Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH9027

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08/01053
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH9027
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bestorming ADO-home door Ajax-supporters. 1. Uitleg tenlastelegging (t.l.l.), art. 141 Sr. 2. Voeging benadeelde partij (bp) in hb. Ad 1. Het Hof heeft de op art. 141 Sr toegesneden t.l.l. kennelijk aldus opgevat dat daarin aan verdachte wordt verweten openlijk in vereniging geweld te hebben gepleegd tegen de in die t.l.l. bedoelde groep met naam genoemde personen, welk geweld bestond uit het op personen uit die groep inslaan met een honkbalknuppel of een soortgelijk voorwerp, waarbij 1 of meer van die personen tegen het hoofd of lichaam zijn geslagen. Die uitleg van de t.l.l. is met haar bewoordingen niet onverenigbaar. Het o.g.v. die t.l.l. bewezenverklaarde kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. ’s Hofs oordeel dat het openlijk geweld ook is gepleegd tegen de personen die niet daadwerkelijk zijn geslagen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 141 Sr. Ad 2. Uit ’s Hofs overwegingen kan niet anders volgen dan dat de bp zich (ook) in hb heeft gevoegd. Mede gelet op art. 421.2 en 3 Sv is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof o.g.v. de enkele omstandigheid dat op het desbetreffende voegingsformulier in hb geen bedrag is ingevuld, heeft geoordeeld dat “slechts het in 1e aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,- aan de orde is”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 931
NJ 2009, 402

Conclusie

Nr. 08/01053

Mr. Machielse

Zitting 7 april 2009

Aanvullende conclusie inzake:

[Verdachte 4]

1. Op 24 maart 2009 heb ik geconcludeerd in deze zaak, maar ik heb verzuimd acht te slaan op de tijdig ontvangen schriftuur van de benadeelde partij [slachtoffer 1], welke schriftuur door mr. A.H. Westendorp is ingediend. Daarvoor bied ik mijn verontschuldigingen aan.

2. De benadeelde partij klaagt over het oordeel van het hof dat zij in hoger beroep haar vordering zou hebben beperkt tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen, te weten € 2.000,00, terwijl initieel € 6.500,00 is gevorderd.

3.1. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2008 houdt op dit punt het volgende in:

"Voorts heeft [slachtoffer 1] op het voegingsformulier in hoger beroep geen bedrag aangegeven, daarom gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep slechts het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,- aan de orde is. De vorderingen van de overige benadeelde partijen zijn aan de orde als door de rechtbank toegewezen."

3.2. Ook in zijn arrest heeft het hof zich uitgelaten over de beperking van de vordering van de benadeelde partij:

"Vorderingen tot schadevergoeding [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 6], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1]

(...)

Dit betreffen de hierna genoemde bedragen:

(...)

[slachtoffer 1] € 6500,00

Voorts heeft [slachtoffer 1] op het voegingsformulier in hoger beroep geen bedrag aangegeven, daarom gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep slechts het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,- aan de orde is.

(...)

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.

De vorderingen in eerste aanleg van [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] bestaan uit geleden materiële en immateriële schade.(1) De door deze partijen in hoger beroep gevorderde schade is, voor zover het geleden materiële schade betreft, op geen enkele wijze onderbouwd.

Met betrekking tot de door [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 6], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat deze rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

Voornoemde benadeelde partijen waren op 10 februari 2006 aanwezig in het ADO-home toen zij plotseling werden opgeschrikt door de bestorming van het ADO-home door verdachte en zijn medeverdachten. Bij deze bestorming zijn [slachtoffer 9], [slachtoffer 8], [slachtoffer 10], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] geslagen met knuppels. [Slachtoffer 1] is door een zestal mannen omringd en met knuppels en/of stokken geslagen en is daarnaast nog in zijn arm en rechterzij gestoken. Als gevolg van de hierdoor opgelopen verwondingen moest hij naar het ziekenhuis worden afgevoerd. [Slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hebben hun toevlucht gezocht in een voorraadhok in het ADO-home, waar zij doodsangsten hebben uitgestaan, en als gevolg daarvan zijn zij niet geslagen.

Nu naar het oordeel van het hof gelet op het vorenstaande aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van de geleden immateriële schade zich lenen voor gedeeltelijke toewijzing, zal het hof naar maatstaven van billijkheid de volgende bedragen toekennen:

(...)

De vordering van [slachtoffer 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, omdat hij door meerdere mensen is omringd en daarbij met knuppels en stokken is geslagen.

Voor het overige acht het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces en zullen in zoverre daarom niet-ontvankelijk worden verklaard."

3.3. Het oordeel van het hof dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de vordering zou hebben beperkt tot hetgeen in eerste aanleg was toegewezen, nu geen bedrag is ingevuld, komt mij niet verdedigbaar voor. Het zou dan immers ingevolge art. 421 lid 2 Sv niet nodig zijn om zich alsnog als benadeelde partij in hoger beroep te voegen. Maar de benadeelde partij heeft zich opnieuw in hoger beroep gevoegd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de benadeelde partij het derde lid van art. 421 Sv tot toepassing wilde laten komen.

Ook de omstandigheid dat de benadeelde partij heeft aangegeven haar vordering te willen handhaven wijst erop dat de benadeelde partij de vordering zoals in eerste aanleg ingediend opnieuw aan het oordeel van het hof wilde onderwerpen.

3.4. De klacht van deze benadeelde partij komt mij gegrond voor. Dat heeft tot gevolg dat het arrest van het hof zal moeten worden vernietigd voor zover het de beslissing betreft op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de beslissing tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van deze benadeelde partij. Het hof zal op deze punten opnieuw hebben te beslissen.

Dat brengt mij er toe de Hoge Raad ook een andere oplossing te presenteren dan aanvankelijk was opgenomen in mijn eerdere conclusie. Ik had daar voorgesteld dat de Hoge Raad zelf vrij zou kunnen spreken voor zover het betreft de bewezenverklaring onder 3 primair, ten tweede van het geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2 t/m 5], met vernietiging van de beslissingen over de vorderingen van deze benadeelde partijen en van de ondersteunende oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de immateriële schade.

Maar nu het hof in mijn visie toch opnieuw zal hebben te beslissen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zie ik aanleiding mijn eerdere conclusie aan te passen en aan de Hoge Raad het voorstel te doen het bestreden arrest te vernietigen voor zover het betreft

- het onder 3 primair, ten tweede bewezenverklaarde geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2 t/m 5],

- de beslissingen op de vorderingen van deze benadeelde partijen en op die van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot vergoeding van de immateriële schade en

- de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de immateriële schade van deze benadeelde partijen,

met verwerping van het beroep voor het overige, en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde in zoverre de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Volgens de vaststelling van de rechtbank betrof de vordering van [slachtoffer 1] enkel immateriële schade zodat hier sprake is van een vergissing van het hof.

Nr. 08/01053

Mr. Machielse

Zitting 24 maart 2009

Conclusie inzake:

[verdachte 4](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 8 februari 2008 voor 3. de eendaadse samenloop van "medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd", en "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", 4. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen", en 6. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk. Aan die veroordeling heeft het hof een bijzondere voorwaarde verbonden. Tevens heeft het hof beslissingen genomen op de vordering van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2. Mr. M.J.A.E. Rijssenburg, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van feit 3 primair, ten tweede. Voor zover het betreft het geweld tegen [slachtoffer 2 t/m 5] steunt de bewezenverklaring niet op wettige bewijsmiddelen.

3.2. Als feit 3 primair, ten tweede is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 februari 2006 te 's-Gravenhage met anderen op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het supportershome van ADO/FC DEN HAAG, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit het meerdere malen met een honkbalknuppel, althans met een soortgelijk voorwerp op en/of tegen het hoofd/de hoofden en/of het lichaam/de lichamen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] te slaan".

3.3. Het hof heeft in de aanvulling op zijn arrest de volgende overweging opgenomen:

"Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Op de bewuste avond van 10 februari 2 006 waren in het ADO-home een tiental personen aanwezig, toen een grote groep AJAX-supporters - gewapend met knuppels - het home binnenstormde en willekeurig om zich heen sloeg op aanwezige ADO-supporters. Hoewel de aangevers [slachtoffer 2 t/m 5] zelf niet zijn geraakt door knuppels is het hof van oordeel dat het openlijk geweld ook tegen hen is gepleegd, gelet op de volstrekte willekeurigheid van het geweld dat jegens de ADO-supporters werd gepleegd, van welke groep zij deel uitmaakten en tegen welke groep het geweld was gericht."

3.4. Dit middel komt mij gegrond voor. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou wel zijn af te leiden dat naast het daadwerkelijk geweld dat is uitgeoefend tegen de mensen die zijn geslagen ook geweld in de zin van art. 141 Sr is gepleegd door gewelddadig en bedreigend het supportershome van ADO Den Haag binnen te dringen, maar dat is niet tenlastegelegd.

