Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH9919

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
07/10789
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH9919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geldigheid betekening appeldagvaarding. Nu het Hof kennelijk als vaststaand heeft aangenomen dat verdachte ttv de uitreiking van de appeldagvaarding niet was ingeschreven in het GBA maar dat wel een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend was, had het Hof de appeldagvaarding nietig behoren te verklaren ipv het oz te schorsen en verdachte op te roepen voor een nog te bepalen ttz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 277
RvdW 2009, 746
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10789

Mr. Knigge

Zitting: 31 maart 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte bij arrest van 25 juli 2006 bij verstek veroordeeld wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd tot een taakstraf voor de duur van honderd uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte hebben wijlen mr G.P. Hamer en mr B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard, althans ten onrechte de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet heeft geschorst, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom nietigverklaring dan wel schorsing achterwege kon blijven.

4. Verdachte heeft op 23 februari 2005 in eigen persoon hoger beroep ingesteld tegen het in eerste aanleg door de Politierechter gewezen vonnis. Blijkens de daarvan opgemaakte akte verklaarde hij daarbij "thans" te wonen op het adres [a-straat 1] te [woonplaats].

5. Blijkens een GBA-overzicht van 28 juli 2008 dat zich in verband met de naleving van het bepaalde in art. 435 Sv in het dossier bevindt, was [a-straat 1-2] te [woonplaats] ten tijde van het instellen van het hoger beroep het GBA-adres van verdachte en is hij sinds 4 maart 2005 zonder vaste woon- of verblijfplaats.

6. De appeldagvaarding voor de zitting van 5 december 2005 is op 11 november 2005 uitgereikt aan de griffier omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend zou zijn. Op 5 december 2005 heeft het Hof de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd geschorst aangezien de dagvaarding volgens het Hof betekend had moeten worden op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], "nu dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte kon gelden". Men kan zich afvragen of dit oordeel niet impliceerde dat de verdachte wél een bekende woon- of verblijfplaats had, zodat het Hof de appeldagvaarding nietig had moeten verklaren (in plaats van de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden). Daarover klaagt het middel als ik het goed begrijp evenwel niet.

7. Het Hof beval de aanhouding van de zaak "teneinde verdachte opnieuw te dagvaarden". Daarbij beval het Hof dat de verdachte voor de nadere zitting zal worden "opgeroepen". Wat precies de bedoeling was, blijft dus onhelder. Op de zitting van 1 maart 2006 constateert het Hof dat "uit de stukken met betrekking tot de onderhavige behandeling blijkt dat een en ander niet is geschied". Uit de stukken blijkt overigens dat er wel iets is geschied. Op 16 januari 2006 is een oproeping van verdachte voor de zitting van 1 maart 2006 op het adres [a-straat 1] uitgereikt aan een ander dan verdachte (namelijk een zekere [betrokkene 1]), die bereid was de brief in ontvangst te nemen en aan geadresseerde te doen toekomen. Dat lijkt te zijn gelukt. De verdachte bleek namelijk van de zitting op de hoogte te zijn. Hij had vóór de zitting verzocht de zaak aan te houden omdat hij niet tijdig ter zitting kon verschijnen. Het Hof honoreerde dat verzoek en schorste de behandeling wederom voor onbepaalde tijd. Daarbij gaf het Hof aan dat verdachte diende te worden opgeroepen op zijn hiervoor vermelde oude GBA-adres. Tevens beval het Hof dat aan verdachte op dat adres alsnog een afschrift van de dagvaarding te betekenen.

8. Uit een zich in het dossier bevindende akte van uitreiking blijkt dat een oproeping om op 11 juli 2006 ter terechtzitting te verschijnen op 23 juni 2006 aan de (waarnemend) griffier bij de Rechtbank Leeuwarden is uitgereikt. Tevens vermeldt deze akte als verklaring van een medewerker van het OM dat een afschrift van de oproeping op 21 juni 2006 (dus twee dagen eerder) als gewone brief naar het door verdachte opgegeven adres "[a-straat 1-2]" werd gestuurd. Het lijkt erop dat daarmee beoogd werd toepassing te geven aan art. 588a Sv, dat evenwel niet van toepassing was.(1)

9. In het dossier bevinden zich tevens twee aktes van uitreiking d.d. 26 juni 2006 die telkens inhouden dat de uitreikende ambtenaar de oproeping resp. een afschrift van de inleidende dagvaarding te "Simon de Vrieshof 1 Haarlem (Rechtbank)" niet heeft uitgereikt "omdat: Postadres".

