Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI3410

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
09/00143 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI3410
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1237

Conclusie

Nr. 09/00143 B

Mr. Machielse

Zitting 7 juli 2009

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank te Roermond heeft op 4 november 2008 het beklag tegen de inbeslagneming van een auto, Jaguar E-type, Serie 1, chassisnummer [001], ongegrond verklaard.

2. Mr. J.D.H. van de Kraats, advocaat te Roermond, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.A.J. Delescen, eveneens advocaat te Roermond, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. Ter administratie van de Hoge Raad is nog een aanvulling op de schriftuur ontvangen met bijlagen waarvan de Hoge Raad geen kennis zal kunnen nemen, nu niet blijkt dat deze bescheiden ook aan de rechtbank zijn aangeboden.

3.1. Het eerste middel klaagt dat er geen relevante verdenking bestaat dat de auto oorspronkelijk van diefstal afkomstig is. De steller van het middel voert aan dat de politie op zoek was naar een andere auto en dat er dus geen sprake was van een rechtens relevante verdenking van een strafbaar feit, noch van een grond voor inbeslagneming. Voorts wijst de steller van het middel er op dat klager de auto privé heeft gekocht en niet uit hoofde van zijn bedrijf dat zich niet bezighoudt met de aan- en verkoop van automobielen, maar slechts met reparatie en renovatie ervan.

3.2. De rechtbank heeft als volgt overwogen:

"Het inbeslaggenomene is vatbaar voor inbeslagneming. De inbeslagneming heeft plaatsgehad overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dal de auto is aangetroffen terwijl de politie naar een andere auto zocht, doet aan de inbeslagneming niets af.

Uit de processtukken en het voorgevallene ter zitting komt naar voren dat klager een garagebedrijf heeft. De door hem gekochte auto zou naar de stelling van klager door hem als privépersoon zijn gekocht, voor eigen gebruik. Klager heeft deze stelling echter niet kunnen onderbouwen. Er is bij de aankoop geen overeenkomst opgesteld, er bestaat geen rekening van de transactie, klager beschikt niet over de eigendomspapieren van de auto en ook in de feitelijke omstandigheden (de aankoop van een oldtimer door een garagebedrijf bij een ander in de autobranche werkzaam bedrijf) kan geen onderbouwing van die stelling gevonden worden. Gelet hierop valt niet eenduidig vast te stellen dat klager de auto als privépersoon heeft gekocht van een ander bedrijf.

Belanghebbende beschikt wel over papieren behorende bij de auto zoals uit de processtukken naar voren komt. Verder is er op 2 april 2008 in Duitsland aangifte gedaan van de diefstal van deze auto op 29 maart 2008.

Uit de processtukken blijkt niet dat er sprake is van een vermeende verkoop in Duitsland van deze auto, waarna geen betaling zou hebben plaatsgevonden, zoals door klager wordt gesteld. Het enkele feit dat de auto bij de stoeprand geparkeerd stond en daar in de vooravond door een bergingsbedrijf is opgehaald, maakt niet dat onomstotelijk vaststaat dat er van diefstal geen sprake is geweest.

Gelet op het vorenstaande moet het er voor gehouden worden dat de mogelijkheid bestaat dat [A] GmbH met succes de auto kan opeisen, terwijl er zeker geen duidelijkheid bestaat dat klager een dergelijke actie van de zijde van [A] GmbH met een terecht beroep op de werking van artikel 3:86, derde lid, BW kan weerstaan.

Nu voor de rechtbank op basis van de voorliggende stukken niet eenduidig vaststaat de klager met recht een beroep kan doen op de werking van artikel 3:86, derde lid, BW en de belanghebbende beschikt over de eigendomspapieren van de auto, kan het beroep niet gegrond verklaard worden."

3.3. Tijdens het onderzoek in raadkamer op 21 oktober 2008 heeft de officier van justitie medegedeeld dat aan [A] GmbH bescherming toekomt zoals is bedoeld in art. 3:86, lid 3 BW. Daaruit is op te maken dat naar de mening van de officier van justitie het belang van strafvordering voortduring van de inbeslagneming niet meer vordert maar dat de rechtbank niet de teruggave van de auto dient te gelasten aan beslagene omdat een derde redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.(1) De rechtbank heeft zich klaarblijkelijk bij dat standpunt aangesloten.

3.4. Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt.(2) In de schriftuur worden in feite de stellingen die aan de rechtbank zijn voorgehouden herhaald. Dat de politie de auto heeft aangetroffen terwijl zij op zoek was naar een andere gestolen auto brengt niet met zich dat daarom de inbeslagneming van deze, toevallig aangetroffen, auto niet rechtmatig zou zijn. De de rechtbank heeft in het dossier aanwijzingen aangetroffen dat inderdaad de in beslag genomen auto op 29 maart 2008 in Duitsland is gestolen. De toetsing van dit oordeel is in de cassatieprocedure slechts marginaal. In feitelijke aanleg is niet gemotiveerd aangevoerd dat de gestolen auto een andere auto is dan de in beslag genomen auto. In cassatie worden geen argumenten aangedragen ter onderbouwing van het standpunt dat het oordeel van de rechtbank dat het gaat om dezelfde auto onbegrijpelijk is.

Waarom de rechtbank geen acht heeft kunnen slaan op het feit dat de verdachte niet over autopapieren beschikt, over rekeningen van de aankoop et cetera vermag ik niet in te zien. Uit bijvoorbeeld nota's kan men een aanwijzing krijgen voor de vraag of de auto is gekocht ten behoeve van verdachtes autobedrijf of verworven door verdachte als privé-persoon.

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel borduurt op het eerste voort. Ook nu wordt weer betoogd dat op geen enkele wijze vaststaat dat de auto van diefstal afkomstig is. Nu de politie op zoek was naar een andere auto staat vast dat de reivindicatie van de kant van de derde-belanghebbende [A] GmbH geen kans van slagen heeft.

De derde-belanghebbende heeft op geen enkele wijze de eigendomsrechten op de in beslag genomen auto kunnen aantonen.

4.2. De rechtbank heeft anders geoordeeld op basis van de inhoud van dossier, waaruit blijkt dat de derde-belanghebbende over papieren beschikte die horen bij de auto die is in beslag genomen.

Ook dit middel faalt.

5. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 20 januari 2009, LJN BG3554.

2 HR 10 maart 2009, LJN BG9222.