Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BI0069

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
26-06-2009
Zaaknummer
07/11758
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI0069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht; afgewezen vordering tot ontbinding huurovereenkomst (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 807
JWB 2009/245
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 07/11758

Mr. Huydecoper

Zitting van 3 april 2009

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

De vereniging Eindhovense Aeroclub Motorvliegen (E.A.C.M.)

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. Tussen de eiser tot cassatie, [eiser], en de verweerster, de E.A.C.M., is een huurovereenkomst aangegaan die er, kort gezegd, toe strekte dat [eiser] met ingang van 15 december 1998 de barruimte c.a. huurde van het clubhuis van de E.A.C.M. aan de Luchthavenweg in Eindhoven (dat clubhuis lag, zoals uit de stukken blijkt, op het bij Eindhoven gelegen burger- en militaire vliegveld).

De overeenkomst is aangegaan voor vier jaar; maar is met wederzijds goedvinden beëindigd, eind november 2002.

2. [Eiser] vorderde in deze procedure - volgens de vaststellingen van het hof(2) - schadevergoeding ten laste van de E.A.C.M. op de grond dat de E.A.C.M. jegens hem, [eiser], tekort is geschoten, en wel in tenminste drie opzichten:

- anders dan aan [eiser] in het vooruitzicht was gesteld, is hem niet in (of omstreeks) augustus 1999 een nieuwe en aanmerkelijk verbeterde barruimte (elders op het vliegveld, in de stukken wel aangeduid als "aan de overkant") ter beschikking gesteld;

- (het bestuur van) de E.A.C.M. zou ten opzichte van [eiser] een "ontmoedigingsbeleid" hebben gevoerd, dat er onder meer in bestond dat leden van de vereniging afkerig van [eiser] en/of diens dienstverlening werden gemaakt, en dat (werd bevorderd dat) evenementen die naar redelijke verwachting van [eiser] in de gehuurde ruimte en/of met gebruik van de cateringdiensten van [eiser] zouden worden georganiseerd, elders en/of met inschakeling van derden plaatsvonden; en

- de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot het gehuurde werden verwaarloosd.

3. In eerste aanleg werd de op deze gronden gebaseerde vordering afgewezen, waarbij de (kanton)rechter overwoog dat de gestelde feiten niet waren komen vast te staan en dat [eiser] had nagelaten aan te geven hoe bewijs van (essentiële delen van) die feiten zou kunnen worden geleverd.

In hoger beroep vermeerderde [eiser] de vordering door zijn schade te berekenen naar rato van de jaarwinst die, volgens hem, bij tien jaar exploitatie van de barruimte e.a. zoals die volgens hem ter beschikking had behoren te worden gesteld, gerealiseerd had kunnen worden (en dus, voeg ik op eigen gezag toe: op de voet van het "positieve contractsbelang" dat met de verplichtingen zoals [eiser] die stelde, gemoeid was). Tevens bood [eiser] bewijs aan van de in alinea 2 hiervóór samengevat weergegeven stellingen.

4. In het al genoemde tussenarrest(3) van 8 november 2005 gaf het hof een samenvatting van de vorderingen en het verweer, en droeg het [eiser] inderdaad bewijs op terzake van de drie eerder bedoelde stellingen.

Vervolgens vonden uitgebreide getuigenverhoren plaats. Ik vermeld, ook omdat daarover in het cassatiemiddel een afzonderlijke klacht voorkomt, dat [eiser] zelf niet als (partij-)getuige werd gehoord omdat dat, naar werd meegedeeld, met het oog op diens gezondheidstoestand niet in aanmerking kwam; maar dat daarbij is aangekondigd dat een schriftelijke verklaring van [eiser] zou worden overgelegd met bijbehorend (bewijs-)materiaal. Deze verklaring(en) en een omvangrijke hoeveelheid bijbehorend materiaal zijn inderdaad in het geding gebracht.

Na de gebruikelijke conclusies/memories na enquête, werd arrest gevraagd.

5. Bij het eindarrest beoordeelde het hof het bewijsmateriaal en kwam het tot de slotsom dat het bewijs op geen van de te bewijzen opgedragen punten was geleverd. Het vonnis van de eerste aanleg werd dus bekrachtigd, en het bijwege van eisvermeerdering gevorderde werd afgewezen, met verdere beslissingen als gebruikelijk.

