Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI0858

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
01700/07 Hs
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI0858
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 888
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01700/07 Hs

Mr. Fokkens

Zitting 31 maart 2009

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 6 januari 2006 wegens 1. tot en met 7. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 8. "poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" en 9. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden. Voorts heeft het Gerechtshof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de aanvrager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest vermeld.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. P.P. Verdoorn, advocaat te Apeldoorn. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2° Sv. Wat wordt aangevoerd komt erop neer dat in aanvragers zaak destijds geen veroordeling zou zijn gevolgd voor feit 1 indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat de geuridentificatieproef in deze zaak niet op de juiste wijze is uitgevoerd, waardoor het resultaat daarvan niet tot het bewijs kan worden gebruikt.

3. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad van april 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt, en dat de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.

4. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.

5. Het Gerechtshof heeft volstaan met een verkort arrest. Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken een verkort proces-verbaal van de terechtzitting van het Gerechtshof. Het voorgaande brengt mee dat nu geen uitgewerkt arrest voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en dat aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat, ware het Gerechtshof daarmee bekend geweest, hij aanvrager zou hebben vrijgesproken.

6. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid. Ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde diefstal:

a. Tussen 12 juli 2003 21.30 uur en 13 juli 2003 17.00 uur heeft een diefstal plaatsgevonden van een bedrijfsterrein aan de [a-straat 1] te [plaats].(2)

Aangever heeft op 12 juli 2003 omstreeks 21.30 uur nabij zijn transportbedrijf aan de [a-straat 1] een Mercedes personenauto zien staan met een drietal mannen erin. Het kenteken van deze personenauto was [AA-00-...] Op 13 juli 2003 omstreeks 17.00 uur zag aangever dat het toegangshek tot het terrein volledig verbroken was. Het slot was vernield. Een vrachtauto van het merk M.A.N., voorzien van het kenteken [CC-00-DD], is weggenomen. Er is ook een oplegger, geladen met aluminium wasplaten weggenomen. De oplegger stond achter een vrachtauto van het merk DAF, voorzien van kenteken [EE-00-FF]. Onderzoek wees uit dat hiervan de sloten geforceerd waren. De dader(s) hebben de stuurkolom volledig vernield en de bedrading doorverbonden.(3) In laatstgenoemde vrachtwagen is een plastictas aangetroffen inhoudende een schroevendraaier en een broek. De schoevendraaier en broek werden als sorteermateriaal veiliggesteld.(4)

b. Op 12 juli 2003 vanaf 19.30 uur hebben de getuigen [getuige 1 en 2] in de omgeving van het bedrijfsterrein meermalen een donkergrijze Mercedes personenauto gezien. Het kenteken van deze personenauto is [AA-00-BB].(5)

c. Op 12 juli 2003 omstreeks 21.45 uur heeft de getuige [getuige 3] de gestolen vrachtwagencombinatie van de firma [B] zien rijden op de A7.(6)

d. De getuige [getuige 4] heeft enige tijd voor de diefstal van de oplegger met aluminium wasplaten een auto zien rijden. De auto reed langzaam over de [a-straat] en de bestuurder stopte enige tijd bij het opslagterrein van de vrachtauto's van [B]. Het betrof een grijs/bruine Mercedes personenauto.(7)

e. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van een schroevendraaier (spanningzoeker) die vermoedelijk door de dader is achtergelaten in een plastictas. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(8)

f. De grijze Mercedes personenauto, voorzien van kenteken [AA-00-BB], stond volgens informatie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer in de periode van 8 juli 2003 tot 18 juli 2003 op naam gesteld van een mededader. Ondanks dat het kenteken [AA-00-BB] vanaf 18 juli 2003 niet meer op naam was gesteld van genoemde mededader, werd op 31 juli deze auto door de politie in Helden gecontroleerd. Als bestuurder trad toen op de aanvrager, terwijl de mededader eveneens in de auto zat.(9)

7. Behoudens de positieve geuridentificatieproef houdt het dossier geen bewijsmateriaal in, waaruit kan volgen dat aanvrager bij de diefstal betrokken was. Uit het voorgaande volgt naar mijn oordeel dat niet aannemelijk is dat het Gerechtshof zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 1 zou zijn gekomen. Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Gerechtshof, ware hij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening in voege als voormeld gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC 8789, NJ 2008, 591.

2 Zie het proces-verbaal van aangifte, dossierpagina's 000752-000754.

3 Zie het proces-verbaal van aangifte, dossierpagina's 000752-000754.

4 Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, dossierpagina's 000755-000758.

5 Zie het proces-verbaal van verhoor, dossierpagina's 000800-000801; proces-verbaal van verhoor, dossierpagina's 000802-000803.

6 Zie het proces-verbaal van verhoor, dossierpagina's 000806-000807.

7 Zie het proces-verbaal van verhoor, dossierpagina's 000808-000809.

8 Zie het proces-verbaal technisch onderzoek, dossierpagina's 000790-000793.

9 Zie het proces-verbaal relaas van onderzoek, dossierpagina's 000736-000746.