Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI0123

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08/01378 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI0123
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Gegrondverklaring van de aanvrage tot herziening op gronden als vermeld in conclusie AG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 541
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 08/01378 H

Mr. Bleichrodt

Zitting 23 december 2008

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft aanvrager bij onherroepelijk arrest van 5 januari 2005 wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 320,- (subsidiair zes dagen hechtenis). Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 150,- en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens aanvrager heeft Mr. M. Elderhuis, advocaat te Winschoten, herziening gevraagd van het arrest van het Hof op de grond dat er sprake zou zijn geweest van een persoonsverwisseling.

3. Uit de stukken van het geding blijkt dat op woensdag 30 april 2003 omstreeks 01.30 uur te Maasdijk (Naaldwijk) een persoon is aangehouden op verdenking van het in de nacht van 30 april 2003 plegen van 'diefstal c.q. verduistering in vereniging van bouwmateriaal vanaf een bouwlocatie aan de Industriestraat te Naaldwijk'. Gebleken is dat deze persoon, van wie volgens het proces-verbaal van aanhouding de personalia luiden [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1974, wonende te [a-straat 1] in [plaats A], tezamen met een andere man, [betrokkene 2], op een tijdstip gelegen kort voor hun aanhouding goederen hebben weggenomen toebehorende aan [de benadeelde partij]. Deze persoon is voorts evenals [betrokkene 2] enkele uren na diens aanhouding in vrijheid gesteld. Voorts blijkt uit de stukken dat zowel de inleidende dagvaarding als de appèldagvaarding niet in persoon aan aanvrager zijn betekend en dat aanvrager in eerste aanleg en in hoger beroep bij verstek is veroordeeld.

4. In de aanvrage wordt gesteld dat het op 30 april 2003 gepleegde strafbare feit niet door aanvrager, maar kennelijk door de persoon genaamd [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1974, is gepleegd. In de aanvrage wordt daartoe het volgende aangevoerd:

i) aanvrager ([aanvrager]) is, anders dan in het politie proces-verbaal wordt gerelateerd, nooit woonachtig geweest in de gemeente [plaats A], en heeft altijd ingeschreven gestaan in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente [plaats B];

(ii) wel heeft op het in het in het proces-verbaal genoemde adres in [plaats A] toentertijd ingeschreven gestaan genoemde [betrokkene 1];

iii) ter onderbouwing van een en ander is bij de aanvrage gevoegd een afschrift van een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente [plaats A] d.d. 20 april 2007, welk uittreksel inhoudt dat [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1974) woonachtig is geweest in de gemeente [plaats A] op het adres [a-straat 1] en dat deze [betrokkene 1] op 18 augustus 2003 (dus kort ná de pleegdatum van het onderhavige feit) vertrokken is naar [plaats C]. Voorts houdt een bijgevoegd afschrift uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente [plaats B] d.d. 21 juni 2007 in dat aanvrager, [aanvrager], staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats B]. Bij de aanvrage is voorts nog een afschrift van een uitdraai gevoegd, afkomstig uit - naar ik uit die uitdraai opmaak - de 'Integrale Zoek en Raadpleeg Module' met daarin opgenomen de adreshistorie van aanvrager, welke historie inhoudt dat aanvrager - op een enkele uitzondering na - veelal in de gemeente [plaats B] stond ingeschreven. In ieder geval houdt dit overzicht niets in over enige inschrijving van aanvrager in de gemeente [plaats A](1);

iv) verder onderbouwt de aanvrager het door hem gestelde door erop te wijzen dat in het door de politie Haaglanden opgemaakte zaaksdossier medeverdachte [betrokkene 2] in het proces-verbaal van verhoor d.d. 30 april 2003 (pagina 33 e.v. van het zaaksdossier) aangeeft dat hij op de avond van de diefstal samen was met [betrokkene 1], welke [betrokkene 1] een vriend van hem was.