6. Namens [eiser] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(4) tegen het interlocutoire arrest en het eindarrest. Van de kant van de E.A.C.M. is tot verwerping geconcludeerd. Partijen hebben van weerszijden hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Zijdens van [eiser] is schriftelijk gerepliceerd.

Ontvankelijkheid

7. In alinea 1.14 van de schriftelijke toelichting namens [eiser] wordt terloops meegedeeld dat er "een reeds geruime tijd bestaande wsnp-situatie ten aanzien van [eiser] en zijn echtgenote" zou zijn (oplettende lezers hadden een verwijzing daarnaar in de "kop" van de cassatiedagvaarding reeds opgemerkt; en zie ook de in het dossier aanwezige brief van Mr. Garretsen aan de rolraadsheer van 26 september 2007).

In de schriftelijke toelichting wordt toegevoegd dat nog uitsluitsel zal worden gegeven over de instemming van de rechter-commissaris betreffende het onderhavige cassatieberoep.

8. Uit het Centraal Insolventieregister blijkt dat op [eiser] (en op [betrokkene 1], aan hetzelfde adres in [woonplaats] woonachtig) op 23 juli 2004 een definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Navraag bij de bewindvoerder(5) heeft opgeleverd dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling is geëindigd en dat bij arrest van 29 januari jl. is geconstateerd dat [eiser] voor de zogenaamde "schone lei" in aanmerking kwam.

Volgens de "kop" van de cassatiedagvaarding en alinea 1.3 van de namens [eiser] gegeven schriftelijke toelichting, stemt de zojuist vermelde naam overeen met [eiser]s ("echte") naam (die dus enigszins afwijkt van de in de processtukken telkens vermelde naam). Van de bewindvoerder is bevestiging verkregen dat het inderdaad dezelfde persoon betreft. Het lijkt mij verantwoord om daar bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van uit te gaan.

9. Ingevolge art. 313 Fw zijn onder andere de art. 25 en 27 Fw in geval van toepasselijkverklaring van de schuldsaneringsregeling, van overeenkomstige toepassing.

Art. 27 Fw voorziet in de verdere voortgang van tijdens een faillissement aanhangige rechtsvorderingen die door de schuldenaar/gefailleerde zijn ingesteld. De regeling komt erop neer dat de verweerder het recht heeft schorsing van het geding te verlangen en de curator tot overneming van het geding op te roepen; met verdere regels voor het geval aan een dergelijke oproeping geen gevolg wordt gegeven.

10. Blijkens HR 18 november 1983, NJ 1984, 256 m.ntn. G. en WHH, rov. 3.2, is deze regeling ook van toepassing als de gefailleerde zelfstandig hoger beroep instelt tegen een beslissing betreffende een door hem in eerste aanleg ingestelde rechtsvordering; en is de gefailleerde dan in een dergelijk hoger beroep niet niet-ontvankelijk(6).

Ik zie geen reden om hier voor het geval de gefailleerde cassatieberoep laat instellen, anders over te denken.

11. De overeenkomstige toepasselijkheid van deze regels op het geval van schuldsanering brengt dan mee dat de schuldenaar op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is eveneens zelfstandig rechtsmiddelen kan aanwenden; in welk geval aan de wederpartij de in art. 27 Fw voorziene bevoegdheid toekomt.

De ontvankelijkheid van de betrokkene in zijn hoger beroep of cassatieberoep komt daarbij niet in het geding. Dat geldt dan ook voor het geval zou moeten worden aangenomen dat [eiser] ten tijde van het aanhangig maken van de onderhavige cassatieprocedure onder een schuldsaneringsregeling viel. Instemming van de bewindvoerder en/of de rechter-commissaris doet in het kader van de hier toepasselijke rechtsregels niet terzake.

