Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI1006

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
07/11642
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI1006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verjaring bij verzet. Ingeval volgens de wet verzet openstaat en door verdachte verzet is gedaan, kan o.g.v. art. 402 (oud) en art. 403 (oud) Sv de vraag of het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen, pas aan de orde komen als verdachte te dienenden dage in rechten verschijnt (vgl. HR LJN AV6216). In aanmerking genomen dat verdachte niet ttz is verschenen, dat is gehouden n.a.v. het door verdachte tegen het bij verstek gewezen vonnis gedane verzet, kon dus aldaar de vraag naar verjaring niet aan de orde komen. In cassatie kan slechts de vervallenverklaring van het verzet worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 279
RvdW 2009, 748
NJB 2009, 1284
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11642

Mr. Vellinga

Zitting: 31 maart 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De Kantonrechter in de Rechtbank te Utrecht heeft de verdachte bij vonnis van 25 februari 2003 ter zake van op 8 april 2001 "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor haar blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden bevinden" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van veertig euro. Na gedaan verzet heeft de Kantonrechter de verdachte bij vonnis van 9 november 2005 wederom ter zake van "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor haar blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden bevinden" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van veertig euro, subsidiair een dag hechtenis. Nu laatstgenoemd vonnis bij verstek is gewezen, zal deze uitspraak zo verstaan moeten worden dat daarbij het verzet op de voet van art. 402, eerste lid, (oud) Sv vervallen is verklaard.(1)

2. Namens de verdachte heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Aan de bespreking van het middel meen ik niet te kunnen toekomen, vanwege het volgende. Het bewezenverklaarde feit is begaan op 8 april 2001 en is een overtreding. Op grond van art. 70 Sr (oud), zoals dat luidde van 1 januari 2006 tot 7 juli 2006, verjaarden overtredingen uiterlijk na vier jaar.(2) Tussen 8 april 2001 en 7 juli 2006 is meer dan vier jaar verstreken, zodat het recht tot strafvervolging als gevolg van verjaring is vervallen.(3)

4. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de vonnissen van 25 februari 2003 en 9 november 2005 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 oktober 2007, NJ 2007, 569

2 Vgl. HR 7 november 2006, LJN AY8987.

3 Vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001, 110, HR 13 januari 1998, 106.690 (niet gepubliceerd), HR 7 april 1998, 108.224 (niet gepubliceerd). De onderhavige zaak verschilt van die welke leidde tot HR 9 mei 2006, NJ 2006, 296, omdat thans de Hoge Raad wel de instantie is die op het ingestelde rechtsmiddel heeft te beslissen.