Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI1014

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
07/12165
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI1014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Medeplichtigheid. De bestreden uitspraak is niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien de bewezenverklaringen, vzv. behelzende dat verdachte “opzettelijk gelegenheid heeft verschaft” niet zonder meer kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en uit hetgeen het Hof voorts nog heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 280
RvdW 2009, 749
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12165

Mr. Vellinga

Zitting: 31 maart 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1 subsidiair "Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 2 subsidiair "Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Namens de verdachte heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat twee klachten.

4. In de eerste plaats klaagt het middel dat het Hof art. 63 Sr zou hebben geschonden door de verdachte een gevangenisstraf van twee maanden op te leggen. Deze klaagt faalt omdat deze straf niet de grenzen van de ten hoogste aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf te boven gaat.

5. In de tweede plaats klaagt het middel over het bewijs van de medeplichtigheid. Daarbij wordt erop gewezen dat nergens is gebleken dat "de opzet van requirant gericht was op het feit van de hulpverlening en/of dat hij het misdrijf heeft ondersteund en/of dat hij daadwerkelijk hulp heeft verleend tijdens het plegen van het misdrijf".

6. De bewijsmiddelen houden kort gezegd in dat de verdachte een door hem per 1 augustus 2002 gehuurde loods heeft onderverhuurd en dat in die loods op 13 april 2004 een viertal in werking zijnde hennepkwekerijen zijn aangetroffen die minimaal drie oogsten hebben opgeleverd en dat de aanwezige hennepplanten ongeveer 60 dagen oud waren. Over verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van de kwekerijen overweegt het Hof dat verdachte weliswaar heeft ontkend van die hennepkwekerijen op de hoogte te zijn geweest maar aanvankelijk heeft ontkend de straat waar de loods stond en het huurcontract te kennen, later daarover diverse andere uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd, hetgeen het Hof tot het oordeel brengt dat verdachtes lezing, mede in aanmerking genomen dat hij reeds twee maal eerder in 2003 in verband met een hennepkwekerij met politie en justitie in aanraking is gekomen en dus een gewaarschuwd man was, ongeloofwaardig is.

7. Voor de bewezenverklaarde medeplichtigheid tot het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten en het opzettelijk telen van hennepplanten is vereist dat verdachtes opzet was gericht op het verschaffen van gelegenheid tot het opzettelijk aanwezig hebben en telen van hennepplanten. De bewijsmiddelen houden daaromtrent niets in. Kennelijk heeft het Hof verdachtes opzet gezien in de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen over het gebrek aan wetenschap van de aanwezigheid van hennepkwekerijen in de door hem onderverhuurde loods. De ongeloofwaardigheid van een verklaring kan echter niet voor het bewijs worden gebezigd. Dat is anders wanneer die verklaring blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, anders dan de verklaring van de verdachte, leugenachtig is en is afgelegd ter bemanteling van de waarheid. Daaromtrent overweegt het Hof niet. De vraag is of deze gedachte niettemin in de overwegingen van het Hof valt te lezen.

8. De bewijsmiddelen laten zien dat de verdachte de loods heeft gehuurd en vervolgens heeft onderverhuurd en dus moet hebben gelogen(1) toen hij ontkende te weten van de straat waaraan de loods stond en van het huurcontract. Gelet op hetgeen het Hof overweegt heeft het Hof in (onder meer) verdachtes leugenachtigheid over bedoeld gebrek aan wetenschap het bewijs van het opzet gezien en wel zo dat verdachte deze leugenachtige verklaring kennelijk heeft afgelegd ter bemanteling van de waarheid. Dit betekent dat het bewezenverklaarde opzet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

9. Hetgeen overigens in de toelichting op het middel te berde wordt gebracht bevat geen zelfstandige klacht, die voldoet aan de eisen van een middel in cassatie, en kan derhalve buiten bespreking blijven.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie over de voorwaarden voor het gebruik voor het bewijs van een kennelijk leugenachtige, ter bemanteling van de waarheid afgelegde, verklaring HR 6 december 2005, NJ 2006, 162, HR 24 mei 2005, NJ 2005, 396, HR 19 maart 2002, NJ 2002, 567. In casu blijkt de leugenachtigheid van verdachtes verklaring uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen.