van [betrokkene 1] door CIE-functionarissen. Van de overige vragen is mij de relevantie niet duidelijk geworden. Ook het hof is klaarblijkelijk het oordeel toegedaan geweest dat deze vragen geen relevant verband hielden met de beslissingen die het hof diende te nemen, althans dat dit verband door de verdediging niet is helder gemaakt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik merk op dat er geen informatie van de CIE voor het bewijs is gebruikt, dat zulke informatie misschien wel gediend heeft als startinformatie en als aanleiding om bijzondere aandacht te richten op bepaalde personen, maar dat de relevantie van voorafgaande CIE-trajecten en van de (on)betrouwbaarheid van de verkregen criminele inlichtingen zonder nadere redengeving ook mij niet is kunnen blijken.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte de beantwoording van vragen van de verdediging door de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 1] heeft belet.

6.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting op 22 mei 2007 houdt als verklaring van de getuige [betrokkene 6] onder meer in:

"De raadsman vraagt mij of

* [betrokkene 1] contacten heeft gehad met de CIE,

* ik zelf contact heb gehad met de CIE,

* ik ooit in vertrouwen met de politie heb gesproken, zonder dat dat op papier is gezet.

"

Het proces-verbaal vervolgt dan:

"De advocaat-generaal vordert het hof te beletten dat de getuige gevolg geeft aan de met het teken * gemerkte vragen, nu 1. in de beide onderhavige zaken (Impuls en Booreiland) sprake is van CIE-informatie en niet duidelijk is over welke CIE-informatie de raadsman het heeft en 2. de vragen zijn gericht op het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit van de CIE-informant en het openbaar ministerie zich altijd tegen het bekend worden van de identiteit van zo'n informant verzet. Het bekend maken van dergelijke informatie geldt binnen het openbaar ministerie als doodzonde.

De raadsman deelt mede dat het in casu gaat om eventuele contacten van een ex-partner van getuige [betrokkene 6] met de CIE. Deze informatie is voor de verdediging van cruciaal belang gelet op de parallellen tussen de CIE-informatie en de verklaringen van [betrokkene 1]. Daarenboven behoort het tot het eigen risico van [betrokkene 1] wanneer hij dit met [betrokkene 6], zijn ex-partner, heeft besproken. Getuige dient dan ook vrij te zijn deze informatie te geven.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de beantwoording van evenbedoelde vragen door de getuige wordt belet, aangezien het hof, gelet op de door de raadsman gegeven toelichting, begrijpt dat deze zijn gericht op het achterhalen van de identiteit van de CIE-informant. Het hof overweegt daartoe dat uitgangspunt is dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de identiteit van een CIE-informant beschermd dient te blijven en dat ten deze geen bijzondere omstandigheden door de raadsman zijn aangevoerd die tot afwijking van genoemd uitgangspunt zouden moeten leiden.

De raadsman herhaalt zijn vragen aan de getuige of haar ex-partner haar ooit heeft verteld over CIE-contacten danwel of zij zelf contacten met de CIE heeft gehad. De raadsman deelt aansluitend mede dat een bevestigend antwoord op één of beide vragen impliceert dat het hof mogelijk wordt misleid doordat CIE-informatie is verschaft door een toenmalige verdachte in de zaak. Ook het openbaar ministerie zou in dat geval openheid van zaken zou moeten geven.

De advocaat-generaal vordert het hof te beletten dat de getuige antwoord geeft op de vragen. Er behoren in beginsel geen vragen beantwoord te worden die (kunnen) leiden tot het bekend worden van een CIE-informant. Het antwoord op de eerste vraag van de raadsman leidt -via een omweg- naar beantwoording van de tweede vraag. Voorts wijst de advocaat-generaal erop dat reeds uitgebreide vragen zijn gesteld aan de toenmalige CIE-chef [verbalisant 5] over dezelfde kwestie en dat een aantal vragen om dezelfde redenen zijn belet door de rechter-commissaris.

Ten aanzien van de tweede vraag voegt de advocaat-generaal toe dat bij de verdediging het vermoeden bestaat van "dubbeltelling". Hiervan is naar het oordeel van de advocaat-generaal evenwel nooit sprake, aangezien CIE-informatie niet tot bewijs mag dienen.