12. Men is misschien nieuwsgierig hoe het zich kan voordoen dat een geding betreffende aanmerkelijke geldsbedragen die in de onder een schuldsanering begrepen boedel zouden vallen, en een geding dat ogenschijnlijk ook aanmerkelijke kosten met zich meebrengt, hangende de toepasselijkheid van een schuldsaneringsregeling kan worden voortgezet zonder dat blijkt van wetenschap van de bewindvoerder of van diens instemming - maar die vraag staat hier niet ter beoordeling. Voor de ontvankelijkheid van [eiser]s cassatieberoep en voor de verdere beoordeling in cassatie vormt het feit dat ten tijde van het instellen van het cassatieberoep de schuldsaneringsregeling - vermoedelijk - op [eiser] van toepassing was, geen beletsel.

Bespreking van het cassatiemiddel

13. In het middel lees ik drie van elkaar onafhankelijke klachten. Bespreking daarvan in de volgorde waarin zij worden aangevoerd ligt dan voor de hand; en ik zal mij aan het voor de hand liggende conformeren.

14. Onder I klaagt het middel, in wezen, dat de stellingen en aanwijzingen waarover het hof bij het wijzen van het tussenarrest van 8 november 2005 had te oordelen van dien aard waren, dat die een bewijsvermoeden in het voordeel van [eiser] opleverden; en dat dat eraan in de weg stond dat een bewijsopdracht aan [eiser] werd verstrekt zoals dat door het hof in het tussenarrest is gedaan.

15. Ik wijs erop dat de in de vorige alinea weergegeven essentie van deze klacht berust op een enigszins welwillende lezing van wat daadwerkelijk in, met name, subalinea's 1.2 - 1.4 van dit middelonderdeel wordt aangevoerd. Strikt genomen wordt daar alleen verwezen naar stellingen c.q. aanwijzingen die ertoe strekken dat [eiser] zou meeverhuizen naar de nieuwe clubhuisruimte die de E.A.C.M. voornemens was te realiseren, en dat de desbetreffende ruimte in een belangrijk aantal opzichten verbeteringen zou opleveren ten opzichte van de aanvankelijk bestaande ruimte. Wat het hof (in rov. 4.4 van het tussenarrest) als centraal geschilpunt heeft aangemerkt en te bewijzen heeft opgedragen is iets wezenlijk anders dan dat: namelijk, dat de E.A.C.M. zich zou hebben verbonden om een barruimte met de door [eiser] genoemde eigenschappen (al) in augustus 1999 ter beschikking te stellen.

16. Ik lees in dit middelonderdeel geen klacht dat dit door het hof geformuleerde bewijsthema in het licht van de gedingstukken onjuist of onvoldoende begrijpelijk zou zijn (en er ontbreekt dan ook de met het oog op art. 407 lid 2 Rv. noodzakelijke verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken die een dergelijke klacht zouden kunnen onderbouwen). Volledigheidshalve merk ik op dat het bewijsthema zoals het hof dat hier heeft aangewezen, volledig aansluit bij de op het onderhavige geschilpunt gerichte Grief II (zie p. 12 van de Memorie van Grieven, waar het hof letterlijk bij "aansluit"; zie overigens ook de tekst onderaan p. 13, overlopend naar p. 14 van de Memorie van Grieven).

Nu de onderhavige klacht alleen zin heeft als men die betrekt op het bewijsthema zoals het hof dat heeft geïdentificeerd, lijkt het mij geoorloofd de klacht zo te lezen als ik hiervóór in alinea 14 heb gedaan.

17. De klacht lijkt mij echter ook bij deze lezing niet doeltreffend (bij de andere hiervóór onderzochte lezing is dat in versterkte mate het geval - de klacht gaat dan geheel langs het bestreden oordeel heen). Zoals namens de E.A.C.M. bij schriftelijke toelichting is opgemerkt, wijst de klacht immers niet - althans: véél te summier - aan, welke gegevens uit de dossierstukken er aan ten grondslag worden gelegd (en waarom dus aangenomen zou mogen worden dat er een vermoeden ten gunste van [eiser] was aangetoond, of waarom het (impliciete) oordeel dat dat niet zo was, nadere motivering zou behoeven).

