Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI2281

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
07/12595 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI2281
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. 1. Beslag op aandelen ex art. 13a WOTS. 2. Art. 359.2 Sv. Ad 1. Indien o.g.v. het in art. 13d.2 WOTS van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 552a Sv beklag is gedaan, dient de rechter te toetsen aan de in art. 13a WOTS gestelde voorwaarden. Een toetsing van de proportionaliteit en de subsidiariteit van (het voortduren) van inbeslagneming is niet aan de rechter. Ad 2. Art. 359.2 Sv is niet van toepassing op de onderhavige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 606
RvdW 2009, 1437
NJB 2009, 2269
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12595 B

Mr. Bleichrodt

Zitting 21 april 2009

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 25 mei 2007 het door klaagster ingediende beklag, strekkende tot opheffing van het onder haar gelegde strafvorderlijk conservatoir beslag op 51.606 aandelen Parvest Short Term Dollar (hierna: PSTD) ongegrond verklaard.

2. Mr. C.B. Vreede, advocaat te Amsterdam, heeft namens klaagster beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te Den Haag, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. In de onderhavige zaak gaat het om een conservatoir beslag(1) dat krachtens een Belgisch rechtshulpverzoek onder klaagster is gelegd op aandelen PSTD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in België naar het handelen van en met betrekking tot het bedrijf N.V. [A] (verder: N.V. [A]). Verdachten in dat onderzoek zijn [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1].

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(2) De verdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben 625.000 aandelen in N.V. [A], toebehorende aan de N.V. [A] Holding, voor USD 25 miljoen verkocht aan een zekere [betrokkene 4], kaderlid/manager in de groep [A]. Deze verkoop geschiedde zonder toestemming van de minderheidsaandeelhouders en de opbrengst van de verkoop kwam niet terecht op de rekening van de Holding, maar op daartoe geopende rekeningen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] bij klaagster. Dezen gaven klaagster opdracht om met die opbrengst aandelen Parvest aan te kopen. Tot zekerheid van de lening van klaagster aan [betrokkene 4] werden de verkochte (korte tijd nadien waardeloos geworden) [A] aandelen aan klaagster in pand gegeven, terwijl [betrokkene] c.s. zich ook als borg hebben verbonden. [betrokkene] c.s. worden onder meer verdacht van witwassen.

De opdracht van [B] tot aankoop van de Parvest-aandelen is uitgevoerd door [C] S.A.; die transactie is op de effectenrekening van klaagster bijgeschreven. Enige tijd later heeft [C] op verzoek van klaagster attestaties (bearer certificates) ter hand gesteld aan [betrokkene 1], die mede als gevolmachtigde van de andere twee verdachten optrad. Die certificaten hielden kort gezegd als verklaring van [C] in dat de houder ervan eigenaar was van het desbetreffende aantal aandelen Parvest en dat bedoeld certificaat na 15 oktober 2000 omgewisseld diende te worden voor feitelijke certificaten aan toonder. Genoemde certificaten zijn door [betrokkene] c.s ingezet als zekerheid voor een lening van USD 24 miljoen bij [D]. Toen [D] [C] om uitlevering van de certificaten aan toonder verzocht, heeft laatstgenoemde daaraan niet voldaan. De aandelen Parvest waren namelijk inmiddels bij vergissing aan klaagster verzonden, die weigerde de aandelen aan [C] te retourneren.

Bij genoemd vonnis van het Hof van Beroep te Luxemburg, waartegen beroep in cassatie is ingesteld, is [C] veroordeeld om aan [D] 51.606 aandelen Parvest te leveren althans schadevergoeding te betalen, en is klaagster veroordeeld tot vrijwaring/schadeloosstelling van [C]. Behalve het strafvorderlijke beslag liggen er verschillende civielrechtelijke beslagen op de aandelen, waaronder een beslag van klaagster onder zichzelf.