3.5. De Hoge Raad zou om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog kunnen vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat mijns inziens onvoldoende grond, aangezien door deze vrijspraak de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.(2) Dat heeft ook gevolgen voor de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2 t/m 5] en voor de schadevergoedingsmaatregelen die te hunnen behoeve zijn opgelegd, voorzover deze beslissingen zijn gerelateerd aan de immateriële schade die als gevolg van feit 3 primair, ten tweede is geleden. De benadeelde partijen [slachtoffer 3 t/m 5] zullen in hun vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade niet ontvankelijk moeten worden verklaard evenals de benadeelde partij [slachtoffer 2]. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan echter wel worden toegewezen voor het deel dat betrekking heeft op de materiële schade. Ook de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van deze benadeelde partijen zouden moeten worden geschrapt, weer behoudens ten aanzien van de materiële schade door [slachtoffer 2] geleden.

4.1. Het tweede middel klaagt over de oplegging van de bijzondere voorwaarde. Deze is in het arrest als volgt omschreven:

"Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd bij alle officiële wedstrijden van AJAX niet binnen een straal van twee kilometer van het speelveld of het stadion mag komen gedurende een periode van twee uur vóór de wedstrijd tot twee uur na de wedstrijd."

4.2. Het middel voert aan dat het hof art. 359, tweede lid, Sv heeft geschonden doordat het niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die het hof hebben geleid tot afwijking van een door de advocaat van verdachte in hoger beroep uitdrukkelijk voorgedragen onderbouwd standpunt. De steller van het middel doelt op de volgende passage uit een pleitnota in hoger beroep:

"Stadion verbod?:

134. Voor het opleggen van een stadionverbod als maatregel is geen aanleiding. Op de keper beschouwd bestaat er namelijk geen relatie lussen de openlijke geweldpleging en voetbal. Het hing niet samen met een bepaalde voetbalwedstrijd, maar vond slechts plaats op het terrein van een voetbalvereniging."

4.3. Ik kan de stelling dat het hier om een onderbouwd standpunt gaat niet onderschrijven. Wat is aangevoerd is slechts een losse bewering die niet is onderbouwd, zonder verwijzingen.(3)

4.4. Voorts stelt het middel dat een bijzondere voorwaarde strekt ter beïnvloeding van het gedrag van de veroordeelde en wel zodanig dat daardoor recidive wordt voorkomen. Het hof heeft verzuimd aan te geven welk doel de opgelegde voorwaarden heeft. Nergens blijkt dat de feiten waarvoor verdachte is veroordeeld in enige relatie staan met wedstrijden van Ajax. De bijzondere voorwaarde had dus niet opgelegd mogen worden, althans schiet de motivering ervan tekort.

4.5. Behalve het laatste feit richtten de delicten waarvoor verdachte is veroordeeld zich tegen personen en inventaris die verdachte en zijn mededaders aantroffen in het supportershome van ADO Den Haag. Verdachte en zijn mededaders zijn op 10 februari 2006 vanuit het supportershome van Ajax naar Den Haag vertrokken met de kennelijke bedoeling met supporters van ADO te gaan vechten. Het hof heeft bij de strafoplegging gememoreerd dat verdachte eerder veroordeeld is voor het plegen van soortgelijke feiten, waaronder voetbalgerelateerd geweld en heeft overwogen dat deze eerdere veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

4.6. De bijzondere voorwaarden zijn in art. 14c lid 2 Sr genoemd. Zij hebben de strekking de algemene voorwaarde, het nalaten van strafbare feiten, te ondersteunen.(4) Art. 14c lid 2 onder 5 Sr spreekt van "andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende". Volgens Bleichrodt zijn de gedragsvoorwaarden te onderscheiden in de voorwaarden die 'goed levensgedrag' bevorderen, meer bepaald de recidive dienen te voorkomen, en de voorwaarden waaraan de veroordeelde op grond van de maatschappelijke betamelijkheid kan worden gehouden.(5) Een stadionverbod valt onder de eerste categorie omdat het hooliganisme kan tegengaan.(6)

