Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI3437

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
08/03412
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI3437
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over limitering partneralimentatie (art. II, lid 2, WLA), motivering “geringe terugval in inkomen”.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 420
RvdW 2009, 1000
RFR 2009, 117
NJB 2009, 1620
JWB 2009/315
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 08/03412

mr. Wuisman

Parket, 24 april 2009

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons;

tegen

[De man],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

De voorliggende zaak betreft een verzoek tot beëindiging van een alimentatieverplichting, die vóór 1 juli 1994 was vastgesteld en inmiddels al 15 jaar heeft bestaan.

1. Feiten en procesverloop

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Partijen zijn op 11 juni 1980 met elkaar gehuwd. Het huwelijk, waaruit drie kinderen zijn geboren, is ontbonden geraakt op 5 maart 1992, doordat op die dag in het register van de burgerlijke stand het vonnis d.d. 5 december 1991 van de rechtbank Leeuwarden is ingeschreven, waarbij de echtscheiding tussen partijen was uitgesproken. Op 5 maart 1992 werd ook van kracht de in genoemd vonnis eveneens opgenomen veroordeling van verweerder in cassatie (hierna: de man) tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw).

(ii) Ten tijde van de ontbinding van het huwelijk was de vrouw 40 jaar oud, terwijl de kinderen van partijen rond de 4, 6 en 8 jaar oud waren.

(iii) De vrouw was aan het begin van het huwelijk fulltime werkzaam als lerares met een derdegraads bevoegdheid textiele werkvormen. Na de geboorte van het eerste kind heeft zij haar fulltime dienstverband verwisseld voor een parttime dienstbetrekking; na de geboorte van het tweede kind is zij geheel opgehouden met werken. Tijdens het huwelijk droeg de vrouw de zorg voor de feitelijke verzorging van de kinderen. Na de echtscheiding heeft zij die verzorging voortgezet, daar de kinderen bij haar bleven wonen.

(iv) De vrouw is vanaf 2000 in deeltijd werkzaam in de thuiszorg. In maart 2007 verdiende zij hiermee circa € 200,- netto per maand. De bijdrage van de man in haar levensonderhoud bedroeg toen € 883,- bruto of € 756,- netto per maand.

1.2 Bij een op 1 december 2006 bij de rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de man verzocht primair om zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw per 6 maart 2007 dan wel op een door de rechtbank te bepalen tijdstip te beëindigen, subsidiair om zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw te verlagen met ingang van genoemde datum. De man heeft aan zijn primaire verzoek ten grondslag gelegd dat de alimentatieverplichting per 6 maart 2007 reeds 15 jaren heeft geduurd, zodat hij ingevolge artikel II, lid 2 uit de Wet Limitering Alimentatie (WLA((2))) gerechtigd is de rechtbank te verzoeken de alimentatieverplichting te beëindigen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek ingediend onder meer tot verlenging van de alimentatie met een termijn van 9,5 jaar. Daartoe heeft zij, kort weergegeven, onder meer aangevoerd: dat zij in de beginjaren van het huwelijk de kostwinner was en de man zo in staat heeft gesteld zijn studie te voltooien; dat zij vervolgens haar goed betaalde baan heeft opgegeven en de man naar [plaats] is gevolgd, waar hij werk had gevonden; dat zij zich vervolgens volledig aan de opvoeding van de kinderen heeft gewijd (en de man aan zijn carrière); dat zij vanaf 1998 heeft gepoogd werk te krijgen maar daarin slechts gedeeltelijk is geslaagd; dat zij vanwege gezondheidsredenen ook niet in staat is volledig te werken; dat zij bij beëindiging van de alimentatie aanzienlijk zal terugvallen in inkomsten en aangewezen zal zijn op een uitkering uit de Wet Werk en Bijstand (WWB); ten slotte, dat zij geen aanspraak op pensioen van de man kan maken en wanneer zij 65 jaar oud wordt, een minimale pensioenuitkering zal ontvangen. De man heeft in het kader van zijn verweer de door de vrouw aangevoerde feiten wat genuanceerd en aangevoerd dat zijn alimentatieverplichting inmiddels langer loopt dan de duur van het huwelijk met de vrouw is geweest.