De raadsman zegt hierop dat voor [verbalisant 5] andere regels gelden en dat het hier informatie betreft waarvan het geheim reeds is prijsgegeven, namelijk aan de getuige [betrokkene 6]. Het gaat in casu niet om mogelijke dubbeltellingen, maar om eventuele misleiding. Met andere woorden: het betreft hier een rechtmatigheidsverweer. Bovendien is de veiligheid van de informant niet in het geding terwijl het opsporingsbelang in casu geen rechtens te respecteren belang is.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat evengenoemde vragen niet door de getuige zullen worden beantwoord, aangezien het hof gelet op de door de raadsman gegeven toelichting begrijpt dat ook deze vragen zijn gericht op het achterhalen van de identiteit van de CIE-informant.

Bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot afwijking van het eerder vermelde uitgangspunt zijn door de raadsman niet aangevoerd. Het staat niet vast dat bij beantwoording van die vragen de veiligheid van de informant niet in het geding zou zijn, terwijl opsporingsbelangen wel degelijk aan de orde zijn."

6.3. Ter terechtzitting van 29 mei 2007 is [betrokkene 1] als getuige gehoord. Ook hier ontstond discussie over de kwestie of de getuige alle vragen van de verdediging zou moeten beantwoorden.

De getuige [betrokkene 1] heeft het volgende verklaard:

"De raadsman vraagt mij of ik ooit tegen [betrokkene 6] heb gezegd dat ik contacten had met de CIE."

Deze vraag is aanleiding voor de AG bezwaar te maken:

"De advocaat-generaal vordert het hof te beletten dat de getuige gevolg geeft aan deze vraag, nu deze gericht is op het onthullen van de identiteit van de informant. De advocaat-generaal verwijst daarbij naar de beslissing van het hof ter terechtzitting van 22 mei 2007, waarin eenzelfde vraag werd gesteld en door het hof belet.

De voorzitter deelt -gelet op hetgeen door de voorzitter eerder als uitgangspunt van het hof is medegedeeld heden na het eerste beraad in raadkamer- als beslissing van het hof mede dat evenbedoelde vraag niet door de getuige dient te worden beantwoord, aangezien het hof gelet op de door de raadsman gegeven toelichting begrijpt dat deze is gericht op het achterhalen van de identiteit van de CIE-informant. Door de raadsman zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, die moeten leiden tot een andere belangenafweging.

Mr. Jebbink, raadsman van medeverdachte [medeverdachte 7], deelt mede dat hij aan de getuige vragen wil stellen over de CIE-contacten van de getuige. Deze vragen zal hij mede namens de raadslieden van [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] stellen.

De voorzitter deelt mede dat, indien de antwoorden op deze vragen kunnen leiden tot de onthulling van de identiteit van een CIE-informant, deze vragen in beginsel zullen worden belet.

De voorzitter vraagt mr. Jebbink waarom de algemene regel zoals hiervoor door het hof geformuleerd dient te worden doorbroken.

Mr. Jebbink voert het woord aan de hand van een pleitnotitie, die bij de stukken is gevoegd. Een kopie van deze pleitnota is door de griffier in de dossiers van de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gevoegd.

Desgevraagd door de oudste raadsheer deelt mr. Jebbink mede dat zijn verzoek betrekking heeft op alle CIE-informatie in de Impuls-zaak.

De advocaat-generaal persisteert in haar verzoek de vragen te beletten, nu onvoldoende duidelijk is wat het belang van de verdediging is bij openbaarmaking van de identiteit van de CIE-informant. Er is naar het oordeel van de advocaat-generaal in de stukken geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat enige onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, dat bewijs onrechtmatig is verkregen of dat niet naar waarheid is geverbaliseerd. Daarenboven heeft de officier van justitie verklaard dat [betrokkene 1] niet de bron is van de CIE-informatie en dat als dat anders zou zijn geweest hij de rechtbank daarover ingelicht zou hebben.

Voorts geeft de advocaat-generaal te kennen dat de bescherming van de identiteit van bronnen een zwaarwegend opsporingsbelang dient en dat de onthulling van de identiteit van de onderhavige informant verstrekkende, gevolgen heeft voor de totstandkoming en het gebruik van CIE-informatie in het algemeen.