18. Daarnaast - zoals eveneens namens de E.A.C.M. betoogd - geldt dat de waardering van bewijsmateriaal, en dus ook de beoordeling of op de voorhand dusdanig bewijs is geleverd dat dat een vermoeden ten gunste van de met bewijslast belaste partij rechtvaardigt, in sterk overwegende mate met waarderingen van feitelijke aard samenhangt, en daarom in cassatie niet voor inhoudelijke beoordeling in aanmerking komt(7). De motivering van een dergelijk oordeel kan in cassatie wel worden bestreden; maar zoals uit mijn eerdere opmerkingen al bleek, wordt (praktisch gesproken) niets aangevoerd wat de motivering van het hier (impliciet) gegeven oordeel op inhoudelijke gronden bestrijdt.

19. Ik voeg nog toe dat ten overstaan van het hof ook niet was aangevoerd dat het vóór het tussenarrest reeds ingebrachte materiaal het hof ertoe zou moeten brengen, een vermoeden ten gunste van de juistheid van het namens [eiser] verdedigde aan te nemen. Daarentegen was, op de in alinea 16 hiervóór aangehaalde plaatsen in de Memorie van Grieven, slechts expliciet en zonder relevant voorbehoud getuigenbewijs van de desbetreffende stelling(en) van [eiser] aangeboden.

Tegen die achtergrond valt goed te begrijpen dat de gedachte aan een bewijsvermoeden in [eiser]s voordeel niet expliciet in 's hofs tussenarrest ter sprake komt. De motiveringsplicht van de rechter houdt nauw verband met wat in het partijdebat ter beoordeling is voorgelegd(8).

Dat alles leidt ertoe dat ik onderdeel I als ondoeltreffend beoordeel.

20. Onderdeel II grijpt aan op het in alinea 4 hiervóór al even aangehaalde gegeven: in de loop van de getuigenverhoren in appel is aangekondigd dat ([eiser] niet als partijgetuige gehoord zou worden maar dat) een schriftelijke verklaring van [eiser] met verder materiaal zou worden overgelegd; en dat is vervolgens ook gebeurd.

De klacht komt er op neer dat het hof dit bewijsmateriaal ten onrechte niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken, althans dat daarvan onvoldoende uit de gegeven motivering zou blijken.

21. Het eerste element uit deze klacht is ongegrond omdat duidelijk is dat het hof wél rekening heeft gehouden met de "in het geding gebrachte schriftelijke stukken": in rov. 8.3 van het eindarrest wordt daaraan uitdrukkelijk aandacht besteed. Ik zie geen enkele reden om te veronderstellen dat de door dit middelonderdeel bedoelde verklaring(en)(9) e.a. daarbij over het hoofd zouden zijn gezien.

Dat het hof het, wat motivering betreft, heeft gelaten bij de lapidaire constatering dat deze schriftelijke stukken ook geen toereikend bewijs opleveren is met name daarom goed te begrijpen, dat de namens [eiser] overgelegde stukken uitermate omvangrijk waren(10) en, voeg ik op eigen gezag toe(11), ook voor een heel groot deel de indruk wekken dat zij maar van weinig betekenis kunnen zijn voor de toelichting of beoordeling van de aan het hof voorgelegde geschilpunten(12). In de eigenlijke gedingstukken was van de kant van [eiser] ook niet of nauwelijks aangegeven op welke stukken c.q. passages uit het omvangrijke pakket dat was overgelegd, in het bijzonder een beroep werd gedaan (de verklaringen van [eiser] zelf bevatten hierover wel enige informatie).

22. Men kan zich op goede gronden afvragen of de rechter bij een beoordeling als de onderhavige wel acht mag slaan op materiaal dat hem op zo'n manier wordt voorgelegd. Wanneer een partij zich beroept op talrijke en deels omvangrijke stukken zonder nauwkeurig aan te geven wat (volgens haar) de relevantie van de desbetreffende stukken is, wordt het de rechter maar ook de andere partij(en) buitengewoon moeilijk gemaakt om naar behoren vast te stellen - wat de rechter betreft - waarover nu precies een oordeel wordt gevraagd, en wat de andere partijen betreft: waar zij bij hun processuele standpuntbepaling rekening mee hebben te houden(13).

