Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH9936

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
08/00831
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH9936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een personenauto, terwijl hij met een snelheid van 140 km/u reed over de rechterrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van de Rijksweg, zijn aandacht gedurende enige tijd niet op het vóór hem gelegen rijbaangedeelte van de weg heeft gericht en dat hij zijn auto niet tijdig en niet voldoende naar links heeft gestuurd teneinde een voor hem rijdende personenauto met veilige tussenruimte te kunnen passeren. ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden en dat het plaatsgevonden verkeersongeval aan zijn schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994 is te wijten, is onjuist, noch ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 782
VR 2010, 2
Module Verkeer 2009/239
JWR 2009/58
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00831

Mr. Machielse

Zitting 31 maart 2009

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 24 juli 2007 voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaard.

2. Mr. B.Th.H. Boomsma, advocaat te 's-Hertogenbosch heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde mate van schuld niet uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Bewezenverklaard is dat:

"hij op 4 juli 2005 te Den Hout, gemeente Oosterhout als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A59, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam rijdend met dat door hem bestuurde motorrijtuig over de rechterrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die Rijksweg A-59, richting knooppunt Zonzeel, met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur terwijl vóór hem over voormelde rijstrook de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Suzuki) reed in dezelfde richting als hij, verdachte, zijn aandacht gedurende enige tijd niet op het vóór hem gelegen rijbaangedeelte van die weg te richten, en dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende naar links te sturen, teneinde voormeld motorrijtuig met veilige tussenruimte te passeren, waardoor hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met meergenoemd motorrijtuig, tengevolge waarvan laatstgenoemd motorrijtuig in schuin voorwaartse richting werd verplaatst en in botsing is gekomen met de rechts naast de rijbaan van die weg geplaatste vangrail, waardoor

- de bestuurder van dat motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood, en

- een inzittende van dat motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 2], werd gedood."

3.3. Volgens het middel is enkel sprake geweest van een moment van onoplettendheid, gecombineerd met een iets te hoge snelheid en een (te) langzaam rijdende auto van de slachtoffers. Dat deze onoplettendheid zulke ernstige gevolgen heeft gehad is voor de vaststelling of er sprake is van grove schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 niet relevant.

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam rijden, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.(1)

3.5. De eerste vier bewijsmiddelen bevatten verklaringen van verdachte zelf. Uit die verklaringen is af te leiden dat hij met een snelheid reed van 140 kilometer per uur waar een maximumsnelheid gold van 120 kilometer per uur, dat hij naar rechts heeft gekeken, naar een vrachtwagen bij een benzinestation, en dat hij toen hij weer voor zich keek de botsing met de andere auto niet meer kon vermijden. De andere auto is tegen de vangrail terechtgekomen en de twee inzittenden zijn als gevolg daarvan overleden. In beginsel zal ervan had moeten worden gegaan dat verdachte, als hij zijn aandacht bij de weg had gehouden de botsing had kunnen voorkomen zelfs als de andere auto langzamer dan te doen gebruikelijk zou hebben gereden.

Het feit dat verdachte 20 kilometer per uur harder reed dan ter plekke was toegestaan zal, zoals de ervaring leert, de mogelijkheid om alsnog uit te wijken en het ongeval te voorkomen, hebben verkleind. Er is dus niet enkel sprake geweest van een enkele - met een fysieke afwending samenhangende - onoplettendheid, maar van een combinatie van onoplettendheid en een snelheidsovertreding.(2) Het hof heeft deze combinatie zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting als grove schuld kunnen aanmerken. Ik acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

4. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252 m.nt. Knigge.

2 Zie HR 24 juni 2008, NJ 2008, 442 m.nt. Keijzer.