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting op 11 juli 2006 houdt voor zover hier relevant het volgende in:

"De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven -:

Verdachte is zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, zoals blijkt uit het Gba overzicht. Bij het instellen van het hoger beroep heeft verdachte als adres opgegeven [a-straat 1] te [woonplaats]. Het hof heeft ter terechtzitting d.d. 5 december 2005 aangegeven dat verdachte op dit adres dient te worden gedagvaard. Op 1 maart 2006 is de zaak aangehouden en is bevolen dat verdachte opnieuw zal worden opgeroepen en aan hem tevens een afschrift van de dagvaarding zal worden betekend. De oproeping voor de onderhavige zitting is op correcte wijze betekend aan de griffier d.d. 23 juni 2006. Uit twee aktes van uitreiking d.d. 26 juni 2006, betreffende de oproeping en een afschrift van de dagvaarding, blijkt dat deze niet aan het door verdachte opgegeven adres zijn betekend, omdat dit een postadres is. Nu voorts blijkt dat op 21 juni 2006 een afschrift van de oproeping als gewone brief naar het door verdachte opgegeven adres is gestuurd, heeft naar het oordeel van het hof een geldige betekening plaatsgevonden. Het hof zal verstek verlenen tegen de niet verschenen verdachte."

11. De stellers van het middel vechten wel het oordeel van het Hof aan dat betekening aan het adres [a-straat 1] achterwege kon blijven nu dit een postadres bleek te zijn. Zij voeren daartoe aan dat verdachte dit adres als woonadres had opgegeven en dat het Hof gebonden was aan zijn eerdere oordeel van 5 december 2005 dat het door de verdachte opgegeven adres redelijkerwijs als diens woon- of verblijfplaats had te gelden. Tevens voeren zij aan dat uit de aktes van uitreiking d.d. 26 juni 2006 niet blijkt dat de oproeping en het afschrift van de appeldagvaarding tevergeefs zijn aangeboden aan het adres [a-straat 1] te [woonplaats] zodat het oordeel van het Hof dat uitreiking aan dit adres niet mogelijk was omdat dit een postadres was, geen steun vindt in de stukken. Ten slotte voeren zij aan dat een postadres ook een adres is waaraan betekening dient te geschieden. Zij wijzen daarbij op het verschil tussen een postadres en een postbusnummer.

12. Ik begin met het laatste argument. Erkend kan worden dat een postadres niet hetzelfde is als een postbusnummer, maar daaruit volgt bepaald niet dat de dagvaarding of de oproeping op een dergelijk adres dient te worden uitgereikt. De vraag waarop het aankomt, is of een uit de stukken blijkend adres "redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden" (HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.24). Het is dus niet zo dat elk uit de stukken blijkend, door de verdachte opgegeven adres per definitie heeft te gelden als zijn feitelijke woon- of verblijfplaats. Sterker nog, uitreiking aan een door de verdachte opgegeven adres dat niet, of niet langer, als zijn feitelijke woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, maakt de betekening nietig.(2) Een postadres is, merk ik daarbij op, volgens het algemeen spraakgebruik een adres waar de verdachte niet woont of verblijft (maar dat hij gebruikt voor het ontvangen van post). In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.38 worden postbus en postadres dan ook in één adem genoemd.

13. Het feit dat de verdachte het adres [a-straat 1] in februari 2005 als zijn woonadres opgaf, is dus niet beslissend. Dit reeds omdat de situatie inmiddels veranderd kan zijn, een mogelijkheid die gezien de uitschrijving uit het GBA op 4 maart 2005 niet denkbeeldig is. Het Hof heeft de verdachte op 5 december 2005 - het was tenslotte Sinterklaas - ondanks die uitschrijving kennelijk het voordeel van de twijfel willen geven en heeft dus niet geoordeeld dat het door de verdachte opgegeven adres gezien de uitschrijving uit het GBA als achterhaald moet worden beschouwd. Ik begrijp dat toen gegeven oordeel aldus, dat het Hof zijn oordeel of de appeldagvaarding geldig was betekend, heeft opgeschort en heeft willen laten afhangen van wat uitreiking van een oproeping en een afschrift van de inleidende dagvaarding aan het opgegeven adres zou opleveren. Nu uiteindelijk - althans volgens het Hof - bleek dat het adres [a-straat 1] slechts een postadres was, kon het Hof oordelen dat zowel de oproeping voor de zitting van 11 juli 2006 als de appeldagvaardig op 11 november 2005 rechtsgeldig waren betekend. Tevens kon het Hof oordelen dat voor een nieuwe aanhouding van de zaak geen reden was, aangezien een afschrift van de oproeping was gezonden aan het postadres van de verdachte.

