Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI1425

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08/02503 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI1425
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verklaring anonieme getuige als bewijs. Het vonnis had in het bijzonder de reden dienen aan te geven van het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van anonieme getuigen. Het middel klaagt terecht over het ontbreken van die motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 956
NJB 2009, 1448

Conclusie

Nr. 08/02503 A

Mr. Knigge

Zitting: 14 april 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij vonnis van 22 april 2008 verdachte voor moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig jaar.

2. Tegen deze uitspraak hebben mrs I. van Straalen en J. Goudswaard, beiden advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie ingediend.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring mede heeft gebaseerd op de verklaringen van twee anonieme getuigen, zonder dat het vonnis daarvan in het bijzonder reden geeft.

4. Het Hof heeft zich verenigd met het vonnis waarvan beroep, behoudens ten aanzien de bewijsvoering. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"3.

Een proces-verbaal van verhoor van anonieme 1e getuige van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 28 november 2007, voor zover inhoudende als verklaring van de 1e anonieme getuige - zakelijk weergegeven:

Op de bewuste 9 oktober 2006 reed [verdachte] voorbij in een witte auto. Enige minuten later zag ik hem op [slachtoffer 1] schieten. [Verdachte] is vanuit een paadje naast een huis komen lopen.

4.

Een proces-verbaal van verhoor van anonieme 1e (kennelijk is bedoeld: 2e) getuige van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 28 november 2007, voor zover inhoudende als verklaring van de 2e anonieme getuige - zakelijk weergegeven:

[Verdachte] kwam uit een steegje lopen. Hij liep eerst richting [...] en draaide toen om. [Verdachte] schoot over de motorkap van een auto heen. Daarna is [verdachte] achterom de auto gelopen. [Slachtoffer 1] was intussen op de grond gevallen met zijn borst omhoog. [Verdachte] schoot hem toen nog een aantal keren in zijn gezicht."

5. Art. 261 SvNA regelt het horen door de rechter-commissaris van een bedreigde getuige op zodanige wijze, dat diens identiteit geheel verborgen blijft. Voorts bepaalt art. 403 SvNA:

"1. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van één getuige als bedoeld bij artikel 250, tweede lid, of een getuige, die is verhoord op voet van het bepaalde in artikel 261, geeft het vonnis daarvan in bijzonder reden.

2. (...)

3. Alles op straffe van nietigheid."

6. In de toelichting bij het middel verwijst de steller van het middel naar rechtspraak van de Hoge Raad(1) ten aanzien van art. 360 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, waarvan lid 1 verplicht tot bijzondere motivering van het gebruik van de verklaring van een door anonimiteit beschermde getuige. Deze eis betekent ondermeer dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van die verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, NJ 1999, 526). Uit HR 21 november 2006, NJ 2007, 543 volgt dat de rechter tot uitdrukking kan brengen dat hij de betrouwbaarheid van de verklaring van de bedreigde getuige heeft onderzocht, bijvoorbeeld door haar te vergelijken met de verklaringen van andere, niet-anonieme getuigen. De stellers van het middel zijn van oordeel dat art. 403 SvNA eenzelfde betekenis heeft als art. 360 Sv. Gelet op de bewoording en de strekking van beide bepalingen, deel ik het standpunt waarvan in de toelichting op het middel wordt uitgegaan, dat de eisen die de Hoge Raad op grond van art. 306 Sv stelt van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van art. 403 SvNA.

7. Uit de stukken van het geding blijkt dat de beide anonieme getuigen in de onderhavige zaak op voet van art. 261 SvNA zijn gehoord. Het Hof heeft noch in 'De bewijsmiddelen' noch in de 'Nadere bewijsoverweging' blijk gegeven van eigen onderzoek naar de betrouwbaarheid van de gebruikte verklaringen die door anonieme getuigen zijn afgelegd. Een bijzondere motivering van het gebruik van de verklaringen ontbreekt derhalve.

8. Het middel slaagt.

9. Het tweede middel klaagt dat het Hof zijn vonnis uitsluitend heeft gewezen naar aanleiding van, wat betreft het hoger beroep, het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2008 zonder dat kenbaar was dat het onderzoek op die zitting opnieuw was aangevangen.