5. Naast hetgeen in de aanvrage is aangevoerd acht ik voor de beoordeling van de aanvrage nog het volgende van belang:

a) het proces-verbaal van aanhouding van aanvrager vermeldt niet dat of op welke wijze de aangehouden persoon zich heeft geïdentificeerd ten overstaan van de politie. Ook blijkt niet uit het zaaksdossier of en hoe de persoonsgegevens door de politie zijn geverifieerd.(2) Wel wordt op pagina 23 van het zaaksdossier melding gemaakt van een gba-nummer ([...]). Uit een door mij verricht onderzoek in de 'VerwijsIndex Personen' (hierna: VIP) blijkt dat dit nummer gekoppeld is aan de persoon van [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1974 te [plaats B];

b) in het zaaksdossier wordt enkel op pagina 6 de geboorteplaats van de aangehouden persoon vermeld. Onder het kopje 'identiteit verdachte' wordt daar gerelateerd dat de volledige personalia van verdachte luiden: '[aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1974 te [plaats A]', terwijl in alle overige zich in het zaaksdossier bevindende processen-verbaal onder de rubriek 'geboorteplaats' niets staat vermeld. Uit eerder genoemd afschrift uit de VIP, het door aanvrager overgelegde afschrift uit de gemeentelijke basisadministratie personen betreffende [aanvrager], alsmede uit de verscheidene zich onder de stukken bevindende en op aanvrager betrekking hebbende GBA-overzichten blijkt dat aanvrager niet in [plaats A], maar in [plaats B] is geboren;

c) het strafbare feit ter zake waarvan aanvrager is veroordeeld is gepleegd in Naaldwijk, welke plaats tamelijk dicht bij [plaats A] is gelegen.

6. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv slechts dienen een door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

7. Uit hetgeen in de aanvrage is aangevoerd en de ter staving daarvan overgelegde stukken, alsmede uit hetgeen ik hierboven onder 5 heb opgemerkt, vloeit mijns inziens het ernstige vermoeden voort dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een persoonsverwisseling zoals door aanvrager is gesteld en dat ware de rechter met een en ander bekend geweest hij de verdachte zou hebben vrijgesproken. Van grote betekenis daarbij acht ik vooral de omstandigheid dat [betrokkene 1] toen op het in het zaaksdossier genoemde adres van verdachte '[aanvrager]', te weten: [a-straat 1] te [plaats A], ingeschreven stond, terwijl aanvrager - die vrijwel zijn hele leven heeft ingeschreven gestaan in de Gemeente [plaats B] - klaarblijkelijk nimmer en in ieder geval niet ten tijde van het plegen van het strafbare feit in [plaats A] heeft gewoond. Verder noemt verdachte [betrokkene 2] zijn mededader [betrokkene 1] en dat meermalen, zodat een kennelijke vergissing of verschrijving niet aannemelijk is. Daarbij komt nog wat ik hierboven onder 5 heb opgemerkt.

Ik voeg daar volledigheidshalve nog aan toe dat ik de vraag hoe deze persoonsverwisseling precies heeft kunnen plaatsvinden aan de hand van de mij bekende gegevens niet kan beantwoorden, doch ligt het mijns inziens voor de hand dat er - gelet op de overeenkomsten tussen achternaam, voorletter en geboortejaar van aanvrager en [betrokkene 1] - ten tijde van het verifiëren van de adresgegevens van verdachte [aanvrager] door de politie iets fout moet zijn gegaan.

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak naar een ander gerechtshof zal verwijzen, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De inhoud van deze uitdraai komt, voor zover betrekking hebbende op de historische adresgegevens van aanvrager, overeen met de inhoud van de zich onder de stukken bevindende GBA-overzichten, die ten behoeve van de betekening van de dagvaarding/oproeping en/of uitreiking van de gerechtelijke uitspraken gedurende de onderhavige strafzaak op naam van aanvrager zijn opgevraagd. Uit het aan de inleidende dagvaarding gehechte GBA-overzicht volgt dat aanvrager ten tijde van het plegen van het onderhavige feit in [plaats B] woonde.

2 Ik merk hier op dat ik bij brief van 1 december 2008 aan de politie Haaglanden nadere inlichtingen heb gevraagd. Meer in het bijzonder heb ik in voornoemde brief gevraagd of er - gelet op de omstandigheid dat blijkens het zaaksdossier de op 30 april 2003 aangehouden verdachten in verzekering zijn gesteld - van de verdachte Meijer vingerafdrukken zijn afgenomen en of kan worden nagegaan of die vingerafdrukken overeenkomen met die van de aanvrager. In antwoord op mijn brief heeft de politie Haaglanden bij brief van 8 december 2008 medegedeeld dat de verdachten - anders dan op pagina 7 van het zaaksdossier staat vermeld - niet in verzekering zijn gesteld en dat er daarom ook geen dactyloscopische signalementen van de aangehouden verdachten zijn opgemaakt. Nadere informatie omtrent de aanhouding van de verdachte(n) en/of de wijze waarop de adresgegevens van de verdachte(n) zijn geverifieerd bevat laatstgenoemde brief niet.