4. De Rechtbank heeft in haar beschikking overwogen:

"Ingevolge het hier van toepassing zijnde artikel 552a Sv en de daarop gebaseerde criteria dient de rechtbank te toetsen of het strafvorderlijk belang zich niet (meer) tegen teruggave verzet. Dat belang kan zich tegen opheffing verzetten indien het voortduren van het beslag dient ter bewaring van het recht tot verhaal van een geldboete of geldbedrag opgelegd ter voordeelontneming. Bij de beoordeling van dat belang behoeft slechts van een geringe mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van één van die gronden te blijken. Het belang van de strafvordering is reeds aanwezig indien zich niet het geval voordoet waarin het hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter later oordelend tot een enige betalingsverplichting als genoemd zal komen.

Gelet op het feit dat klaagster zich niet heeft uitgelaten over de wetmatigheid van de inbeslagneming, alsmede op hetgeen de officier van justitie ter zitting heeft verklaard is de rechtbank van oordeel dat de gronden voor het beslag zoals genoemd in artikel 94a Sv nog aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het beklag dan ook in zoverre ongegrond.

Vervolgens is de vraag aan de orde of, zoals klaagster stelt, door het voortduren van het beslag haar belangen op disproportionele wijze zijn geschonden en daarmee jegens haar onrechtmatig is. Die beoordeling kan klaagster slechts dan baten indien er sprake is van een kennelijke wanverhouding tussen de aan de orde zijnde belangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat handhaving van het strafvorderlijk conservatoir beslag zal leiden tot een zodanig disproportionele inbreuk op de belangen van klaagster dat de belangenafweging in haar voordeel zou dienen uit te vallen. Immers, de situatie waarin klaagster zich bevindt is deels aan haarzelf te wijten doordat zij de onderhavige aandelen onder zich heeft gehouden terwijl deze bestemd waren voor een andere partij. Voorts is op dit moment niet duidelijk wat een eventuele opheffing van het strafvorderlijk conservatoir beslag zou betekenen voor de rechtspositie van de Belgische staat; het scenario zoals geschetst door de officier van justitie komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Genoemd conservatoir beslag kan daarom dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan beslagenen op te leggen betalingsverplichting, zodat het onderhavige beslag gehandhaafd kan blijven. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."

5.1 Het gaat hier om een op verzoek van de Belgische autoriteiten gelegd beslag als bedoeld in art. 13a Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).(3) Een dergelijk conservatoir beslag zal slechts kunnen worden gelegd als ervan mag worden uitgegaan dat dat beslag te gelegener tijd zal (kunnen) worden omgezet in een executoriaal beslag of in een verbeurdverklaring. Zie in dit verband art. 13a, vierde lid WOTS. (4)

Het huidige art. 13d, tweede lid, WOTS verklaart art. 552a Sv van overeenkomstige toepassing. Uit die bepaling kan niet rechtstreeks worden afgeleid welke maatstaf de rechter hier moet aanleggen. Maar uit 13a, derde lid, WOTS volgt, kort gezegd, dat de inbeslagneming alleen is toegestaan indien dat ook mogelijk zou zijn geweest in een Nederlandse zaak. In zoverre zal aansluiting moeten worden gezocht bij art. 94a Sv en zal, ook voor wat betreft de vraag of het beslag moet worden gehandhaafd de rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt relevant zijn. In de memorie van toelichting wordt nog opgemerkt dat in een beklagprocedure aan de orde kan komen "in hoeverre in het licht van de aard van de zaak in verband waarmee beslag is gelegd, het redelijk is het beslag te laten voortduren".(5) Het woord "redelijk" schept op zichzelf geen duidelijkheid, Daarbij komt dat in een direct daarop volgende passage wordt gesteld dat uiteraard beslissingen op het beklag moeten worden genomen rekening houdend met de belangen van de staat op wiens verzoek het beslag is gelegd. Inderdaad maakt juist de omstandigheid dat hier sprake is van rechtshulp, verschil.

5.2 De beklagrechter zal in ieder geval moeten nagaan of is voldaan aan de in het toepasselijke verdrag genoemde voorwaarden, waaronder het vereiste van de dubbele strafbaarheid, en aan art. 13a WOTS. Dat daaraan is voldaan is in deze zaak niet in geschil.

