Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI1009

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
07/11829
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI1009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijs bedreiging met openlijk geweld. Van “openlijk (geweld)” in “bedreigd met openlijk geweld” a.b.i. in art. 285 Sr, is sprake bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden openbaart zodat daardoor de openbare orde wordt aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat t.t.v. en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig is (vgl. HR NJ 1979, 618 m.b.t. art. 141 Sr). Nu de gebezigde bewijsmiddelen niet inhouden dat het geweld waarmee is gedreigd “openlijk” in voormelde zin zou worden uitgeoefend, is ’s Hofs oordeel dat X is bedreigd met openlijk geweld niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 780
NJB 2009, 1352
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11829

Mr. Vellinga

Zitting: 31 maart 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 "Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2 "Medeplegen van bedreiging met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte heeft mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof onder 2 "ten onrechte" bewezenverklaard heeft dat sprake was van bedreiging. Daartoe wordt gesteld dat hoewel "aangever en verzoeker hebben verklaard dat verzoeker gezegd heeft dat hij volgende week wel zou terugkomen, (...) slechts uit de verklaring van de zoon van aangever (bewijsmiddel 4, WHV) het vermoeden [valt] op te maken dat er gezegd zou zijn "en dan schoppen we je helemaal in elkaar." Aldus zou voldoende wettig bewijs ontbreken.

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 02 mei 2005 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander een persoon, genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen immers heeft verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend tegen [slachtoffer] gezegd: "We komen volgende week wel met vier terug en dan schoppen we je helemaal in elkaar, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking".

5. Het middel faalt omdat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onderdelen van de bewezenverklaring gebaseerd kunnen worden op slechts één getuigeverklaring.(1)

6. Het tweede middel klaagt dat de onder 2 bewezenverklaarde bedreiging met openlijk geweld niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, en wel in het bijzonder niet dat die bedreiging inhield dat het geweld openlijk zou worden gepleegd.

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 285, eerste lid, Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term "openlijk" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel, en wel in de betekenis die daaraan toekomt in art. 141, eerste lid, Sr.

8. In HR 29 maart 1966, NJ 1966, 399 is door de Hoge Raad geoordeeld dat met "openlijk geweld" in de zin van art. 141 Sr wordt bedoeld geweld dat zich onverholen door niet-heimelijke daden heeft geopenbaard. Volgens HR 26 juni 1979, NJ 1979, 618 is niet vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was.(2) Voldoende lijkt dus te zijn dat het geweld wordt gepleegd op een plaats waar normaliter publiek aanwezig is, niet beslissend is derhalve dat dit publiek (toevallig) niet aanwezig is ten tijde van het geweld, aldus Noyon-Langemeijer-Remmelink.(3) Wedzinga merkt op dat met verenigde krachten gepleegd geweld, dat zich manifesteert op een openbare plaats, d.w.z. een feitelijk voor het publiek toegankelijke plaats, en dat door omstanders is waargenomen, garant staat voor een veroordeling op grond van art. 141 (oud; WHV) Sr en dat hierbij gedacht kan worden aan situaties waarin het geweld wordt uitgeoefend in een openbare gelegenheid, zoals een café of een discotheek.(4) Wordt geweld gepleegd in de beslotenheid van een woning dan zal dat doorgaans niet als openlijk kunnen worden aangemerkt omdat daarbij doorgaans geen publiek aanwezig zal zijn en het doorgaans van buiten de woning niet waarneembaar zal zijn. Daardoor mist het het ordeverstorende karakter waartegen art. 141 Sr als misdrijf tegen de openbare orde zich richt.

9. Het door de verdachte en zijn mededader in vereniging gepleegde geweld vond plaats in de woning van het slachtoffer. De bedreiging houdt in dat men "met vier" terug zou komen en het slachtoffer dan helemaal in elkaar zou schoppen. De bedreiging houdt niet in dat de geweldpleging openlijk, bijvoorbeeld wanneer men het slachtoffer op straat zou zien lopen, zou geschieden. Dat wordt niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat de bedreiging werd gedaan tegen de achtergrond van het reeds gepleegde geweld. Dat laatste vond immers niet openlijk plaats, terwijl de bedreiging inhield dat men "terug" zou komen, dus kennelijk naar de woning van het slachtoffer.

10. Het voorgaande brengt mee dat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

11. Het middel slaagt.

12. Het eerste middel kan worden afgedaan met de in art. 81RO bedoelde motivering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Wel merk ik op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaar nadat op 16 februari 2007 cassatieberoep werd ingesteld, zodat verdachtes recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is geschonden. Indien de Hoge Raad de strekking van deze conclusie volgt zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen dienen te beoordelen of dit gevolgen voor de strafoplegging dient te hebben, en zo ja, welke.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat het betreft het onder 2 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 37 op art. 342 (suppl. 107, november 1997).

2 Zie ook HR 26 februari 1988, NJ 1988, 821, HR 13 juni 2006, NJ 2006, 345.

3 Het Wetboek van Strafrecht, art. 141 Sr, aant. 5 (suppl. 138, mei 2007).

4 W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging, Arnhem 1992, p. 80.