10. Uit de stukken van het geding blijkt met betrekking tot de procesgang in hoger beroep:

- ter zitting van 28 augustus 2007 is uitsluitend het verzoek van de raadsman om acht getuigen te horen behandeld, waarop het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en de rechter-commissaris is opgedragen vier getuigen te horen;

- ter zitting van 30 oktober 2007 heeft het Hof de zaak enkel geschorst, omdat de rechter-commissaris nog niet alle getuigen had gehoord;

- ter zitting van 24 januari 2008 heeft het Hof het onderzoek, op verzoek van de raadsman, opnieuw geschorst;

- ter zitting van 14 februari 2008 is slechts het verzoek van de raadsman om drie getuigen te horen behandeld en is het onderzoek ter terechtzitting aangehouden, zodat de rechter-commissaris de drie getuigen kon horen;

- ter zitting van 1 april 2008 is de zaak inhoudelijk behandeld. Zowel de raadsman als de procureur-generaal heeft verklaard afstand te doen van de nog niet door de rechter-commissaris gehoorde getuige. De raadsman heeft het woord gevoerd conform een overgelegde pleitnota, waarin hij onder meer heeft betoogd dat de verklaringen van verscheidene getuigen (onderling) tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn.

Voorts blijkt dat de behandelende kamer van het Hof op iedere zitting een andere samenstelling had. In géén van de processen-verbaal is aangegeven dat de zaak is hervat in de stand waarin zij zich bevond op het tijdstip van de schorsing dan wel door het Hof is bevolen dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.

11. Op grond van art. 365 lid 1 SvNA wordt, voor zover in cassatie van belang:

"(...) in alle gevallen waarin schorsing van het onderzoek plaatsheeft, de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin zij zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen."

De laatste zin van dit artikel kent het Hof een discretionaire bevoegdheid toe. Art. 365 lid 1 SvNA verschilt hierin van het voorschrift ex art. 322 lid 3 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, dat het onderzoek ter terechtzitting in beginsel opnieuw moet worden aangevangen als de samenstelling van het rechterlijk college is gewijzigd. Uit de redactie van art. 365 lid 1 SvNA volgt dat op de Nederlandse Antillen en Aruba na schorsing van het onderzoek de zaak in beginsel op de volgende terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond. Is dat het geval, dan kunnen de tussenbeslissingen genomen op terechtzittingen voorafgaand aan de schorsing in cassatie ten toets komen.

12. In de toelichting voeren de stellers van het middel aan dat uit het proces-verbaal van de zitting van 1 april 2008 niet blijkt dat het Hof heeft aangekondigd dat het onderzoek opnieuw werd aangevangen. Nu voor de verdediging niet kenbaar was dat het onderzoek ter zitting opnieuw werd aangevangen, hoefde de raadsman er niet bedacht op te zijn dat hij het ter zitting van 28 augustus 2007 deels afgewezen verzoek om getuigen te horen had moeten herhalen om daarop een beslissing te krijgen die in cassatie kan worden getoetst, aldus de stellers van het middel.

13. Het vonnis van het Hof houdt inderdaad in dat het (enkel) is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2008. De andere terechtzittingen in hoger beroep worden niet genoemd. De stellers van het middel leiden daaruit af dat het onderzoek op de zitting van 1 april 2008 opnieuw is aangevangen. Dat lijkt mij niet juist. Het proces-verbaal van de zitting is ten dezen beslissend. Nu daaruit niet blijkt dat het Hof heeft bevolen dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, moet het ervoor gehouden worden dat zulks niet is geschied. Niets belette de stellers van het middel dan ook om in cassatie te klagen over de op de eerdere zittingen genomen afwijzende beslissingen op de verzoeken om getuigen te horen. Dat zij dat niet hebben gedaan komt voor rekening van de verdachte.

14. Het Hof heeft, afgaande op het vonnis, ten onrechte niet mede beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek op de eerdere regiezittingen. Nu de zaak op die zittingen niet inhoudelijk is behandeld, is de vraag of de verdachte door het verzuim in enig rechtens te respecteren belang is getroffen. Nu de stellers op dit punt niets aanvoeren, kan het er mijns inziens voor gehouden worden dat dit niet het geval is. De Hoge Raad zou daarbij kunnen oordelen dat sprake is van een kennelijke misslag, zodat aan het middel de feitelijke grondslag ontvalt.

15. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

16. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan, zo de Hoge Raad daaraan zou toekomen, niet tot cassatie leiden. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 20 mei 1997, NJ 1998, 22, m.nt. J. Riphagen; HR 11 mei 1999, NJ 1999, 526; HR 21 november 2006, NJ 2007, 543 m.nt. Y. Buruma