Zoals gezegd zal verder aansluiting moeten worden gezocht bij de maatstaven die gelden bij de beoordeling van een beklag tegen een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv, zij het met inachtneming van de bijzonderheid dat hier sprake is van internationale rechtshulp. Voor wat betreft dit laatste aspect geldt in de eerste plaats dat de rechtshulp verlenende staat zoveel mogelijk aan het verzoek zal behoren te voldoen(6), terwijl ook hier het vertrouwensbeginsel een rol zal spelen. De autoriteiten van de staat waar het eigenlijke strafrechtelijke onderzoek plaatsvindt zijn beter in staat de zaak te overzien en kunnen in een geval als dit beter het belang van het beslag en de kans dat de beslagen voorwerpen een rol kunnen spelen bij de executie van een ontnemingsmaatregel beoordelen. Op dat oordeel zal de beklagrechter in beginsel mogen en behoren af te gaan. Dat kan meestal ook moeilijk anders. Zeker in een complexe fraudezaak als waarvan hier sprake is berust in zoverre de regie dus bij de Belgische rechter.

5.3 Ter zijde is in dit verband de vraag gerechtvaardigd waarom klaagster niet gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die het Belgische recht biedt om beklag te doen, maar in plaats daarvan in Nederland een kort geding heeft aangespannen (dat zij heeft verloren) en vervolgens wederom de Nederlandse beklagrechter heeft geadieerd. Op die mogelijkheid van beklag ingevolge art. 61 quater van het Belgische Wetboek van Strafvordering heeft de Kamervoorzitter-onderzoeksrechter van het Hof van Beroep te Gent H. Heimans meermalen gewezen, laatstelijk in zijn brief van 2 februari 2007 aan de advocaat van klaagster (bijlage 8 bij het klaagschrift).(7)

5.4 Behalve de toetsing aan het toepasselijke verdrag en de daarmee verband houdende vereisten, dienen twee vragen onder ogen te worden gezien. In de eerste plaats kan het zijn dat degene onder wie het beslag ten laste van de verdachte is gelegd of een derde aanvoert dat hij rechthebbende is, zodat verhaal op het beslagen voorwerp ter zake van een aan de verdachte op te leggen ontnemingsmaatregel niet zal kunnen worden genomen. Ter zijde merk ik op dat de omstandigheid dat Nederland uitvoering geeft aan een rechtshulpverzoek ook in dit opzicht consequenties kan hebben voor de toetsingsruimte van de beklagrechter. Art. 13e WOTS houdt immers in dat buitenlandse vonnissen voor zover daarbij de rechten van belanghebbenden zijn vastgesteld in de regel dienen te worden erkend.(8) In beginsel treedt de Nederlandse rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, waarover de buitenlandse rechter al uitspraak heeft gedaan; daarop bestaan dan vijf uitzonderingen waarop ook in de beklagprocedure een beroep kan worden gedaan. Van een zodanige vaststelling is hier echter geen sprake.

5.5 De rechter zal verder bij een beklag tegen een conservatoir beslag moeten nagaan of zich niet het geval voordoet dat het hoogstonwaarschijnlijk is dat de strafrechter een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Dit criterium heeft mijns inziens in een geval als het onderhavige echter nauwelijks zelfstandige betekenis naast het - meer stringente - voorschrift van art. 13a, vierde WOTS dat beslag met het oog op te nemen verhaal slechts kan worden gelegd (en gehandhaafd) indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dien aanzien vanwege de verzoekende vreemde Staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring(9) of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan. Op dit punt is in deze procedure geen verweer gevoerd (zie ook de toelichting op het eerste middel onder 2.3).

6.1 Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het voortduren van het beslag niet disproportioneel is, nu de situatie waarin klaagster zich bevindt deels aan haarzelf is te wijten, doordat zij de onderhavige aandelen onder zich heeft gehouden terwijl deze bestemd waren voor een andere partij.

6.2 De toelichting op het middel voert aan dat het beslag behoort te worden opgeheven indien de inbeslagneming onrechtmatig blijkt te zijn, waarvan ingeval van een beslag ex. art. 94a Sv sprake is indien voortduring van het beslag niet redelijk is, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat laatste zou, aldus die toelichting, kunnen worden afgeleid uit de rechtspraak van de Hoge Raad, waarbij wordt verwezen naar HR NJ 1992, 50 en HR NJ 2000, 461.

