Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI0462

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
08/02732
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI0462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Burgerlijke stand. Naamrecht; last tot inschrijving van buitenlandse huwelijksakte in het register van huwelijken met handhaving geslachtsnaam; Internationaal privaatrecht; strekking uitzonderingsregel art. 5a lid 1 Wet conflictenrecht namen; 'fait accompli'-gedachte; keuzemogelijkheid betrokkene; HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht namen 5a, geldigheid: 2009-07-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/121 met annotatie van E. Maclaine Pont
RvdW 2009, 853
NJ 2009, 360
RFR 2009, 108
NJB 2009, 1427
JWB 2009/284

Conclusie

08/02732

Mr L. Strikwerda

Parket, 3 april 2009

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

De Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de Gemeente 's-Gravenhage

Edelhoogachtbaar College,

1. Art. 5a lid 1 van de Wet conflictenrecht namen (WCN) luidt:

"Indien de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon ter gelegenheid van de geboorte buiten Nederland zijn vastgelegd of als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat zijn gewijzigd, een en ander met inachtneming van ter plaatse geldende regels van internationaal privaatrecht, en zijn neergelegd in een overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte, worden de aldus vastgelegde of gewijzigde geslachtsnaam of voornamen in Nederland erkend. De erkenning kan niet wegens strijd met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dan een ander recht is toegepast dan uit de bepalingen van deze wet zou zijn gevolgd."

Het gaat in deze zaak om de vraag of op grond van deze bepaling een als gevolg van een in het buitenland gesloten huwelijk met toepassing van buitenlands internationaal privaatrecht gewijzigde geslachtsnaam, die is vastgelegd in een aldaar opgemaakte huwelijksakte, verplicht in Nederland moet worden erkend, ook indien de betrokkene zich tegen erkenning van de gewijzigde geslachtsnaam verzet. Na de uitspraak van de thans bestreden beschikking heeft de Hoge Raad zich in zijn beschikking van 26 september 2008, RvdW 2008, 887, over deze vraag van uitleg van art. 5 lid 1 WCN uitgesproken. De conclusie in de onderhavige zaak kan daarom kort zijn.

2. De feiten liggen als volgt (zie de tussenbeschikking van de rechtbank van 20 juni 2005 onder "Feiten" en de beschikking van het hof onder "Vaststaande feiten en het procesverloop in eerste aanleg" en r.o. 1).

(i) Verzoekster tot cassatie, hierna: de vrouw, is tijdens een korte vakantie op 10 september 2003 te New York (Verenigde Staten van Amerika) gehuwd met [de man]. De huwelijksakte vermeldt als "new surname" van de vrouw: "[achternaam de man]".

(ii) Beide echtelieden hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden ten tijde van de huwelijkssluiting in Nederland.

(iii) De vrouw heeft thans verweerder in cassatie, hierna: de ambtenaar bs, verzocht de huwelijksakte in te schrijven in het register van de burgerlijke stand met handhaving van haar geslachtsnaam ("[achternaam]").

(iv) De ambtenaar bs bij besluit van 24 augustus 2004 geweigerd gevolg te geven aan het verzoek van de vrouw.

3. Daarop heeft de vrouw op 4 oktober 2004 bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend en daarbij de rechtbank verzocht de ambtenaar bs te gelasten de huwelijksakte van de vrouw in te schrijven in het register van huwelijken van de gemeente 's-Gravenhage, zulks met handhaving van de naam "[achternaam]" van de vrouw. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de ambtenaar bs ten onrechte weigert om de huwelijksakte, met behoud van haar eigen geslachtsnaam "[achternaam]", in zijn register op te nemen, aangezien haar geslachtsnaam door haar huwelijk niet gewijzigd is, niet naar het recht van New York en evenmin naar Nederlands recht, dat ingevolge art. 2 van de Wet conflictenrecht namen (WCN) haar geslachtsnaam bepaalt.

4. De ambtenaar bs heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Hij heeft zich beroepen op het bepaalde in art. 5a WCN en gesteld dat, gelet op de vermelding in de huwelijksakte van de "new surname" van de vrouw, de geslachtsnaam van de vrouw door het huwelijk is gewijzigd, welke wijziging op grond van art. 5a WCN moet worden erkend.

5. De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 20 juni 2005 het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te 's-Gravenhage verzocht antwoord te geven op de in die beschikking omschreven vragen van New Yorks recht.

6. Nadat het IJI rapport had uitgebracht, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 16 oktober 2006 het verzoek van de vrouw toegewezen en de ambtenaar bs gelast de huwelijksakte van de vrouw in te schrijven in het register van huwelijken van de gemeente 's-Gravenhage, zulks met handhaving van de geslachtsnaam "[achternaam]" van de vrouw. De rechtbank overwoog daartoe - kort gezegd - dat op grond van het rapport van het IJI moet worden aangenomen dat de geslachtsnaam van de vrouw naar het recht van de staat New York niet is gewijzigd in de zin van art. 5a WCN, zodat dit artikel niet in de weg staat aan de door de vrouw verlangde inschrijving.

7. De ambtenaar bs is van de eindbeschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en had succes: bij beschikking van 26 maart 2008 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, het inleidende verzoek van de vrouw alsnog afgewezen. Kort samengevat overwoog het hof daartoe onder meer dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, moet worden aangenomen dat naar het recht van de staat New York het begrip "new surname" wijziging van de geslachtsnaam inhoudt als bedoeld in art. 5a WCN (r.o. 9), en dat, nu de ambtenaar bs ingevolge art. 5a WCN de in het buitenland gewijzigde naam dient in te schrijven zonder de eigen verwijzingsregels inzake namen toe te passen (r.o. 12), het verzoek van de vrouw dus moet worden afgewezen.

