Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI2040

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
08/01832
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI2040
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over wijziging van kinderalimentatie; draagkracht (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2009-07-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 859
JWB 2009/266

Conclusie

08/01832

Mr L. Strikwerda

Parket, 17 april 2009

conclusie inzake

[De vader]

tegen

[De moeder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot wijziging (verhoging) van kinderalimentatie. In cassatie wordt geklaagd over het oordeel van het hof omtrent de draagkracht van de alimentatieplichtige vader.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3.1 t/m 3,4 van de bestreden beschikking).

(i) Partijen, hierna: de vader en de moeder, zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 19 juni 2003 is echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 juli 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Uit het huwelijk zijn geboren: [kind 1], op [geboortedatum] 1990, en [kind 2], op [geboortedatum] 1993, hierna: de kinderen.

(iii) Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen Euro 300,- per kind per maand zal voldoen.

(iv) Bij beschikking van 18 oktober 2004 heeft de rechtbank Arnhem de echtscheidingsbeschikking van 19 juni 2003 gewijzigd en de bijdrage met ingang van 30 augustus 2004 tot 1 april 2005 op Euro 14,- per kind per maand en met ingang van 1 april 2005 op Euro 77,- per kind per maand vastgesteld.

3. De moeder heeft op 28 augustus 2006 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Arnhem en daarbij de rechtbank verzocht de beschikking van 18 oktober 2004 te wijzigen en de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 september 2006 vast te stellen op Euro 250,- per kind per maand.

4. Na verweer van de vader heeft de rechtbank bij (eind)beschikking van 29 mei 2007 bepaald dat de vader voor de verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 september 2006 Euro 70,- per kind per maand zal betalen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

5. De moeder is van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2007 in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Arnhem.

6. Nadat de mondelinge behandeling op 13 november 2007 had plaatsgevonden, heeft het hof bij beschikking van 29 januari 2008 de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende,

- het verzoek van de moeder tot wijziging van de door de rechtbank Arnhem bij beschikking van 1 april 2005 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen over de periode van 1 september 2006 tot 1 november 2006 alsnog afgewezen,

- bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 november 2006 tot 1 januari 2007 Euro 70 per kind per maand, met ingang van 1 januari 2007 tot 1 september 2007 Euro 230,- per kind per maand, en met ingang van 1 september 2007 Euro 190,- per kind per maand zal betalen, en

- het meer of anders verzochte afgewezen.

7. De vader is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel dat verscheidene klachten bevat. De moeder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

8. Het middel voert, als ik het goed zie, vijf klachten aan tegen de bestreden beschikking. De klachten betreffen het oordeel van het hof omtrent de draagkracht van de vader.

9. De eerste klacht (cassatierekest onder 7.2) is gericht tegen r.o. 4.4 van de bestreden beschikking en verwijt het hof ten onrechte rekening te hebben gehouden met het inkomen van de vader zoals vermeld op de door de vader tijdens de mondelinge behandeling overgelegde draagkrachtberekening. Aangevoerd wordt dat door de vader nadrukkelijk het voorbehoud is gemaakt dat het vermelde inkomen een verwachting betreft.

10. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal dat van de mondelinge behandeling van 13 november 2007 is opgemaakt, noch uit enig ander gedingstuk (het middel noemt ook geen vindplaatsen) blijkt dat de vader een voorbehoud heeft gemaakt van de strekking als door de klacht bedoeld.

11. De tweede klacht (cassatierekest onder 7.3) keert zich tegen r.o. 4.7 van de bestreden beschikking en klaagt dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de netto inkomsten van huidige echtgenote van de vader Euro 6.000,- per jaar bedragen.

12. Blijkens het proces-verbaal dat van de mondelinge behandeling van 13 november 2007 is opgemaakt, heeft de vader omtrent het loon van zijn huidige echtgenote onder meer verklaard:

"Haar loon is Euro 825,- netto per maand en daar wordt een bedrag op ingehouden vanwege de schuldsaneringsregelingen en dan houdt zij Euro 500,- netto per maand over."

In het licht van deze verklaring is het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd, zodat de klacht faalt.

13. De derde klacht (cassatierekest onder 7.4) is gericht tegen r.o. 4.8 van de beschikking van het hof en verwijt het hof ten onrechte geen rekening te hebben gehouden met aflossing van schulden door de vader op de grond dat de noodzaak voor het aangaan van die schulden uit hoofde van een "opgehoogde lening" niet is aangetoond. Volgens de klacht heeft het hof eraan voorbij gezien dat de moeder het bestaan van die schulden niet heeft betwist, en dat de vader met betrekking tot de nieuwe schuld bij brief van 2 november 2007 heeft aangegeven dat deze is ontstaan door (gedwongen) verkoop van de woning als gevolg van een financieel zware dreigende VVE-verplichting, waarmee de noodzaak tot het aangaan van die verplichting van die schuld is gegeven.

14. Uitgangspunt is dat alle schulden van de alimentatieplichtige van invloed zijn op diens draagkracht. Er kan evenwel reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als een schuld onverplicht is aangegaan of als de alimentatieplichtige zich al van zijn schuld had kunnen bevrijden. Als de rechter besluit een bepaalde schuld geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten, moet hij deze beslissing motiveren. Zie bijv. HR 29 september 1978, NJ 1979, 143, en HR 10 december 1999, NJ 2000, 4. Zie voorts Asser-De Boer (2006), nr. 626.

15. Voor zover de klacht een rechtsklacht inhoudt, volgt uit het vorenstaande dat deze faalt: het stond het hof vrij met de bedoelde schulden geen rekening te houden op de grond dat de noodzaak voor het aangaan van deze schulden niet is aangetoond.

16. Voor zover de klacht een motiveringsklacht inhoudt, kan zij evenmin tot cassatie leiden. Blijkens de door de klacht bedoelde brief van 2 november 2007 betreft de financieel zware dreigende VVE-verplichting waarover de klacht spreekt een renovatie ten bedrage van Euro 20.000,- over drie jaar. Voorts blijkt uit de brief dat na verkoop van de woning een schuld van Euro 35.000,- resteerde, ter zake waarvan de man een lening heeft afgesloten, waarop hij Euro 500,- per maand aflost. Ten slotte blijkt uit de brief dat de man een huurwoning heeft betrokken waarvoor de huur Euro 600,- per maand bedraagt. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat geen noodzaak bestond met het oog op de komende renovatie de woning te verkopen en daardoor een nieuwe schuld van Euro 35.000,- aan te gaan, omdat, zou de woning niet verkocht zijn, de kosten van renovatie (Euro 20.000,-) op een veel lager bedrag dan de thans ontstane schuld zouden zijn uitgekomen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat ook de motiveringsklacht geen doel kan treffen.

17. De vierde klacht (cassatierekest onder 7.5) keert zich tegen r.o. 4.6 van de beschikking van het hof en klaagt dat, gezien de door het hof opgelegde alimentatie, het oordeel van het hof omtrent de bij de vader aanwezige draagkracht onbegrijpelijk is bij een gezinsinkomen dat enkel bestaat uit het inkomen van de vader van (gemiddeld) Euro 1.500,- netto per maand.

18. De klacht moet reeds stranden op gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft - niet of tevergeefs bestreden in cassatie - aangenomen dat het gezinsinkomen niet alleen bestaat uit het inkomen van de vader, maar ook uit de netto inkomsten van Euro 6.000,- per jaar van diens huidige echtgenote.

19. De vijfde klacht (cassatierekest onder 7.6) mist zelfstandige betekenis.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,