In de eerste plaats moet de vraag of de inbeslagneming onrechtmatig was - op dat punt is geen verweer gevoerd - worden onderscheiden van die of op enig moment nadien tot opheffing van het beslag behoort te worden besloten. Verder ging het in de genoemde beschikkingen van de Hoge Raad om een beslag ex art. 94 Sv en was - belangrijker- de vraag aan de orde de vraag of met het oog op art. 10 EVRM het strafvorderlijk optreden proportioneel was dan wel een schending van die bepaling opleverde. Bij een zodanige toetsing aan het EVRM speelt het proportionaliteitsvereiste een eigen, specifieke rol. Richtinggevend zijn die uitspraken voor de onderhavige zaak mijns inziens dus niet.

Of bij een beslag ex art. 94a Sv het proportionaliteitsbeginsel een zelfstandige rol speelt, waaraan de rechter eventueel ambtshalve aandacht moet besteden, of dat het in feite als het ware opgaat in het criterium dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen is verder mijns inziens de vraag.(10) Ik zou menen dat slechts bij een verweer, inhoudende dat van een duidelijke wanverhouding sprake is tussen de omvang van het beslag en de redelijkerwijs te verwachten maatregel, de beklagrechter daarop dient in te gaan. Een verweer van die strekking is niet gevoerd.

6.3 In feite komt het klaagschrift en wat in raadkamer is aangevoerd erop neer dat de Rechtbank een belangenafweging dient te maken tussen de strafvorderlijke belangen van de Belgische staat en die van [B] en dat die in het voordeel van [B] uivalt, waarbij als oplossing wordt gesuggereerd dat wanneer het beslag wordt opgeheven en de aandelen door [B] worden geleverd aan [C] in Luxemburg(11), de Belgische staat in Luxemburg wederom ingevolge een nieuw rechtshulpverzoek beslag kan laten leggen.

6.4 In dit verband merk ik op dat het middel tevergeefs opkomt tegen de motivering van de Rechtbank met een beroep op de pleitnota die in de eerdere procedure (die is geëindigd met de beschikking van de Hoge Raad van 14 december 2004) is overgelegd. Bij de behandeling in raadkamer heeft de raadsvrouw wel gevraagd de in het middel bedoelde onderdelen van die pleitnota als ingelast te beschouwen, maar dat is niet voldoende om een plicht van de Rechtbank in het leven te roepen om specifiek op bedoelde onderdelen van die in de vorige zaak overgelegde pleitnota te reageren.(12)

Ten overvloede merk ik naar aanleiding van wat bij die gelegenheid door de verdediging dienaangaande is aangevoerd nog het volgende op. Het standpunt hield naar de kern genomen in dat, gelet op de rechten die klaagster op de aandelen geldend zou kunnen maken, waaronder een pandrecht, de Belgische Staat als concurrent schuldeiser een eventuele ontnemingsmaatregel daarop toch niet zou kunnen verhalen. Ik merk op dat toen nog geen rekening kon worden gehouden met het hiervoor genoemde Luxemburgse vonnis. Ik meen dat, gelet op de hoe dan ook gecompliceerde situatie die is ontstaan, een en ander in de executiefase aan de orde dient te komen. Onder de omstandigheden van deze zaak is voor een onderzoek van zodanige stelling van de verdediging in de beklagprocedure, gelet op het summiere karakter daarvan, geen plaats.(13) De beklagprocedure strekt ter bescherming van rechthebbenden te goeder trouw op het beslagen voorwerp. Maar niet alles kan in die fase redelijkerwijze al ten gronde worden onderzocht en beslist; dat geldt in casu ook voor de, door andere in de beklagzaak gehoorde belanghebbenden betwiste, aanspraken van klaagster.