8. De vrouw is van de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. De ambtenaar bs heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

9. In het eerste onderdeel van het middel (cassatierekest onder 2.2) staat centraal de klacht dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 5a WCN en in het bijzonder heeft miskend dat - ik parafraseer - het artikel niet van toepassing is, indien de betrokkene niet erop heeft vertrouwd, en ook niet wenst, dat zijn naam wordt bepaald door het door de conflictregel van de vreemde staat als toepasselijk aangewezen recht.

10. In de reeds genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 2008, RvdW 2008, 887, is met betrekking tot de bepaling van art. 5a lid 1 WCN overwogen (r.o. 3.4.3) dat op grond van de wetgeschiedenis moet worden aangenomen dat de bepaling

"een uitvloeisel is van de in het internationaal privaatrecht ontwikkelde gedachte dat onder omstandigheden een 'fait accompli' moet worden aanvaard als uitzondering op het resultaat waartoe toepassing van de conflictregel leidt. De in het namenrecht geldende hoofdregel dat de naam wordt beheerst door het nationale recht van de betrokkene, kan tot een onaanvaardbaar resultaat leiden wanneer de betrokkene erop heeft vertrouwd dat zijn naam luidt zoals deze met toepassing van een ander conflictenrecht in zijn geboorteakte is vastgelegd of nadien is gewijzigd als gevolg van een wijziging van zijn persoonlijke staat. Er bestaat geen grond voor toepassing van art. 5a lid 1 wanneer de betrokkene juist erop heeft vertrouwd dat zijn naam wèl luidt zoals volgt uit de ingevolge de hoofdregel toe te passen nationale recht. Van een dergelijk vertrouwen zal in het algemeen sprake kunnen zijn indien zich bij in Nederland wonende Nederlanders in het buitenland een wijziging van hun persoonlijke staat voordoet die tot registratie in een buitenlandse akte aanleiding geeft. Dan zal in het algemeen niet kunnen worden aangenomen dat de betrokkene erop vertrouwt dat de in die buitenlandse akte voorkomende wijziging gevolg heeft voor de in Nederland gevoerde en Naar Nederlands recht bepaalde naam. Indien voor toepassing van de uitzonderingsregel van art. 5a lid 1 geen plaats is, blijft de ingevolge de hoofdregel van art. 2 bepaalde geslachtsnaam ongewijzigd."

11. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de Hoge Raad mee dat indien door een in Nederland wonende Nederlander wordt verzocht om inschrijving van een buitenlandse huwelijksakte, in het algemeen niet zonder meer mag worden aangenomen dat de betrokkene ervan uitgaat dat, in afwijking van het volgens de hoofdregel toepasselijke Nederlandse recht, de geslachtsnaam door het huwelijk is gewijzigd. Alleen indien de betrokkene de wens daartoe te kennen geeft, zal de gewijzigde geslachtsnaam kunnen worden ingeschreven. Verklaart de betrokkene echter inschrijving van de volgens de buitenlandse akte gewijzigde naam niet te wensen, dan zal de ambtenaar van de burgerlijke stand aan die wens gevolg moeten geven, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.4.4). De Hoge Raad heeft hierbij aangetekend dat ter bevordering van de rechtszekerheid moet worden aangenomen dat slechts bij gelegenheid van de inschrijving van de buitenlandse huwelijksakte gebruik kan worden gemaakt van de hier bedoelde keuzemogelijkheid, en dat van de uitgebrachte keuze een verklaring wordt opgemaakt en door de betrokkene ondertekend.

12. In het onderhavige geval staat vast dat de vrouw, evenals haar echtgenoot, ten tijde van de huwelijkssluiting de Nederlandse nationaliteit bezat en in Nederland woonde, en dat - zoals het hof op grond van zijn uitleg van het recht van de staat New York onbestreden in cassatie heeft geoordeeld - wijziging van de geslachtsnaam van de vrouw heeft plaatsgevonden. Bovendien is duidelijk dat de vrouw inschrijving van de volgens de New Yorkse huwelijksakte gewijzigde geslachtsnaam niet wenst, doch inschrijving wenst met handhaving van haar geslachtsnaam volgens Nederlands recht. De ambtenaar bs had, zo volgt uit de genoemde uitspraak van de Hoge Raad, aan deze wens gevolg moeten geven. Het oordeel van het hof dat, ondanks het feit dat de vrouw ten tijde van het opmaken van de New Yorkse akte de Nederlandse nationaliteit bezat en in Nederland woonde, en dat de vrouw te kennen heeft gegeven inschrijving van de volgens de buitenlandse akte gewijzigde naam niet te wensen, de uitzonderingsregel van art. 5a lid 1 van toepassing is, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De daarop gerichte klacht van het eerste onderdeel van het middel treft bij gevolg doel.

13. De overige door het middel aangevoerde klachten behoeven geen behandeling.

14. Na vernietiging van de bestreden beschikking kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door op het bestaande hoger beroep de door de ambtenaar bs aangevoerde grieven tegen de eindbeschikking van de rechtbank wegens gebrek aan belang te verwerpen en met verbetering van gronden die beschikking te bekrachtigen, met dien verstande dat aan de last tot inschrijving als voorwaarde wordt verbonden dat van de door de vrouw uitgebrachte keuze voor de geslachtsnaam "[achternaam]" een verklaring wordt opgemaakt en door haar ondertekend.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als weergegeven onder 14.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,