1.3 Bij beschikking van 19 juni 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, na eerst geoordeeld te hebben dat de beëindiging van de alimentatieverplichting voor de vrouw ingrijpend van aard zal zijn, de verplichting van de man om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw beëindigd met ingang van 6 maart 2009, daarbij bepalend dat daarna geen verdere verlenging mogelijk is.

1.4 Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de vrouw principaal en de man incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 18 juni 2008 vernietigt het hof naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep van de man de beschikking van de rechtbank en beëindigt het hof de alimentatieverplichting van de man per 5 maart 2007, maar met de bepaling dat de vrouw de eventueel door de man aan haar teveel betaalde alimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen.

1.5 De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld met een verzoekschrift dat op 8 augustus 2008 bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen. De man heeft een verweerschrift ingediend.

2. Inleidende opmerkingen

2.1 Artikel II, lid 2 WLA houdt in dat de rechter op verzoek van degene die op grond van een vóór 1 juli 1994 gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken((3)), diens verplichting beëindigt indien deze op of na de datum van vaststelling vijftien jaar of langer heeft geduurd, tenzij de rechter van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene, die tot de uitkering gerechtigd is, kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot de uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling daarvan houdt de rechter in ieder geval rekening met de volgende omstandigheden:

- de leeftijd van degene die tot uitkering gerechtigd is;

- de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

- de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

- de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

2.2 De Hoge Raad heeft in drie uitspraken van 26 maart 1999((4)) een lijn uitgezet voor de toepassing van deze regeling. Die lijn, waaraan de Hoge Raad ook in latere uitspraken heeft vastgehouden((5)), houdt het volgende in:

a. de beslissing, inhoudende dat een beroep van de alimentatiegerechtigde op voortzetting van de bijdragen aan zijn levensonderhoud na een verzoek van de alimentatieplichtige tot beëindiging van zijn alimentatieverplichting niet of slechts voor korte termijn met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van die termijn wordt gehonoreerd, zodat aan de alimentatieverplichting definitief een einde komt althans heel spoedig en de in de wet voorziene uitzondering daarop dus niet opgaat, dient aan hoge motiveringseisen te voldoen;

b. de hoge motiveringseisen brengen mee dat de rechter, mits daartoe voldoende is gesteld, moet aangeven welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze omstandigheden in de afweging heeft betrokken;

c. alle relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige dienen in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen;

d. tot de relevante omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige hoort mede diens draagkracht;

e. ter wille van de hanteerbaarheid van het systeem kan de rechter echter de vuistregel aanhouden dat, in het geval dat de beëindiging van de alimentatie-uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen tot gevolg heeft, hij in beginsel zonder meer en met name zonder in zijn motivering de verdere omstandigheden van het geval te hoeven te betrekken mag aannemen dat het beroep van de alimentatiegerechtigde op de uitzondering faalt;

f. deze vuistregel doet evenwel geen opgeld in uitzonderlijke gevallen; daarvan zal sprake zijn indien de verdere omstandigheden van het geval onmiskenbaar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep van de alimentatiegerechtigde op de uitzondering opleveren, dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken.

2.3 Bij de beoordeling of beëindiging van de alimentatieplicht voor de gerechtigde geen of slechts een relatief onbetekende terugval in inkomen ten gevolge heeft, moet in de regel worden vergeleken de situatie waarin de gerechtigde verkeert voor de verzochte datum van beëindiging van de alimentatieverplichting met de situatie waarin de gerechtigde als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren((6)).

2.4 Onder een relatief onbetekenende terugval in inkomen zal zijn te verstaan een terugval in inkomen die geen of slechts een geringe invloed zal hebben op het bestaande levensniveau van de alimentatiegerechtigde, d.w.z. op zijn/haar vermogen om met de financiële middelen, die op het moment van de verzochte datum van beëindiging van de alimentatieverplichting beschikbaar zijn, in zijn/haar levensbehoeften te voorzien. De vraag van de terugval betreft dus een aangelegenheid van vooral financiële aard, die per individueel geval door de rechter zal moeten worden beoordeeld. Cassatietechnisch gezien draagt het oordeel van de rechter dienaangaande een sterk feitelijk karakter, hetgeen beperkingen voor de toetsing in cassatie meebrengt.

