Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI0738

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
08/04511 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI0738
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 568
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04511 H

Mr Jörg

Zitting 17 februari 2009

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Namens [aanvrager] heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, een aanvraag tot herziening van een arrest van het hof te 's-Gravenhage van 28 maart 2006 ingediend, waarbij aanvrager wegens onverzekerd rijden is veroordeeld. Dit arrest is onherroepelijk geworden door de verwerping door de Hoge Raad van het daartegen ingestelde cassatieberoep bij arrest van 3 april 2007, nr. 01070/06. Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd houdt in dat het bewezenverklaarde feit op 15 mei 2004 te 's-Gravenhage is gepleegd met een auto met het kenteken [AA-00-BB].

2. Voorop gaat de opmerking dat van de zijde van verzoeker verkeerd is geprocedeerd. In de cassatieprocedure heeft hij dezelfde, navolgende, bescheiden omtrent het bewezenverklaarde aan Uw Raad overgelegd, als hij thans doet in de herzieningsprocedure. Dat de Hoge Raad als cassatierechter daarvan geen kennis kon nemen was bij voorbaat evident. Het ware beter geweest indien verzoeker in 's hofs arrest had berust en na het onherroepelijk worden ervan de herzieningsprocedure had gestart.

3. De aanvraag berust op de stelling dat destijds voor het desbetreffende voertuig wel een verzekering als bedoeld in art. 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van kracht was.

4. Als bewijsmiddelen als bedoeld in art. 459 Sv zijn aan de aanvraag gehecht:

- een kopie van een brief van [A] B.V., gevolmachtigd agent van N.V. [B], van 18 mei 2006, die inhoudt:

"Geachte [aanvrager],

Ter voldoening aan het gestelde in artikel 34, lid 2, van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verklaart

N.V. [B] (...)

hierbij dat op 15 mei 2004 (...) voor het motorvoertuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB] een verzekering van kracht was welke aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed, afgesloten onder polisnummer [002] en dat het CRWAM, voor zover noodzakelijk, is aangevuld danwel gecorrigeerd.(...)";

- een kopie van een Internationaal Motorrijtuigenverzekeringsbewijs (zgn. Groene Kaart), afgegeven door [A] B.V., gevolmachtigde van N.V. [B], geldig van 28 oktober 2003 tot en met 19 september 2004, dat als kenteken vermeldt [AA-00-BB], als naam van de verzekerde [aanvrager] en als polisnummer [002];

- een kopie van een op naam van de aanvrager gestelde Afrekening Girorekening, waarop staat vermeld dat van de desbetreffende rekening op 26 september 2003 een bedrag van € 697 is overgemaakt aan [A] B.V. onder vermelding van polisnummer [002].

5. De onderhavige stukken heb ik niet aangetroffen in het dossier, waarvan het hof kennis heeft genomen. Wel heeft blijkens het proces-verbaal van de behandeling bij het hof de verdachte aldaar kennelijk een groene kaart getoond. Welke dat was is ongewis aangezien de advocaat-generaal ter zitting spreekt over een groene kaart met peildatum 15 december 2003. De thans overgelegde kopie van een groene kaart vermeldt nergens een datum 15 december 2003.

6. De aan de aanvraag gehechte stukken, met name de verzekeringsverklaring die tot stand is gekomen en afgegeven nadat het hof uitspraak had gedaan, bieden steun aan de stelling dat op 15 mei 2004 voor de auto met het kenteken [AA-00-BB] een verzekering overeenkomstig de WAM was afgesloten en in stand gehouden. Indien het hof met het op dat moment bestaan van die verzekering bekend zou zijn geweest, zou het uiteraard niet tot een bewezenverklaring zijn gekomen.

7. In het voetspoor van mijn voormalige collega Wortel (LJN AZ1700) wil ik wel uitdrukken het uitermate zorgelijk te vinden dat de betrouwbaarheid van het centraal register te wensen overlaat. Aan wie dat ligt is minder van belang dan de hier te maken vaststelling dat de Hoge Raad (te) vaak herzieningsverzoeken op steeds ditzelfde punt gegrond moet verklaren. In een tijd waarin wordt gezocht naar wegen om de werklast van de Hoge Raad te beperken zouden de betrokken professionele partijen hun procedures nog eens tegen het licht kunnen houden. Dan spreek ik nog niet van de overlast die de ten onrechte verdachten en veroordeelden is bezorgd, en van de ergernis over het justitiële apparaat die daar ongetwijfeld uit voortvloeit.

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van arrest van het hof van 28 maart 2006 zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof in de woonplaats van vezoeker, te 's-Gavenhage dus, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G