Mr Jebbink verklaart dat beantwoording van de vragen niet alleen van belang is voor mogelijk te voeren bewijsverweren, maar ook kan leiden tot een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat bedoelde, door mr. Jebbink te stellen vragen, niet door de getuige dienen te worden beantwoord. Het hof neemt daartoe, zoals heden eerder geformuleerd, in aanmerking dat uitgangspunt is dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de identiteit van een CIE-informant beschermd dient te blijven. Het door mr. Jebbink aangevoerde verdedigingsbelang acht het hof onvoldoende om te komen tot een andere belangenafweging."

6.4. Door te overwegen en te beslissen als hiervoor is weergegeven heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de beantwoording van de vragen van de advocaten tot gevolg zou hebben dat de kans dat de identiteit van de informant bekend zou worden aanwezig was en dat het bekend worden van de identiteit van de informant een risico voor zijn veiligheid en/of voor opsporingsbelangen zou kunnen opleveren en dat het hof daarom heeft belet dat aan de vragen gevolg wordt gegeven. Dit oordeel geeft niet blijk van schending van de in het middel bedoelde wets- en verdragsbepalingen, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.(6)

Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat het hof de regeling die getroffen is met medeverdachte [betrokkene 1] niet heeft afgekeurd. De verdediging heeft gewezen op vele gebreken die kleven aan de afspraak. De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zouden niet zijn gerespecteerd omdat er ook andere manieren waren om achter de waarheid te komen behalve het maken van afspraken met deze getuige.

7.2. Het hof heeft zijn arrest dienaangaande het volgende overwogen:

"Door de verdediging gevoerde verweren;

Verweren met betrekking tot de overeenkomst gesloten op 7 juli 2003 tussen de Staat der Nederlanden en [betrokkene 1]

Door de verdediging is aangevoerd dat de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en de getuige [betrokkene 1] onrechtmatig is aangezien niet is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit terwijl de Centrale toetsingscommissie is misleid door de officier van justitie. De resultaten van die overeenkomst kunnen primair niet voor het bewijs worden gebezigd; subsidiair dient een en ander te leiden tot strafvermindering.

Naar aanleiding van deze verweren overweegt het hof als volgt.

Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en [betrokkene 1] was de Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken van 17 juli 2001 (Stcrt. 2001, 138), welke op 1 augustus 2001 in werking is getreden (verder: de Aanwijzing), van toepassing.

Ingevolge de Aanwijzing is de officier van justitie bevoegd een overeenkomst te sluiten met een getuige die tevens verdachte of veroordeelde is en in dat kader toezeggingen te doen, indien dat dringend noodzakelijk is voor de opsporing, waaronder de vervolging is begrepen, en indien de feiten, tot opheldering waarvan die opsporing dient, niet of niet tijdig met andere opsporingsmethoden kunnen worden opgespoord. Als toelaatbare toezeggingen aan een getuige die tevens verdachte is, worden in de Aanwijzing in verband met het vorderen van een gevangenisstraf die lager is dan op grond van de tenlastelegging zou zijn gevorderd, genoemd: vermindering van de te vorderen straf met ten hoogste een derde, omzetting van ten hoogste een derde gedeelte van een onvoorwaardelijke straf in een voorwaardelijk gedeelte, en vervanging van ten hoogste een derde gedeelte van de vrijheidsstraf door een werkstraf of een geldboete.