14. Dan nu de vraag of het oordeel van het Hof dat het door de verdachte opgegeven adres een postadres bleek te zijn, begrijpelijk is. Het gaat daarbij om de uitleg die het Hof aan de twee aktes van 26 juni 2006 heeft gegeven. Ik neem aan - met zoveel woorden wordt dat niet gesteld - dat de stellers van het middel het oog hebben op het gegeven dat op beide aktes als adres "Simon de Vrieshof 1 Haarlem (Rechtbank)" is ingevuld. Van algemene bekendheid mag worden geacht dat op dit adres inderdaad de Rechtbank Haarlem is gevestigd.

15. Het Hof heeft de aktes kennelijk niet zo uitgelegd dat de desbetreffende ambtenaar heeft gepoogd op het adres van de Rechtbank Haarlem tot uitreiking over te gaan, maar dat dit niet is gelukt omdat dit adres een postadres van de verdachte bleek te zijn. Dat is niet onbegrijpelijk. Een dergelijke uitleg zou immers nogal absurd zijn. Wel begrijpelijk is de uitleg dat de desbetreffende ambtenaar zich, zoals van hem werd verlangd, naar het telkens bovenaan de aktes getypte adres [a-straat 1-2] heeft begeven, daar te horen kreeg dat dit adres een postadres van de verdachte was en toen niet goed heeft geweten hoe hij de aktes moest invullen ("waar heb ik de stukken niet uitgereikt?") en vervolgens ten onrechte gekozen heeft voor de vermelding van zijn standplaats als adres van niet-uitreiking. Kennelijk is het Hof van die uitleg uitgegaan.

16. De stellers van het middel voeren tegen de begrijpelijkheid van 's-Hofs oordeel nog aan dat de aanzegging in cassatie op 22 juli 2008 wél op het adres [a-straat 1-2] is uitgereikt en wel aan een "huisgenoot". Dat is in zoverre juist dat die aanzegging op genoemde datum is uitgereikt aan de zich op dat adres bevindende [betrokkene 2] (die zich bereid verklaarde dat stuk aan de verdachte te doen toekomen). Dat deze [betrokkene 2] een huisgenoot van de verdachte was, vermeldt de akte niet. Volledigheidshalve vermeld ik dat het hier om een verbeterde aanzegging ging. Op 10 juli 2008 was ook al een aanzegging (met daarin een verkeerde uitspraakdatum) op genoemd adres uitgereikt en wel aan [betrokkene 1]. De akte vermeldt weer niet dat deze [betrokkene 1] een huisgenoot van de verdachte was.

17. Nu zou hieraan voorbij kunnen worden gegaan met het argument dat de situatie in 2008 niet maatgevend is voor de situatie in 2006. Er kan in die twee jaar heel wat zijn veranderd. Dat argument verliest aan overtuigingskracht doordat - zoals hiervoor bleek en aan het Hof bekend was - op 16 januari 2006 een oproeping op het adres [a-straat 1] is uitgereikt, eveneens aan [betrokkene 1]. Toch meen ik dat een en ander het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk maakt. Dat zich op een postadres personen bevinden die zich bereid verklaren het stuk in ontvangst te nemen en aan de geadresseerde te doen toekomen, is immers niet vreemd. Het Hof kon dus oordelen dat de eerdere uitreiking op het adres [a-straat 1] geen reden was om aan de juistheid van de vermelding op de aktes van 26 juni 2006 dat het hier om een postadres ging, te twijfelen.

18. Ik teken daarbij nog aan dat een korte search op internet leert dat op het adres [a-straat 1-2] te [woonplaats] een nachtopvangdienst van het Leger des Heils is gevestigd. [betrokkene 2] wordt daarbij genoemd als medewerker van het Leger des Heils.

19. Het eerste middel faalt.

20. Het tweede middel klaagt dat sinds het instellen van het beroep in cassatie op 16 mei 2007 zo veel tijd is verstreken, dat de berechting niet binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM heeft plaatsgevonden.

21. In de toelichting op het middel wordt terecht opgemerkt dat tussen het tijdstip waarop het beroep in cassatie is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen meer dan dertien maanden zijn verstreken, zonder dat is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen.

22. De klacht betreft dus een termijnoverschrijding van ruim vijf maanden, welke de Hoge Raad thans niet meer zal kunnen compenseren door een voortvarende behandeling.(3) Gelet op de aard van de sanctie en de mate waarin de redelijke termijn is geschonden, dient strafvermindering te volgen.

23. Het tweede middel slaagt.

24. Het eerste middel faalt, het tweede slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie art. V van de Wet van 23 maart 2005, Stb. 175.

2 Zie o.m. HR 2 februari 1999, NJ 1999, 297 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 603.

3 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 207.