6.5 Onder verwijzing naar wat hiervoor in rubriek 5 is opgemerkt meen ik verder dat wat in het klaagschrift en in raadkamer is aangevoerd tegen het voortduren van het beslag in eerste instantie ter beoordeling staat van de Belgische justitiële autoriteiten (die in 2007 hebben aangegeven dat de behandeling ter zitting van de, ongetwijfeld omvangrijke en complexe, fraudezaak vermoedelijk in het najaar van 2007 zal aanvangen). Anders gezegd, de Nederlandse beklagrechter komt mijns inziens niet de bevoegdheid toe om in een geval als het onderhavige zonder meer zelfstandig te toetsen of voortzetting van het beslag proportioneel is in de zin als in het klaagschrift bedoeld en daarbij over te gaan tot bovenbedoelde belangenafweging. Wel zullen uiteraard desgewenst nadere inlichtingen aan België kunnen worden gevraagd en die zouden onder omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat niet (meer) wordt voldaan aan art. 13a, vierde lid, WOTS, dat zoals gezegd eist dat gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat vanwege de verzoekende Staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of ontnemingsmaatregel zal worden gedaan. Die gegronde redenen voor de handhaving van het (gehele) beslag zullen onder omstandigheden bijvoorbeeld ook kunnen ontbreken indien te verwachten is dat een ontnemingsmaatregel van een zo beperkte omvang zal worden opgelegd dat daarvoor handhaving van dat beslag in zijn volle omvang niet gerechtvaardigd is, omdat van een evidente wanverhouding sprake is. In zoverre kan de proportionaliteit wel een rol spelen.

6.6 In de beschikking van de Rechtbank, die kennelijk van oordeel is dat, nu daarover niet geklaagd is, het beslag en de handhaving daarvan niet in strijd is met de wet, ligt als haar oordeel besloten dat er geen sprake is van het ontbreken van gegronde redenen als hiervoor bedoeld.(14) Dat - zoals onder 5.5 is opgemerkt ook in cassatie niet betwiste - oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de stukken van het geding niet onbegrijpelijk. Ook het in het middel aangevallen oordeel van de Rechtbank dat klaagster de situatie waarin zij zich bevindt deels aan zichzelf te wijten heeft doordat zij de onderhavige aandelen onder zich heeft gehouden terwijl deze bestemd waren voor een andere partij, is, mede gelet op het hiervoor genoemde vonnis van het Hof van Beroep te Luxemburg, niet onbegrijpelijk.

6.7 Het middel is tevergeefs voorgesteld.

7.1 Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat voortduring van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en in het bijzonder tegen de overweging van de Rechtbank, inhoudende dat "voorts op dit moment niet duidelijk [is] wat een eventuele opheffing van het strafvorderlijk conservatoir beslag zou betekenen voor de rechtspositie van de Belgische staat; het scenario zoals geschetst door de officier van justitie komt de rechtbank niet onaannemelijk voor."

7.2 Het middel faalt omdat het, voor zover ik zie, is gericht tegen een overweging die ten overvloede is gegeven naar aanleiding van de door de verdediging voorgestelde "Luxemburgroute" (zie hiervoor onder 6.3). Verder merk ik op dat wat de verdediging voorstelde erop neer komt dat zonder toestemming van de verzoekende staat tekort wordt gedaan aan zijn rechtmatige aanspraak op rechtshulp. Ik meen, onder verwijzing naar wat hiervoor is opgemerkt, dat de beklagrechter niet bevoegd is tot een belangenafweging als door de verdediging bedoeld. Anders gezegd, de Nederlandse beklagrechter kan, in aanmerking genomen de hoofdregel dat zoveeel mogelijk aan een rechtshulpverzoek dient te worden voldaan, niet - ingeval voor wat betreft het gelegde beslag aan de eisen van wet en verdrag is voldaan - dat beslag opheffen en de teruggave gelasten, omdat hij het (meer) passend vindt dat de verzoekende staat daarna, nadat die voorwerpen naar een andere staat zijn overgebracht, aan die staat een rechtshulpverzoek met dezelfde strekking doet.