Nadat [betrokkene 1] in de periode van 1 mei 2003 (de dag van zijn aanhouding in de zogeheten Impulse-zaak, waarbij een partij van 488 kilogram cocaïne is aangetroffen) tot en met 14 mei 2003 bij de politie verschillende malen was gehoord, heeft hij bij gelegenheid van zijn verhoor op 12 juni 2003 (proces-verbaal van 13 juni van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]) te kennen gegeven dat hij een deal met het openbaar ministerie wilde sluiten in ruil voor belastende verklaringen over een omvangrijk intemationaal netwerk dat zich met drugs bezig hield en over twee personen die in dat netwerk "heel groot" waren. In het kader van de totstandkoming van de overeenkomst met het openbaar ministerie heeft [betrokkene 1] op 19 juni 2003 een verklaring afgelegd ten overstaan van [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden CIE-rechercheurs die geen bemoeienis hadden met het tactisch onderzoek in de Impulse-zaak; op 26 en 27 juni 2003 en op 3 juli 2003 is [betrokkene 1] gehoord door opsporingsambtenaren, die zich wel bezig hielden met het tactisch onderzoek. Op 7 juli 2003 is de overeenkomst russen [betrokkene 1] en het openbaar ministerie gesloten. Ter nakoming daarvan heeft de officier van justitie in de strafzaak tegen [betrokkene 1] gevorderd dat aan hem 4 jaar -in plaats van 6 jaar- gevangenisstraf zou worden opgelegd, welke eis door de rechtbank is gevolgd. Voorts heeft de officier zich in de bedoelde overeenkomst verplicht "medewerking te verlenen aan een verzoek aan de zijde van de getuige tot schorsing van de voorlopige hechtenis".

Door de officier van justitie mr Van Straelen is over de totstandkoming van de overeenkomst gerelateerd bij proces-verbaal van 2 juli 2004 en proces-verbaal van 2 mei 2006. De totstandkoming van de overeenkomst vond plaats in een periode dat het openbaar ministerie over weinig aanknopingspunten voor nader onderzoek beschikte. Naast [betrokkene 1] waren alleen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aangehouden, en allen ontkenden elke betrokkenheid bij de gevonden partij cocaïne van 488 kilogram, een hoeveelheid die duidde op een ernstig strafbaar feit in georganiseerd verband begaan waarop meer dan acht jaar gevangenisstraf is gesteld. De op dat moment voorhanden gegevens van de zendmasten in de omgeving van het [...]-terrein, de bezoekerspassen van het [...]-terrein, de telefoongegevens van de aangehouden verdachten en de doorzoekingen van hun woningen, hun auto's en de loods van [betrokkene 1] leverden evenmin voldoende informatie op voor nadere opheldering van het feit.

Nadat [betrokkene 1] drie verklaringen had afgelegd in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst met het openbaar ministerie, te weten op 19, 26 en 27 juni 2003, kreeg de officier van justitie op 1 juli 2003, derhalve voordat de overeenkomst werd gesloten, de beschikking over een proces-verbaal van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van 25 juni 2003. De daarin vervatte CIE-informatie hield in, dat de aangetroffen partij cocaïne bestemd was voor [betrokkene 2], de persoon die door [betrokkene 1] al was genoemd als de belangrijkste verdachte in de Impulse-zaak. Gelet op het summiere karakter van deze informatie en op het feit dat deze reeds uit de verhoren van [betrokkene 1] naar voren was gekomen, en in aanmerking genomen dat de informatie afkomstig was van een informant, wiens identiteit ook voor opsporingsambtenaren belast met het tactisch onderzoek geheim blijft, hoefde de officier van justitie daarin naar het oordeel van het hof geen aanleiding te zien de onderhandelingen met [betrokkene 1] te beëindigen.

Over de veronderstelling dat [betrokkene 1] de desbetreffende CIE-informant kan zijn geweest overweegt het hof het volgende.

Het hof heeft belet dat aan [betrokkene 1] terzake vragen zouden worden gesteld, omdat die -direct of indirect- zouden kunnen leiden tot het openbaar worden van de identiteit van de CIE-informant en de door de verdediging aangevoerde belangen naar het oordeel van het hof niet opwogen tegen het belang dat die identiteit geheim zou moeten blijven. Het hof overweegt in dit verband voorts dat, zoals gezegd, het proces-verbaal van 25 juni 2003 geen informatie behelsde die niet reeds in de verhoren van [betrokkene 1] naar voren was gekomen, terwijl de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzing heeft opgeleverd dat, niettegenstaande voorgaande constatering, [betrokkene 1] toch als de CIE-informant moet worden beschouwd.