23. Met deze gegevens voor ogen meen ik dat het hof kon volstaan met de sobere motivering die het op dit punt heeft gegeven. Eenmaal aangenomen dat de schriftelijke stukken in kwestie niet tot een beslissing in het nadeel van de E.A.C.M. leidden, kon het hof voorbijgaan aan de vraag of de manier waarop die stukken waren ingebracht met het oog op de goede procesorde en de belangen van de E.A.C.M. in verband met haar verdediging, als toelaatbaar viel aan te merken. Dát de stukken op zo'n manier waren ingebracht dat deze vraag zich enigszins opdringt, mocht er wel toe bijdragen dat niet in detail op de inhoud en de relevantie van die stukken werd ingegaan.

24. Ook de klacht dat de motivering van het hof onvoldoende van zijn beoordeling van de desbetreffende stukken blijk zou geven, merk ik daarom als ondeugdelijk aan.

25. Onderdeel III van het middel begrijp ik zo, dat het hof wordt verweten dat het zou hebben miskend dat [eiser] zijn vordering mede baseerde op het feit dat hij in gerechtvaardigde (van de kant van de E.A.C.M. gewekte) verwachtingen is teleurgesteld.

26. Bij de beoordeling van deze klacht wil ik vooropstellen dat "teleurgestelde verwachting(en)" geen rechtsgrond oplevert waaraan in het algemeen een aanspraak op schadevergoeding kan worden ontleend. Als bepaalde transacties slecht uitpakken is het bijna altijd zo dat de betrokkenen in hun verwachtingen teleurgesteld zijn; en is het vaak zo dat de verwachtingen waar zij van uit gingen, op de voorhand als gerechtvaardigd mochten worden aangemerkt. "Dat is het risico van het vak", zo hoort men dan wel zeggen. Er moet méér aan de hand zijn, wil men aan het teleurstellende verloop van wat men (op zichzelf: gerechtvaardigd) anders had verwacht, aanspraken op zijn wederpartij kunnen ontlenen.

De vraag lijkt mij dan, of er met recht kan worden geklaagd dat het hof in de stellingen van [eiser] niet heeft onderkend dat er niet alleen op tekortkomingen aan de kant van de E.A.C.M, maar ook op een rechtens relevante teleurstelling van verwachtingen een beroep werd gedaan.

27. Zoals eerder ter sprake kwam, strekte het namens [eiser] in hoger beroep aangevoerde er in sterk overwegende mate toe dat contractuele verplichtingen die de E.A.C.M. op zich zou hebben genomen, zouden zijn geschonden. Het debat heeft zich dan ook geconcentreerd op de vraag óf de E.A.C.M. verplichtingen met het oog op de verbeterde barvoorziening "aan de overkant" op zich had genomen; en op de in cassatie niet meer aan de orde zijnde vraag of er in feite een "ontmoedigingsbeleid" ten opzichte van [eiser] aan de dag was gelegd(14).

28. Met appelgrief VI had [eiser] intussen ook opgeworpen dat de verschillende mededelingen die aldaar aan de E.A.C.M. worden toegeschreven, een dusdanig onjuist beeld van wat hij, [eiser], mocht verwachten hadden teweeg gebracht dat daardoor van dwaling, bedrog of een onrechtmatige daad sprake zou zijn (er wordt ook gewag gemaakt van wanprestatie, maar in dat opzicht vermag ik niet in te zien dat iets anders kan zijn bedoeld dan de in appelgrief II al behandelde niet-nakoming van daadwerkelijk aanvaarde verplichtingen).

Het hof heeft dit betoog verworpen in rov. 4.2 van het tussenarrest van 8 november 2005, met de overweging dat aan het beroep op dwaling en/of bedrog geen vordering tot vernietiging van de huurovereenkomst werd verbonden, en dat de grief in kwestie voor het overige zelfstandige betekenis miste.

29. Nu is denkbaar dat iemand die door onjuiste of zelfs bedrieglijke mededelingen van een ander in dwaling is geraakt, daardoor schade lijdt die (ten laste van de hieraan "schuldige") voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het gaat dan overigens niet om schade op de voet van het "positieve contractsbelang": de schade zal in zo'n geval zijn ontstaan doordat de betrokkene een overeenkomst is aangegaan en misschien ook ten uitvoer is gaan leggen terwijl hij die overeenkomst, ware hij beter geïnformeerd, niet zou zijn aangegaan of onder wezenlijk andere voorwaarden zou zijn aangegaan(15).