2.5 Het hof is in rov. 12 van zijn beschikking van oordeel, dat beëindiging per 5 maart 2007 van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw op dat moment voor haar slechts een geringe terugval in inkomen teweeg zal brengen. Beoordeeld naar 5 maart 2007 leidt de beëindiging van de alimentatiebijdrage van de man tot een inkomensachteruitgang bij de vrouw van € 956,- netto per maand naar € 866,- netto per maand. Onder toepassing van de hierboven in 2.2, sub e, genoemde vuistregel heeft het hof vervolgens beslist de alimentatieverplichting van de man per 5 maart 2007 te beëindigen.

3. Bespreking cassatieklachten

3.1 De cassatieklachten zijn verdeeld over vijf onderdelen, die ieder weer uitgesplitst zijn in subonderdelen.

onderdeel I, subonderdeel I.7, en onderdeel III

3.2 In subonderdeel I.7 van onderdeel I en in onderdeel III wordt 's hofs berekening van genoemde terugval bestreden.

Hetgeen in subonderdeel I.7 wordt aangevoerd omtrent de hoogte van de WWB-uitkering, betreft nieuwe gegevens van feitelijke aard die in cassatie niet voor het eerst aan de orde kunnen worden gesteld. Bovendien worden gegevens van juli 2008 opgevoerd, terwijl te dezen 5 maart 2007 als peildatum geldt.

Vanwege deze laatste omstandigheid kan niet, zoals in onderdeel III gebeurt, worden gezegd dat het hof in rov. 10 ten onrechte het hogere inkomen uit arbeid van de vrouw na 5 maart 2007 niet in aanmerking neemt.

Kortom, de klachten in subonderdeel I.7 en onderdeel III treffen geen doel.

Onderdeel I, subonderdelen I.1 t/m I.6

3.3 De subonderdelen I.1 t/m I.6 van onderdeel I bevatten klachten tegen het oordeel van het hof dat de terugval van inkomen van netto € 90,- per maand een geringe terugval vormt, derhalve niet als ingrijpend is aan te merken, zodat aan een toetsing als bedoeld in de overgangsbepalingen bij de WLA niet wordt toegekomen.

3.4 Hetgeen in de subonderdelen I.1 t/m I.5 naar voren wordt gebracht komt neer op de klacht dat het hof de teruggang van het netto-inkomen van € 90,- per maand niet zonder nadere motivering als een geringe terugval in inkomen had mogen aanmerken.

3.5 Voor zover in subonderdeel I.5 ter toelichting erop wordt gewezen dat de rechtbank aan de hand van exact dezelfde gegevens tot de conclusie is gekomen dat de inkomensterugval voor de vrouw wel ingrijpend is, kan dat de vrouw niet baten. Dit reeds vanwege het feit dat de rechtbank voor de bepaling van de terugval niet van exact dezelfde gegevens is uitgegaan als door het hof aangehouden. De rechtbank heeft voor wat betreft de alimentatie-uitkering een bruto-bedrag aangehouden en het hof een netto-bedrag.

3.6 Hierboven is onder 2.4 er al op gewezen, dat van een relatief onbetekenende terugval in inkomen kan worden gesproken indien de terugval in inkomen geen of slechts een geringe invloed zal hebben op het vermogen van de alimentatiegerechtigde om te voorzien in zijn/haar levensbehoeften met de financiële middelen, die hem/haar op het verzochte tijdstip van beëindiging van de alimentatieverplichting ter beschikking staan. Welke terugval als een relatief onbetekenende terugval heeft te gelden, laat zich niet zonder meer in een percentage van terugval in inkomen uitdrukken. Een belangrijke factor voor de bepaling van de betekenis van een terugval is de hoogte van het inkomen, waarop de terugval betrekking heeft. Die hoogte bepaalt in belangrijke mate de rek die er is om bij terugval in inkomsten in de (gebruikelijke/noodzakelijke) levensbehoeften te kunnen blijven voorzien als voorheen. Bij een laag inkomen zal, zo mag als algemene ervaringsregel wel worden aangenomen, die rek als regel beperkt tot zeer beperkt zijn, in die zin dat ook een klein bedrag aan vermindering van inkomen al in een (duidelijk) voelbare mate het vermogen om in de (gebruikelijke/noodzakelijke) levensbehoeften te kunnen blijven voorzien kan aantasten.