4.7. Ook in de onderhavige zaak kost het mij geen moeite om in het opgelegde stadionverbod een preventieve voorwaarde te zien. Het hof heeft klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk bedacht dat niet alleen de onderhavige feiten maar ook andere feiten waarvoor verdachte is veroordeeld te maken hebben met de omstandigheid dat verdachte deel uitmaakt van een groep personen die zich Ajax-supporters noemen, en die voor, tijdens, na of naar aanleiding van voetbalwedstrijden verantwoordelijk zijn (geweest) voor opstootjes en ongeregeldheden. Het zou het gedrag van verdachte ten goede kunnen komen als de contacten met andere leden van deze groep juist wanneer spanningen tot geweld kunnen leiden worden beperkt. De voetbalwedstrijden van de favoriete club zijn de gelegenheden waar supporters zich verzamelen en waar mensen met een kort lontje gemakkelijk een kruitvat kunnen doen ontploffen. Het hof heeft gemeend dat ter beperking van het recidiverisico verdachte niet aan zulke uitdagingen moest worden blootgesteld. Het lijkt mij volstrekt helder wat de bedoeling van het hof is geweest en tot een ruimere motivering van het opleggen van de bijzondere voorwaarde was het hof niet gehouden.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM.

5.2. Het hof heeft daarover in zijn arrest het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid openbaar ministerie in hoger beroep

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep op grond van het navolgende:

1) Nu de appelschriftuur van de officier van justitie niet gedateerd is, is onduidelijk wanneer deze schriftuur is ingediend.

2) De appelschriftuur is door de verdediging - na vele verzoeken daartoe - niet binnen een redelijke termijn ontvangen.

3) Het betreft een zeer algemene appelschriftuur.

4) In zaken van medeverdachten heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid verzocht.

Het hof verwerpt dit verweer ten aanzien van de punten 1, 2 en 3 op grond van het feit dat de bepaling van artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende dat de officier van justitie binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven dient in te dienen, eerst in werking is getreden op 1 maart 2007.

De wijziging is niet van toepassing op zaken waarin in eerste aanleg vonnis is gewezen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging, hetgeen in onderhavige zaak het geval is.

Ten aanzien van punt 4 overweegt het hof dat de enkele omstandigheid, dat het openbaar ministerie ten aanzien van een aantal zaken van medeverdachten heeft aangegeven die zaken "niet door te willen zetten, dan wel zelf niet-ontvankelijkheid te verzoeken", nog niet met zich brengt dat in de onderhavige zaak het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

5.3. Eerlijk gezegd valt het mij lastig de bedoeling van de steller van het middel te doorgronden. Betoogd wordt dat de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid onbegrijpelijk is omdat "niet gesteld kan worden" dat de eerste drie redenen die de raadsvrouw in haar pleitnota noemde "geen van allen toezien dan wel uitsluitend toezien op de termijn van indienen van (dan wel binnen) 14 dagen, zoals bedoeld in art. 410 Sv". Evenmin is in de pleitnota betoogd dat juist die overschrijding of enkel die overschrijding tot niet-ontvankelijkheid behoorde te leiden.

Ik vermoed dat het de bedoeling van de steller van het middel is om aan te voeren dat de advocaat in hoger beroep haar niet-ontvankelijkheidsverweer niet (enkel) wilde ophangen aan de schending van de termijn van art. 410 Sv, maar daarvoor ook nog andere gronden zag. Maar welke dat dan zouden moeten zijn is in hoger beroep niet helder gemaakt en blijkt evenmin in cassatie. Met welk ander ontvankelijkheidsbeletsel het betoog van de advocaat in hoger beroep in verband zou staan is het hof klaarblijkelijk niet duidelijk geworden en mij ook niet.

Het middel faalt.

6. Het eerste middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal vrij kunnen spreken voor zover het betreft de bewezenverklaring onder 3 primair, ten tweede van het geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2 t/m 5], met vernietiging van de beslissingen over de vorderingen van deze benadeelde partijen en van de ondersteunende oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de immateriële schade. [Slachtoffer 2] heeft ook een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade die het gevolg is geweest van feit 4 en deze vordering wordt door gegrondbevinding van het eerste middel niet geraakt. Het tweede en derde middel falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot de hiervoor onder 7 aanbevolen aanpassingen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 08/00877 (verdachte 2), nr. 08/00800 (verdachte 3), nr. 08/00807 (verdachte 1), nr. 08/00948 (verdachte 5), nr. 08/03942 (verdachte 6) en nr. 08/03943 (verdachte 7) waarin ik eveneens vandaag concludeer.

2 Vgl. HR 13 januari 2009, LJN BF3292.

3 Vgl. HR 28 augustus 2007, LJN BA5639.

4 F.E. Bleichrodt, Onder voorwaarde, p. 69.

5 Onder voorwaarde, p.82 e.v.

6 HR 14 mei 1996, NJ 1996, 560.