In dit geval had [eiser] er slechts op gezinspeeld dat hij, wanneer hij had geweten hoe de vork werkelijk in de steel zat, van de overeenkomst met de E.A.C.M. zou hebben afgezien. Dan komt schadevergoeding op de voet van het "positief contractsbelang" in elk geval niet in aanmerking. De misschien wel denkbare schadevergoedingsvordering op grond van de hypothese dat [eiser] van de overeenkomst met de E.A.C.M. zou hebben afgezien, vertoont een volstrekt ander beeld dan de schadevergoeding gebaseerd op 10 jaar succesvolle exploitatie van de beweerdelijk door de E.A.C.M. toegezegde barruimte, zoals die in werkelijkheid aan het hof is voorgelegd.

30. Nadat het hof in het tussenarrest van 8 november 2005 een, althans in het licht van het zojuist in alinea 29 opgemerkte, enigszins beperkte uitleg had gegeven aan de mogelijk in Grief VI te onderkennen gronden waarop de vordering van [eiser] berustte, is men aan de kant van [eiser] hierop niet meer teruggekomen - bijvoorbeeld door te betogen dat de gronden van diens vordering ruimer moesten worden opgevat, en dat ook de mogelijkheid van schadevergoeding op de grondslag van aan de E.A.C.M. toerekenbare "teleurstelling" (onder de titel van dwaling dan wel bedrog) aan het hof werd voorgelegd.

31. De verschillende zojuist besproken gegevens brengen mij ertoe te besluiten dat het hof aan de stellingen en vorderingen van de kant van [eiser] een plausibele uitleg heeft gegeven, en dat het hof in redelijkheid kon oordelen dat een betoog zoals dat zojuist in alinea's 29 en 30 voor mogelijk werd gehouden, niet van diens kant naar voren werd gebracht.

Ik herhaal: [eiser] beriep zich vooral, en met de nodige nadruk, op tekortkomingen terzake van beweerdelijk door de E.A.C.M. op zich genomen verplichtingen. Het in appel nogal zijdelings gepresenteerde beroep op dwaling/bedrog (e.a.) mondde niet uit in een schadevergoedingsvordering zoals die op de grond van die rechtsfeiten (misschien) had kunnen worden geformuleerd; en nadat het hof er blijk van had gegeven de tot dan toe aangevoerde grond beperkt uit te leggen, is géén poging gedaan om het hof duidelijk te maken dat een ruimere grondslag van de vordering werd beoogd. Een beperkte uitleg van de aangevoerde gronden dringt zich dan enigszins op. Dat het hof die uitleg (kennelijk: ook in het eindarrest) heeft omarmd is dan goed te begrijpen; en overigens is de uitleg van de partijstellingen voorbehouden aan de rechters van de feitelijke instanties(16).

32. Zo kom ik ertoe ook onderdeel III van het middel als ongegrond aan te merken. Om de hoger besproken redenen kan het hof niet met recht worden verweten dat het de stellingen van [eiser] ongerechtvaardigd beperkt heeft opgevat. Ik kan dan daarlaten de vraag, of het middelonderdeel deze kwestie wel met de precisie die van een cassatiemiddel verlangd mag worden aan de orde stelt.

Het betoog, in alinea 3.3 van het middel, dat het hof gehouden was de rechtsgronden aan te vullen en op die voet misschien ook de eerder veronderstelde vordering in zijn onderzoek te betrekken, miskent de taak die in dit verband op de rechter rust en de vrijheid die hem daarbij toekomt. Wat hier wordt bepleit is geen aanvulling van rechtsgronden, maar het toevoegen van een zelfstandige vorderingsgrondslag (met een wezenlijk andere vordering als inzet, dan er in werkelijkheid geldend werd gemaakt), terwijl de aangevoerde stellingen daarvoor geen (adequate) houvast boden.

33. Wanneer men de cassatieklachten zo uitlegt en beoordeelt als ik hiervóór heb gedaan, stellen die geen kwesties aan de orde die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In hoofdzaak ontleend aan rov. 4.1 van het in de appelinstantie gewezen tussenarrest van 8 november 2005.