3.7 In casu gaat het, zoals vermeld, om een netto-inkomen van de vrouw vóór 5 maart 2007 van € 956,- per maand. Dat is een inkomen, waarvan - in het algemeen gesproken - niet zal kunnen worden gezegd dat daarin veel rek zit. Het tegendeel is veel aannemelijker. Een vermindering van een dergelijk inkomen op maandbasis met € 90,- komt voorshands toch in die mate als een - uit oogpunt van het kunnen blijven voldoen aan de levensbehoeften - voelbare vermindering voor dat het hof in ieder geval zijn oordeel dat die vermindering als 'een geringe terugval' is te beschouwen, nader had dienen te motiveren. Die eis van motivering lijkt ook om deze reden op zijn plaats, dat het aanmerken van de vermindering als een 'geringe terugval' impliceert dat er aan de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw een definitief einde komt en aan beslissingen van die aard en strekking in het algemeen hoge motiveringseisen worden gesteld. Bovendien valt de onderhavige zaak ook inhoudelijk te typeren als een echt 'oud geval'.

3.8 Kortom, de hiervoor besproken klacht in de subonderdelen I.1 t/m I.5 komt gegrond voor. De gegrondheid van die klacht brengt mee dat ook opgaat de klacht in subonderdeel I.6 tegen het oordeel van het hof, dat er in casu toepassing kan worden gegeven aan de 'vuistregel' als hiervoor in 2.2, sub e, genoemd. Dit oordeel bouwt immers voort op het oordeel dat de terugval in inkomen slechts een 'geringe terugval' vormt.

onderdelen II, IV en V

3.9 Bij gegrondheid van de klachten in de subonderdelen I.1 t/m I.6 behoeven de klachten in de onderdelen II, IV en V geen behandeling. In deze onderdelen worden thema's en omstandigheden aan de orde gesteld, waarover het hof zich niet heeft uitgelaten en die in de beschouwing kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de beëindiging van de alimentatieverplichting van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1. De feiten zijn met name ontleend aan de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 19 juni 2007.

2. Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij de Wet van 28 april 1994, Stb. 325. De laatstgenoemde wet strekte tot aanpassing van het in eerstgenoemde wet voorkomende artikel II, houdende overgangsbepalingen. Met die wijziging werd voorzien in een regeling van de limitering van de alimentatieverplichting jegens een voormalige echtgenoot, die vóór 1 juli 1994 door de rechter of bij overeenkomst is vastgesteld en sedert de datum van vaststelling vijftien of meer jaren heeft geduurd.

3. De gevallen, waarin het gaat om een vóór 1 juli 1994 vastgestelde alimentatieverplichting, worden in de wandeling ook de 'oude gevallen' genoemd. Zie voor literatuur/rechtspraak over limitering van de alimentatieverplichting bij de 'oude gevallen': Th. M. Dorn, 4a, Alimentatieverplichtingen, 2008, blz. 59-64; S.F.M. Wortmann, losbladige Kluwer-bundel Personen- en familierecht (bijgewerkt tot februari 2008), art. 157, aant 5; Asser-De Boer, 2006, vooral nr. 633d; A. Heida, Het belang van de oude limiterings-uitspraken, EB Klassiek, 2003, blz. 126-133; A. Heida, Voorwaarden voor limitering van alimentatie bij 'oude gevallen' door Hoge Raad aangescherpt, EB 1999, nr. 11/12, blz. 4-7.

4. Te vinden in NJ 1999, 653, 654 en 655, m.nt. SW.

5. Zie onder meer: HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 62, rov. 3.3.1 en HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392, rov. 3.3, m.nt. SW en meer recent HR 29 september 2006, NJ 2006, 535, rov. 3.4.2; HR 12 oktober 2007, NJ 2007, 552, rov. 3.4.

6. HR 26 maart 1999, NJ 1999, 655, rov. 3.4.