8. De middelen falen. Het tweede middel kan mijns inziens in elk geval met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

9. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden beschikking zouden behoren te leiden heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het is het tweede beslag op de aandelen. Immers, klaagster heeft in juni 2003 al eerder geklaagd over de inbeslagneming van aandelen PSTD. De Rechtbank te Amsterdam heeft dit beklag op 3 november 2003 gegrond verklaard, omdat uit het rechtshulpverzoek van België niet afdoende bleek dat was voldaan aan het vereiste van art. 13a, vierde lid, WOTS. Op 14 december 2004 heeft de Hoge Raad het door de Officier van Justitie ingestelde cassatieberoep verworpen. Daarna heeft de Rechter-Commissaris op een desbetreffende vordering van de Officier van Justitie op 5 januari 2005 het onderhavige beslag gelegd.

2 Zie het klaagschrift, het vonnis van het Cour d'appèl te Luxemburg van 12 juli 2006, het rechtshulpverzoek en de brieven van 26 augustus 2003 en van 2 februari 2007 (respectievelijk gericht aan de Officier van Justitie en aan de advocaat van klaagster) van de Kamervoorzitter-onderzoeksrechter in het Hof van Beroep te Gent, welke stukken als bijlagen bij het klaagschrift zijn gevoegd of waarnaar in het klaagschrift wordt verwezen. Opmerking verdient dat tegen de Luxemburgse uitspraak cassatie is ingesteld.

3 Het rechtshulpverzoek is mede gebaseerd op het Europese witwasverdrag van 8 november 1990 (Trb. 1990, 172).

4 Kamerstukken II, 1990-1991, 22083, nr. 3, blz. 19. De beslagen goederen blijven dus in Nederland, dat te zijner tijd de executie overneemt. Dat is anders bij art. 13c WOTS dat is ingevoerd in verband met een verdrag N-VS, maar algemeen luidt. Zie in dit verband B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht, 1999, blz. 377-382, i.h.b. 381 en 382. Over de vraag of aan art. 13a, vierde lid, WOTS was voldaan ging de vorige procedure met betrekking tot een eerdere inbeslagneming van de aandelen.

5 Kamerstukken II, 1990-1991, 22083, nr. 3 blz. 10.

6 Zie voor de toepassing van art. 552p Sv: HR 19 maart 2002, NJ 2002, 580, HR 10 december 2002, LJN AE8923 en HR 18 januari 2005, NJ 2005, 407.

7 In de omgekeerde situatie, waarin ingevolge een Nederlands rechtshulpverzoek elders inbeslagneming heeft plaatsgevonden, kan ook - en moet mijns inziens bij voorkeur - bij de Nederlandse rechter worden geklaagd. Vgl.

HR 21 september 1999, NJ 2000, 161, HR 18 april 2006, LJN AV5007, HR 3 juni 2008, LJN BC9015.

8 Zie ook Kamerstukken II, 1990-1991, 22083, nr. 3 blz. 20. R.Lamp, Misdaadvermogen en het internationaal strafrecht, 2000, blz. 413, 414.

9 Ingeval de verzoekende staat een stelsel van objectconfiscatie kent.

10 R. Kuiper, "552a beklag tegen 94(a) beslag" Strafblad 2008, blz. 106 ziet ruimte voor een belangenafweging bij een gevoerd verweer. Zie ook HR 15 januari 2008, LJN BB9890, waarmee m.i. HR 20 november 2001, LJN AD4595 en enkele daarop volgende arresten, genoemd in noot 174 van dat artikel m.i. in zoverre achterhaald, althans gepreciseerd zijn dat slechts in bijzondere omstandigheden die kwestie in de motivering aan de orde behoeft te komen.

11 Dat zou overigens alleen maar kunnen als ook de civielrechtelijke beslagen van derden zijn opgeheven.

12 Vgl. HR 3 maart 1998, NJ 1999, 59, HR 30 juni 1998, NJ 1999, 60, HR 7 mei 2002, NJ 202, 428.

13 Vgl. bijvoorbeeld HR 25 september 2007, LJN BA2279.

14 In de vorige procedure was dat het springende punt. Een brief van de Belgische autoriteiten was niet in het geding gebracht en daarop kon de Officier van Justite niet voor het eerst in cassatie een beroep doen.