Het hof is van oordeel dat onder voomoemde omstandigheden de (totstandkoming van de) overeenkomst met [betrokkene 1] voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De enkele omstandigheid dat de Centrale toetsingscommissie (CTC), die de overeenkomst met [betrokkene 1] heeft goedgekeurd, bij haar beoordeling van de concept-overeenkomst niet de beschikking had over voormeld proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 13 juni 2003, brengt niet mee dat de overeenkomst op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. Weliswaar heeft [betrokkene 1] blijkens dat proces-verbaal gesproken over "twee personen" die "heel groot" zouden zijn in het internationale netwerk dat zich met drugs bezig hield, en heeft hij in latere verklaringen in dat kader slechts over één persoon gesproken -hetzij [betrokkene 2] hetzij [medeverdachte 2]-, maar eerstgenoemde opmerking maakt deel uit van een uitgebreidere verklaring van [betrokkene 1] en heeft daarin als zodanig niet een specifiek prominente plaats. In zijn verklaringen van 19, 26 en 27 juni 2003 en 3 juli 2003, waarover de CTC -naar het hof aanneemt- wel de beschikking had, heeft [betrokkene 1] vervolgens uitvoerig verklaard over verschillende personen die bij de Impulse-zaak betrokken zouden zijn. Het kan dan ook niet als waarschijnlijk worden aangenomen dat de CTC haar goedkeuring aan de overeenkomst had onthouden indien zij bekend was geweest met voornoemd proces-verbaal van 13 juni 2003. Evenmin is aannemelijk geworden dat de officier van justitie bewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte dit proces-verbaal niet aan de CTC ter beschikking heeft gesteld.

De gevoerde verweren worden verworpen."

7.3. De kritiek op de afspraak die de officier van justitie heeft getroffen met [betrokkene 1] heeft ook betrekking op de schorsing van de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft zich daar niet tegen verzet. Deze houding van de officier van justitie staat niet op gespannen voet met de Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Stcrt. 2001, nr. 138, blz. 8 e.v.). De toelichting op deze Aanwijzing houdt onder meer het volgende in:

"De aanwijzing heeft eveneens geen betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering (beslissingen over regiem e.d.).

Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM en is van relatief geringe impact en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering."

Uit dit onderdeel van de toelichting is op te maken dat het aan de officier van justitie vrijstaat om in het kader van de bevordering van het verkrijgen van de verklaring zich niet te verzetten tegen een schorsingsverzoek van de voorlopig gehechte verdachte.

7.4. De overwegingen van het hof doen blijken dat het hof nauwlettend acht heeft geslagen op de voorwaarden die de Tijdelijke aanwijzing stelde. Wat betreft de toetsing aan beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid geldt, dat deze toetsing afhankelijk is van waarderingen en beoordelingen van feitelijke aard. Het hof heeft uitvoerig rekenschap afgelegd van de wijze waarop het de afspraak heeft getoetst. In cassatie kan niet worden getoetst of het oordeel van het hof juist is, maar enkel of het oordeel van het hof begrijpelijk is en niet strijdt met enigerlei rechtsregel. Het hof heeft in zijn afwegingen geen blijk ervan gegeven uitgegaan te zijn van een verkeerde rechtsopvatting. Het heeft de punten nagelopen die de Tijdelijke aanwijzing relevant acht. De uitkomst van die afweging acht ik niet onbegrijpelijk.(7)

Het middel faalt.

8. Het eerste middel is terecht voorgesteld, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf aanleiding zal dienen te geven. Ambtshalve wijs ik erop dat nu al meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook daarom de redelijke termijn in cassatie is overschreden. De overige middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

9. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met 07/10206 ([medeverdachte 7]), 07/10403 ([medeverdachte 2]), 08/00379 ([medeverdachte 3]), 08/01568 ([medeverdachte 4]) en 08/04492 ([medeverdachte 5]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer.

2 Zie HR 22 januari 2008, LJN BB7134 rov. 4.4. onder (iii).

3 Bijvoorbeeld bewijsmiddel 21, 25.

4 Bewijsmiddelen 34, 35.

5 HR 18 november 1997 NJ 1998, 225 m.nt. De Hullu.

6 HR 18 mei 1999, NJB 1999, p.1115, nr. 86. De rechtspraak waarop de steller van de schriftuur zich beroept had geen betrekking op vragen waarvan de beantwoording de identiteit van informanten zou kunnen onthullen.

7 Vgl. HR 14 december 1999, NJ 2000, 164 rov. 3.4.