2 Deze clausulering is ingegeven door het feit dat onderdeel III van het middel aanvoert, dat [eiser] ook andere gegevens aan zijn vorderingen ten grondslag zou hebben gelegd dan het hof heeft beoordeeld.

3 Op 31 augustus 2004 had het hof al een beslissing gegeven naar aanleiding van een verzet van de E.A.C.M. tegen de eisvermeerdering van [eiser]. Het verzet werd van de hand gewezen. Deze beslissing komt in cassatie niet meer aan de orde.

4 Het eindarrest is van 10 april 2007. De cassatiedagvaarding is op 10 juli 2007 uitgebracht.

5 De Heer K.M. Van Korlaar, met kantoor te Hedel.

6 Zie ook Faillissementswet (losbl.), Van Galen c.s., art. 27, aant. 7.

7 Ter illustratie verwijs ik naar HR 6 maart 2009, RvdW 2009, 391, rov. 5.2.3; HR 15 februari 2008, NJ 2008, 449, rov. 3.7; HR 5 oktober 2007, NJ 2007, 542, rov. 3.6.

8 HR 20 februari 2004, rechtspraak.nl LJN AO1327, rov. 3.5.2 en alinea 2.19 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent vóór deze beslissing; zie ook HR 11 april 2008, NJ 2008, 555, rov. 3.5; HR 16 juni 2006, NJ 2006, 339, rov. 3.4; HR 16 juni 2006, RvdW 2006, 614, rov. 4.2.

9 In het dossier bevinden zich twee afzonderlijke, op dezelfde dag gedateerde en ogenschijnlijk door [eiser] ondertekende verklaringen (met een geheel verschillende inhoud).

10 Ik gaf (in de vorige voetnoot) al even aan dat ik ervan uitga dat het hier de twee verklaringen met de handtekening van [eiser] betreft, die zich in de dossiers bevinden "ter hoogte van" de processen-verbaal van getuigenverhoor, beide gedateerd 9 maart 2006 (hoe deze in het geding zijn gebracht is mij niet helemaal duidelijk geworden). Deze verklaringen tellen 18 en 25 bladzijden respectievelijk. De nummering van de producties die bij deze verklaringen zijn gevoegd, komt uit op 146 stuks. Daarbij is in aanmerking te nemen dat er productienummers voorkomen waarbij niet werkelijk een productie is gevoegd, maar dat er ook niet in de nummering vermelde producties bij de stukken zitten. Mij lijkt verantwoord - ik heb mij niet aan een exacte telling gewaagd - om uit te gaan van 140 à 150 werkelijk bijgevoegde producties.

11 Mij ervan bewust dat ik mij hier begeef in een waardering van overgelegd bewijsmateriaal, terwijl dat in cassatie niet aan de orde kan komen. Ik denk dat het Parket in het kader van zijn voorlichtende rol, zich onder omstandigheden een (marginaal) oordeel over vragen als deze mag permitteren.

12 Ik wijs dan bijvoorbeeld op een als getuigenverklaring aangeduid stuk van een zekere Meering, waarnaar de schriftelijke toelichting namens [eiser] in alinea 1.15 onder III specifiek verwijst. In die (uitvoerige) verklaring staan niet of nauwelijks terzake doende mededelingen.

13 Het probleem wordt geïllustreerd door beslissingen als HR 21 november 2008, RvdW 2008, 1056, rov. 4.4 - 4.5.1; HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 953, rov. 3.3.5 en HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 955, rov. 4.2.3.

14 Er is ook gedebatteerd over beweerdelijk niet-nagekomen onderhoudsverplichtingen, maar dat debat is nauwelijks uit de verf gekomen. In cassatie speelt het in elk geval geen rol.

15 Verbintenissenrecht (losbl.), Hijma, art. 228, aant. 18 - 19 en Vermogensrecht (losbl.), Hijma, art. 44, aant. 31 - 34.

16 HR 14 november 2008, NJ 2008, 588, rov. 3.5.4; HR 31 oktober 2008, RvdW 2008, 985, rov. 3.4; HR 27 juni 2008, NJ 2008, 478, rov. 3.4; HR 13 juni 2008, NJ 2008, 338, rov. 3.3.4; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.